Zilveren Bal

Vroeger, om deze tijd van het jaar, leefde het Zilveren Bal-toernooi. Het hoorde bij Spangen, maar was een min of meer landelijk toernooi. Amsterdam en AFC hadden hun Arol-beker, Rotterdam en verre omstreken bezaten de Zilveren Bal.

Men haalde toen geen dure Spaanse of Italiaanse clubs naar ons land om onze spelers rijp voor de naderende competitie te maken, maar - eenvoudig en soms sober zoals we toen waren - bereidden we ons dicht bij eigen huis voor. Wat mij vooral beviel bij de Zilveren Bal was de ongecompliceerdheid van het evenement. Naast het doel aan de kasteelkant kon je oprichter Cees van Hasselt in het gras zien zitten, samen met minister J.B. Kan (de zeer sportieve vader van Wim) en de vroegere aanvoerder van Sparta en het Nederlands elftal Bob de Korver. Als je vroeg naar Spangen kwam, zag je een hele rits wedstrijden achter elkaar, waarvan bij sommige de ongetraindheid duidelijk zichtbaar was, maar bij andere partijtjes straalde er aardige klasse vanaf.

Het kon toen zo, omdat ons voetbal nog nauwelijks guldenstekens in de ogen had. Nu zou het niet meer kunnen. Iedereen trekt tegenwoordig zijn eigen individuele plan, reist overal heen, ontvangt de halve wereld, ziet intussen nog kans tegen afdelingsploegjes aan te treden om het een en ander uit te proberen en het zelfvertrouwen van de mannen die het straks zullen moeten doen, zo hoog mogelijk op te vijzelen. De Zilveren Bal dateert van omstreeks de eeuwwisseling en is, tot het betaald voetbal zich aandiende, geen smadelijke dood gestorven, maar heeft de ogen vredig gesloten.

In het jubileumboek van de KNVB dat in 1939 uitkwam, herlas ik een bijdrage van de eigenzinnige, felle, onvergetelijke Pim Mulier, die zoveel sporten (waaronder voetbal) in ons land introduceerde en stimuleerde. Het aardige en opmerkelijke van het verhaal is de strekking: Mulier is niet tevreden over de prestaties van (zeg maar) de kinderen en kleinkinderen van de mannen en jongens die hij destijds de Haarlemse koekamp heeft ingejaagd. In het vorige jubileumboek (van 1930) verbaasde hij zich er nog over dat je zo weinig mocht als speler, maar twintig jaar later verwijt hij de spelers van eind dertiger jaren in iets andere bewoordingen dat ze 'watjes' zijn. “Ik constateer een verminderde energie wat lengte en hardheid van training betreft. Ze geloven het wel.” Hij zag 'angstwekkend-weinig startoefeningen' en hij was daar nogal verbitterd over. “Als men het zegt, lacht men u uit.” Mulier vond ook dat de bond te slap strafte. Wat hem betrof mocht men recidivisten in sommige gevallen best voor het leven uitsluiten. Lang tevoren had hij dat al bepleit, maar “het is geketst”.

Wat bij Mulier meespeelde was dat hij vreesde dat studerende jongelui lichamelijk nooit opgewassen zouden zijn tegen jongelui die voor hun beroep lichamelijke arbeid verrichtten. Hard trainen en ernaar leven zouden de enige mogelijkheden zijn voor wat hij 'de studerende standen' noemde. Maar hij vreesde dat er een tweedeling zou komen, waarbij de studiejongens het onderspit zouden delven. Echt gebeurd is dat niet. In de twintiger jaren was de intellectueel ingenieur Harry Denis waarschijnlijk onze allerbeste speler. Maar dat wil niet zeggen dat er geen voetbaltalent verloren is gegaan doordat menigeen de studie of het beroep buiten voetbal voorrang gaf. Vaak met bloedend hart. Mulier, met al zijn verdiensten, is lang uit ons land weggeweest. Hij woonde en werkte toen in het toenmalige Nederlands-Indië. Het is geen verwijt aan zijn nagedachtenis als we constateren dat ook hij op de lange duur de ontwikkelingen niet meer kon bijbenen. En wij, de mensen van nu? Kunnen wij de vaart bijhouden en zien we klaar en helder waar het organisatorisch, financieel en sporttechnisch en tactisch heengaat en of dat goed is? Alleen zij die zich als de knapste jongetjes van de klas beschouwen zullen nu hun vinger opsteken. En misschien nog onterecht bovendien.

    • Herman Kuiphof