Dina

Je zou het misschien niet zo snel denken, maar de vrouwelijke voornaam Dina kan van bijbelse herkomst zijn. Al zijn er ook Dina's die - als naam - verzelfstandigingen zijn van een achtervoegsel zoals in bijvoorbeeld Berendina. Van de, geloof ik, niet zo heel erg talrijke 'bijbelse' Dina's kan men zich in gemoede afvragen hoe ouders zelfs maar op het idee gekomen zijn om een dochter te vernoemen naar een personage waarvan de lotgevallen niet anders dan buitengewoon wreed en droevig genoemd kunnen worden.

Het verhaal van Dina staat in Genesis 34. Zij is de enige dochter van Jakob, bij Lea. Ze maakt een wandeling om eens kennis te maken met de meisjes uit de omgeving. Maar dat is dan ook alles wat wij als lezers van haar beweegredenen aan de weet komen. Want zodra ze deze eerste zelfstandige stappen buiten de deur of buiten de tent gezet heeft, is het raak. Zij wordt het stemloze centrum van een steeds groter geweld. 'Toen zag haar Sichem, de zoon van den Heviet Hemor, den vorst des lands, en hij nam haar en lag bij haar en verkrachtte haar.'

Zo staat dat er. Maar in één adem door vervolgt de tekst met: 'En hij was aan Dina, de dochter van Jakob, innig gehecht; hij had het meisje lief en sprak tot het hart van het meisje.' Uit die laatste formulering blijkt wederkerigheid. De verliefde verkrachter Sichem vraagt zijn vader om met het meisje te mogen trouwen. De vader van de verliefde verkrachter bespreekt die zaak met de vader van het verkrachte meisje. De zonen van Jakob, Dina's broers, zieden intussen van woede.

De vader van Sichem doet royale aanbiedingen: laten wij over en weer huwelijken sluiten en vestigt u zich toch vooral hier tussen ons. Ook zelf verzoekt Sichem zijn verhoopte schoonvader en zwagers, hem hun genegenheid te schenken. Welke bruidsprijs er ook gevraagd wordt, hij zal betalen.

Op de een of andere manier blijft Jakob nu verder op de achtergrond en nemen de broers van Dina de honneurs waar. Zij beweren Dina onmogelijk te kunnen uithuwelijken aan een onbesnedene. Uitsluitend wanneer alle Sichemieten besneden worden, 'zullen wij u onze dochters geven, en uw dochters voor ons nemen, en wij zullen bij u wonen, en wij zullen tot één volk zijn.' Vorst Hemor en zoon Sichem stemmen in. Alle mannen in hun stad worden besneden.

'Op den derden dag nu, toen zij (dat wil zeggen: de recentelijk besneden Sichemieten) hevige pijn leden, namen twee zoons van Jakob, Simeon en Levi, broeders van Dina, ieder zijn zwaard en zij overvielen de argeloze stad en doodden al wie mannelijk was. Ook Hemor en zijn zoon Sichem doodden zij met de scherpte des zwaards, en zij namen Dina mee uit het huis van Sichem en gingen weg. De zonen van Jakob wierpen zich op de verslagenen en plunderden de stad, omdat zij hun zuster onteerd hadden. Hun kleinvee en rundvee, hun ezels en al wat in de stad en op het veld was, namen zij mee. En hun gehele bezit, al hun kleine kinderen en vrouwen namen zij gevangen en zij maakten die buit, evenals alles wat in de huizen was.'

En passant heeft hier alweer het laatste en zeer weinige gestaan dat de lezer aangaande Dina vernemen zal: ze wordt weer meegenomen, terug naar het ouderlijk huis. Haar geschiedenis is afgelopen, alleen die van haar broers wordt vervolgd.

Het merkwaardige is dat een rechtstreekse veroordeling uitblijft. Wel beklaagt Jakob zich tegenover de boosdoeners Simeon en Levi: 'Gij hebt mij in het ongeluk gestort door mij in een kwaden reuk te brengen bij de inwoners van dit land (...) terwijl ik slechts met weinige lieden ben; als zij tegen mij samenspannen, zullen zij mij verslaan, en ik zal verdelgd worden, ik en mijn huis.' Uit die woorden spreekt eerder een bezorgd pragmatisme dan enige morele bekommernis.

'Maar zij zeiden: Mocht hij soms onze zuster als een hoer behandelen?'

Met die, door niemand meer beantwoorde, vraag eindigt Genesis 34. Het is een bijzonder weinig stichtelijke geschiedenis, die in wezen zonder slotsom blijft. Weliswaar zullen de broers Simeon en Levi aan het sterfbed van Jakob nog een geduchte veeg uit de pan krijgen (Gen. 49:5-7), want bij die gelegenheid wordt hun geweld ten langen leste ondubbelzinnig veroordeeld. Maar toch blijft deze mateloze wraakoefening hoogst onbehaaglijk stemmen. Het kwaad wordt, meer in het bijzonder, niet gestraft.

Ook God lijkt er in feite geen raad mee te weten. Het enige wat hij doet, is Jakob zeggen dat hij weg moet gaan, en wel naar de plek waar hij Jakob al eens verschenen is, toen die voor Esau op de vlucht sloeg: Bethel, de plek waar de engelen langs de ladder klommen en daalden, de plek waar God aan Jakob land in het vooruitzicht stelde en een nageslacht als het stof der aarde.

Een min of meer vreedzame vermenging van de twaalf stamvaders met de oorspronkelijke bewoners van Kanaan, het is kennelijk iets dat niet is weggelegd voor deze nieuwkomers, die nog behoorlijk lang nieuwkomers dienen te blijven, en eerst nog met hun allen naar Egypte zullen moeten - om maar iets te noemen. Het tomeloze geweld rond Dina wordt dus vereist, zou je misschien wel kunnen zeggen, door de exclusieve geschiedenis die het volk Israel, onder leiding van zijn al even exclusieve God, najaagt.