Vingeroefeningen van een blinde pianist

Afgezien van mijn ambities in die richting, zullen mijn vaders liefde voor muziek en mijn moeders mening dat pianospelen bij de opvoeding van een meisje hoorde er wel toe hebben bijgedragen dat ik voor mijn tiende verjaardag een piano kreeg; niet zo'n ouderwetse met ornamenten en krullerige kaarsenhouders, maar een groter en strakker model met drie in plaats van twee pedalen, die door de deskundige relatie van wie mijn vader hem had gekocht een concertpiano werd genoemd.

De befaamde merknaam Steinmeyer glansde in vergulde letters boven het toetsenbord, en hij had vierhonderdvijftig gulden gekost, een niet gering bedrag, waarvoor mijn ouders - zoals mijn moeder liet doorschemeren - jarenlang hadden gespaard en zich veel hadden moeten ontzeggen. Ofschoon haar toespelingen dienaangaande niet alleen een zeker schuldgevoel bij mij opriepen, maar ook de vrees dat ik hen in hun hooggespannen verwachtingen zou teleurstellen, begon ik welgemoed aan de verplichte toonladders en vingeroefeningen.

Met mijn pianoleraren had ik weinig geluk. Weliswaar bleken ze bereid mij voor een prix d'ami te onderrichten, maar daar kwam zowel bij de een als bij de ander abrupt een einde aan. De eerste heette Anton Beeke. Hij was de pianist van mijn vader en, behalve jonggetrouwd, straatarm en zwak van gezondheid - met zijn broze gestalte en grote, donkere ogen in een broodmager gezicht leek het of hij altijd honger had - buitengewoon begaafd. Door louter toeval had hij zijn opleiding aan een welgestelde en talentvolle pianist te danken, die nog een leerling van niemand minder dan Dirk Schäfer was geweest. Als elfjarige zoon van een wasvrouw had Anton eenmaal in de week de mand met schone overhemden naar het huis van zijn aanstaande leraar aan de Mauritsweg gebracht en, met toestemming van de dienstbode, geruime tijd in de gang op de wasmand zitten luisteren naar het spel van de meester in een van de aangrenzende kamers. Op een keer had deze echter, gehinderd door het kraken van het riet, de deur van het studeervertrek geopend en de hem onbekende jongen op de wasmand aangetroffen. Van die dag af had hij de zoon van zijn wasvrouw onder zijn hoede genomen en er zelfs voor gezorgd dat er in haar woning tussen de tobbe en de drooglijnen een piano kwam te staan.

Gedurende zes jaar had hij de jongen zover opgeleid dat hij zelf zijn brood kon verdienen met lesgeven; maar Antons droom om zijn studie aan de muziekschool te voltooien was door gebrek aan de benodigde middelen nooit in vervulling gegaan. In plaats daarvan gaf hij les aan huis (op de zolderkamer die hij met zijn jonge vrouw en zijn piano op de verpauperde Hofdijk had betrokken durfde hij niemand te ontvangen) en zat 's avonds in zijn te ruime smoking in de orkestbak van allerlei zalen en zaaltjes de sketches, liedjes en dansjes van mijn vaders revue te begeleiden.

In de loop van een strenge winter kreeg Anton tbc en kwam vanuit het ziekenhuis in een sanatorium terecht, en vanuit het sanatorium weer op de zolderkamer, waar mijn vader hem geregeld opzocht en hij toch nog vrij plotseling is gestorven.

Inmiddels had mijn moeder haar oog op zijn opvolger laten vallen: een blinde jongeman die, nadat zij hem op het ongewisse artiestenbestaan van haar echtgenoot had gewezen, zich eveneens bereid verklaarde ons in de kosten tegemoet te komen. Dit, en het voordeel dat hij bij ons in de Zegwaardstraat woonde, maakten dat ik niet durfde te zeggen hoe ik ertegen opzag van een blinde les te krijgen, ook al kende ik hem van gezicht daar hij bijna dagelijks met zijn zwarte flambard en wijde zwarte jas ons huis passeerde, altijd aan de arm van een strak voor zich uit kijkende vrouw, naast wie hij met opgeheven hoofd en een vage glimlach, alsof hij heimelijk pret om iets had, monter voortstapte.

Deze vrouw, die zijn moeder bleek te zijn, liet mij iedere woensdag zwijgend in de studeerkamer, waar een vleugel de helft van de ruimte in beslag nam en haar zoon na een paar minuten met natgekamde haren en kwieke tred zijn entree maakte.

In de praktijk viel de omgang met de blinde erg mee. Alleen probeerde ik zoveel mogelijk de vergrote, levenloze pupillen achter de brillenglazen te ontwijken en moest ik telkens iets overwinnen als hij zijn lange, kille vingers tastend op de mijne legde om te controleren of ik ze in de juiste stand op de toetsen hield.

De stemming gedurende het lesuur was trouwens heel wat opgewekter dan bij Anton Beeke, aangezien mijn nieuwe leraar over een bijzonder goed humeur beschikte. Hij maakte altijd grapjes, waar ik spontaan op inging omdat ik niet wilde laten blijken dat ik medelijden met hem had, en na afloop van de les speelde hij bij wijze van toegift iets van Chopin of een fragment uit de balletmuziek van Tsjaikovsky waar ik zoveel van hield.

Voor mijn moeders verjaardag studeerden we het Scherzo van Schubert in, en juist toen ik niet onverdienstelijke vorderingen maakte en met mijn nichtje oprechte bijval in de familiekring oogstte met de vertolking van een quatre-mains van Diabelli, meende mijn leraar de nodige aandacht aan mijn houding achter het klavier te moeten besteden. Dit placht hij bij voorkeur te doen wanneer ik de nieuwe etude of sonate die ik voor de komende week moest instuderen foutloos ten gehore trachtte te brengen en er in mijn ijver weinig acht op sloeg als hij achter mijn stoel ging staan en zijn handen omzichtig op mijn schouders liet rusten.

Het viel me echter op dat ze iedere week wat lager zakten, hetgeen me, hoewel ik niet de moed had het te laten blijken, onnoemelijk irriteerde, al wilde ik blijven geloven dat het bij het corrigeren van mijn houding behoorde, daar hij gewoon bleef doorgaan met me zijn aanwijzingen te geven. Tot de lange kille vingers de nauwelijks bespeurbare welvingen op borsthoogte van mijn jurk beroerden, en mijn medelijden plotseling omsloeg in weerzin en machteloze woede. Daarbij kwam nog dat hij altijd op een bepaald moment zijn betoog afbrak om zich met zijn rug naar mij toe doodstil voor het raam op te stellen. Er zat iets geheimzinnigs en onverklaarbaars in dit gedrag, en toen ik eens, listig doorspelend, een blik over mijn schouder wierp en een zakdoek in zijn hand ontdekte, begreep ik er nog minder van, al besefte ik meteen dat dit het laatste samenzijn met mijn blijmoedige leraar was geweest.

Thuis heb ik tegen mijn verbaasde en verontwaardigde ouders gezegd dat ik geen pianoles meer wilde hebben en na drie jaar onderricht genoeg ervaring had opgedaan om zelf door te studeren. Of ze enig vermoeden hebben gehad weet ik niet, maar in ieder geval heb ik de werkelijke reden angstvallig voor hen verzwegen - niet alleen om de weerloze ogen achter de brillenglazen, maar ook omdat ik intuïtief had begrepen dat de vrouw die ik nog jaren met haar zoon aan de arm door de Zegwaardstraat heb zien lopen, het nooit mocht weten.