De slang heeft gesproken

Zelden heb ik op een stukje in de krant zoveel reacties gehad als op mijn recente verzuchting over de doofheid. Veel dank aan allen die gereageerd hebben, en mijn excuses dat ik niet iedereen afzonderlijk kan antwoorden.

De reacties vallen grosso modo uiteen in vier categorieën:

- betuttelende brieven

- brieven met serieuze adviezen

- brieven uit de wereld der fantastische mogelijkheden

- beschouwingen over het wezen der doofheid.

Het grootst in aantal zijn de serieuze adviezen, en er is iets vreemds mee aan de hand: bijna de helft bestaat uit aanbevelingen voor de zogenoemde 'hoorslang'.

Deze hoorslang is een voorbeeld van een akoestisch gehoorapparaat. Een van de dingen die ik in het vorige artikeltje had willen noemen, maar ten slotte heb weggelaten uit ruimtegebrek, was de hoorn of oortoeter waar ik in mijn prille jeugd nog wel oude mensen mee gezien heb. Ear trumpet heten ze in het Engels; Evelyn Waugh had er een, die hij vooral gebruikte om demonstratief weg te leggen wanneer er mensen aan het woord kwamen waar hij geen boodschap aan had. Dit apparaat verenigt bovendien nog twee andere kwaliteiten in zich: die van richtmicrofoon en van ruisvrije versterker. Dat wordt kennelijk onderschat; naast electronische geluidsversterking vallen akoestische apparaten in het niet, zo denkt men: blijkbaar ten onrechte. De meest efficiente vorm is vermoedelijk de stethoscoop; drie huisartsen beschrijven onafhankelijk van elkaar hoe zij soms een dove patient hun stethoscoop opzetten en dan tegen de membraan spreken, met als resultaat totale verrassing: 'dokter, ik kan weer horen!'

Als je dat leest denk je al: waarom krijgt dat dan niet meer ruchtbaarheid? Waarom wordt er niet vaker gebruik van gemaakt? Dat zelfde raadsel is nog sterker verbonden aan die hoorslang, ook een akoestisch apparaat, beschreven als het ei van Columbus en uitkomst brengend in gevallen waarin andere middelen falen: hartstochtelijk aangeprezen in niet minder dan 19 ingezonden brieven. Dat raadsel luidt: als dat waar is, waarom is het dan niet algemeen bekend? Waarom wordt het niet vermeld in de Consumentengids? Hoe komt het dat KNO-artsen en gehoorapparaat-specialisten hun klanten niet vertellen dat er zoiets bestaat? Is dat, zoals hier en daar wordt gesuggereerd, omdat er niets aan te verdienen valt (het hele geval bestaat uit niet meer dan een trechter, een eindje tuinslang en een plastic buisje)? Dat zou iets zijn als een wereld met alleen motorverkeer, omdat de automobielindustrie er in geslaagd is de fiets geheim te houden.

Onaannemelijk, maar wat is dan de verklaring? Het is wel duidelijk dat de deugden van het apparaat niet op autosuggestie of geloof in wonderen berusten. Twee exemplaren werden mij door geestdriftige lezers toegestuurd. De Nederlandse Vereniging voor Slechthorenden levert het tegen kostprijs (ƒ 13, inclusief verzendkosten, postbus 9505, 3506 GM Utrecht). Het is gemakkelijk voorbarige uitspraken te doen: bij gelegenheid kom ik op een en ander nog terug.

Er worden in deze brieven ook nog honderden andere kwesties aangeroerd waarop het onmogelijk is om in dit bestek in te gaan; alleen al over speciale telefoons zou ik (ook uit eigen ervaring) een hele verhandeling kunnen schrijven. Van de voorgestelde oplossingen noem ik nog het gebruik van een zogeheten 'recording walkman' (overal verkrijgbaar) in opnamestand, eventueel met een extra uitwendige microfoon. Na gebleken geschiktheid kan de motor worden uitgeschakeld en met de gewone batterijen is het apparaat dan goed voor zeer langdurig gebruik.

Verschillende brieven wijzen op de grote vorderingen die de techniek de laatste jaren heeft gemaakt en de commerciële beschikbaarheid van speciale apparatuur. Het werkelijke probleem is geloof ik dat veel slechthorenden, en zeker de oude tot zeer oude onder hen, daar om allerlei ingewikkelde redenen geen toegang toe hebben. Het tragische, dat wat ook meer in het algemeen rationeel gedrag op dit terrein belemmert, is de associatie van doofheid met ouderdom. De (socio)biologie is jegens ouderdom meedogenloos. Slecht zien heeft die associatie niet of veel minder.