Kort bezoek

Het was opmerkelijk dat in het tijdperk van databanken en Internet de simpele oude methodes nog steeds de meest effectieve waren, dacht de schaker toen hij de hotelkamer binnenging van zijn tegenstander van die dag.

Het was niet zijn favoriete methode. Te direct en niet helemaal zonder risico. Liever luisterde hij naar wat zich achter de muren afspeelde. Misschien omdat het Hoogovenstoernooi zijn eerste toernooi geweest was, lang geleden. De flinterdunne wandjes van het oude hotel Kennemerduin hadden Oosteuropese stemmen doorgelaten die hij niet verstond, maar heel goed had hij de taal verstaan die klonk als die stemmen opeens zwegen en alleen de geluiden klonken van hout op hout. Hoe makkelijk was het om de geluiden van de pionnen en de verschillende stukken uit elkaar te houden en zelfs, na enige oefening, om de velden te herkennen waar die stukken gezet werden. Zoals anderen het melodietje kennen van de piepjes van een geliefd telefoonnummer, zo kende hij de melodietjes van de duizenden openingsvarianten van zijn geliefde spel. Tik, tak, bonk. Een normale Najdorf-variant. Een korte stilte, dan een klap die met met meer dan gewone kracht werd uitgevoerd. Paardoffer op e6. Nieuwtje dat binnenkort als een grote verrassing voor de schaakwereld zou komen. Maar niet voor hem. Als hij over de gang van het hotel liep, klonk uit de verschillende kamers een symfonie die alleen door hem in zijn geheel werd gehoord.

Westerse schakers die in de Sovjet-Unie speelden, spraken op hun hotelkamers nooit over schaaktechniek, bang dat ze afgeluisterd werden. Beseften ze niet dat de bandopname van de geluiden van de door hen verplaatste stukken voor een kenner even welsprekend zou zijn als wanneer ze hun geheimen recht in de microfoon verteld zouden hebben? Maar misschien bestond zo'n kenner niet, behalve hijzelf. Als hij ervan uit zou gaan dat de buitenwereld even nauwkeurige methodes toepaste als hijzelf, zou de paranoia vlak om de hoek liggen.

Soms dacht hij dat hij de schaakgeluiden kon horen uit hotelkamers die ver van de zijne verwijderd waren, op andere verdiepingen zelfs of in een ander gebouw. Maar zulke fantasieën waren gevaarlijk. Hij moest realistisch blijven.

Het kamermeisje aan wie hij gezegd had dat zijn vriend iets voor hem had laten liggen, bleef enigszins wantrouwend in de deuropening staan kijken. Ze hoefde zich geen zorgen te maken. Zijn methodes waren subtiel.

Altijd had hij minachting gehad voor de schakers die met grimassen, wilde bewegingen of luidruchtig kauwen en slikken hun tegenstanders probeerden te storen. Hijzelf besefte dat zeer kleine middelen voldoende waren, mits de tegenstander besefte dat het de bedoeling was om hem te storen en dat de bewegingen aan het bord niet een argeloos zenuwtrekje waren. Dan kon het optrekken van een wenkbrauw al vernietigend zijn, als de tegenstander wist dat het voor hem bedoeld was. Het werkte alleen bij mensen die zichzelf ook, zij het op veel grover en primitiever manier, van deze methodes bedienden. De eerlijken en argelozen waren op dit gebied voor hem onkwetsbaar. Er was rechtvaardigheid in zijn geliefde spel.

Zijn loopbaan kende niet meer de hoogtepunten van vroeger, toen hij met de besten van de wereld speelde. Nu speelde hij met honderden anderen in de grote open toernooien die hij voor zichzelf de massagraven voor uitgediende schakers noemde. Hij had zich altijd afzijdig gehouden van de praktijken die daar gangbaar waren, de afspraken om partijen te verliezen als het goed voor de gemeenschappelijke kas was. Niet omdat hij principieel tegen samenwerking was. De Sovjetspelers hadden tegen elkaar altijd de uitslagen geproduceerd die het beste waren voor moedertje Vaderland, en toch waren zij de grootste en de hartstochtelijkste schakers geweest.

Het was niet dat hij geen afspraken wilde maken die gunstig voor hem waren, maar meer dat hij zich niet goed voor kon stellen waarom anderen zich aan een gemaakte afspraak zouden houden. Om zijn geest van wantrouwig gepieker schoon te houden, had hij het masker van de onkreukbaarheid opgezet. Hij was de man die niet benaderbaar was voor omkopingspogingen. Soms knelde het masker. Het maakte dat er een afstand was tussen hem en zijn collega's, die hem voor een aanstellerig nufje hielden. Hij betreurde die afstand, maar ze was onvermijdelijk.

In de hotelkamer zag hij het schaakbord dat zijn tegenstander had achtergelaten. Hij herkende de overblijfselen van de Fischer-aanval in de Taimanov-variant van het Siciliaans en hij moest glimlachen om de primitiviteit van de misleidingspoging. Die aanval was niet speelbaar meer sinds Bronowski-Abramski, een maand geleden in Bad Nauhaus, dat wist iedereen. Dit was beslist niet de stelling die zijn tegenstander bestudeerd had. Zijn tegenstander had zichzelf beschermd, maar hij had het gedaan met de argeloosheid van iemand die met een knip op de deur een professioneel inbreker denkt buiten te houden. Iemand die in zijn hart denkt dat inbrekers niet bestaan of in ieder geval bij anderen zullen inbreken. Een dwaas die zijn lot verdiende.

Een aantal stukken op het bord waren verplaatst, maar er was niet de moeite genomen om iets te doen met de stukken die al van het bord verdwenen waren. In komische naïviteit had de tegenstander zijn g-pion twee velden in plaats van één vooruit gezet, om een heel andere variant te suggereren dan hij in werkelijkheid zou spelen.

Hij wist genoeg. De tegenstander vertrouwde nog op het versneld fianchetto uit Verlinski-Florentino van New York vorig jaar. Fatale vergissing. Hijzelf had door de muren van het New York Penta hotel gehoord hoe die twee samen die partij hadden ingestudeerd. Een fake-partij, zoals zo vele.

,Nee, het ligt er toch niet'', zei hij tegen het kamermeisje. Hij was minder dan vijf seconden binnen geweest en had niets aangeraakt. Zou zij vertellen dat zij iemand had binnengelaten? Nee, daar had zij geen enkel belang bij. Een fooi gaf hij haar niet. Hij was niet gierig, maar het zou slechts wantrouwen wekken en hij was een professional.

    • Hans Ree