Doodgravertjes

Eens in de zoveel tijd barst er in ons land een discussie los over ethische kwesties rondom het levenseinde. Nu gaat het over het 'versterven' van demente bejaarden, die aangeboden eten en drinken weigeren tot zich te nemen.

Het valt op hoe abstract dit soort discussies gevoerd wordt. Zo ook Marjoleine de Vos op 8 augustus, die met grote afkeuring schrijft over het 'respecteren' van voedselweigering. Hierachter zit volgens haar de gedachte bij de artsen en verpleegkundigen, “dat het leven voor een demente bejaarde eigenlijk geen zin meer heeft”.

Nu de praktijk: de demente heer X raakt zijn eten en drinken niet aan en weigert zich door de verpleeghulp of de familie te laten voeren. Wat nu? Versterving dreigt! De oplossing lijkt eenvoudig: de verpleegkundige duwt hem een sonde door de neus via de keel naar de maag, waardoor sondevoeding en vocht toegediend wordt, of, wat in het ziekenhuis vaak gebeurt, de patiënt krijgt een infuus voor intraveneuze toediening van vocht.

Opnieuw de praktijk: de heer X trekt keer op keer de voedingssonde of het infuus uit. Wat nu? Gelukkig weten we daar ook raad op: de handen van de heer X worden stevig vastgebonden en/of hij krijgt een tranquillizer toegediend. De rust keert weer; het versterven wordt afgewend, maar zo langzamerhand rijst de vraag of deze situatie nog wel menswaardig is. Eerlijkheids- en volledigheidshalve zeg ik erbij dat niet alle demente bejaarden tegenstribbelen. Sommigen laten zich wel gedwee voeden met neussonde of infuus.

Het is gemakkelijk om een theoretische discussie te voeren over 'respect' en de zin van het leven', maar de vraag die zich in de praktijk voordoet, is vaak heel concreet en kent geen pasklare oplossing: als de heer X de hulpverlener van zich afslaat, wat moet die dan doen? Natuurlijk moet geprobeerd worden een voedselweigerende demente patiënt te voeden, maar niet tot elke prijs. Natuurlijk moet het beleid bij voedselweigering besproken worden met de naaste familie. De familie kan echter niet verlangen dat een hulpverlener de patiënt vastbindt en platspuit om toediening van sondevoeding mogelijk te maken, wanneer de verzorger vindt dat dat niet in het belang van de patiënt is.

Zo'n verzorger is geen rondrennend doodgravertje, maar “een redelijk wezen [... ], met verstand en inzicht begaafd, een - een kortom, een hommel” (Bomans G., Erik of het klein insectenboek. blz. 69).