Een krankzinnig avontuur?

Van monetaire zaken heb ik niet veel verstand, maar ik ben wel iemand die graag wil weten wat de munt die hij in zijn zak heeft, waard is. Van de gulden weet ik het. Maar van de euro?

Op zichzelf lijkt mij deze behoefte aan zekerheid erg menselijk, maar zodra een politicus uiting geeft aan deze twijfel, krijgt hij van Nederlandse 'topbankiers' te horen dat hij een politieke opportunist is. Dat is met Bolkestein gebeurd, zoals we in de krant van 18 juli hebben kunnen lezen.

Deze beschuldiging kan moeilijker gelanceerd worden tegen een andere topbankier, en daarom wil ik hier aandacht vragen voor de opvatting van Friedrich Nölling, die lid is geweest van de raad van bestuur van de Duitse Bundesbank. Die opvatting heeft hij ontvouwd in een lezing die hij in mei in Parijs, Edinburgh en Londen gehouden heeft.

Nölling meent dat een Economische en Monetaire Unie (EMU) alleen de moeite waard is als zij meer werkgelegenheid, meer investeringen en meer groei zal produceren. Maar zal de EMU dat doen? Zijn twijfel is groot.

In de eerste plaats vraagt hij zich af of Europa werkelijk klaar is om van de EMU een succes in de technische zin van het woord te maken. Het is al een hoogst ingewikkelde zaak om één munt te veranderen in een andere, maar om van acht of negen munten één munt te maken, is een gigantische taak, die politici geneigd zijn zwaar te onderschatten.

Bovendien zijn politici geneigd te geloven dat de EMU alle problemen zal oplossen, maar het omgekeerde is waar: wil de EMU een succes zijn, dan zullen de deelnemende landen eerst hun eigen huis in orde moeten hebben gebracht. Anders transporteren zij hun problemen in de EMU.

Nu hebben de meeste landen, in de eerste plaats Duitsland en Frankrijk, hun eigen huis nog niet op orde. Sterker: zij zijn op het ogenblik niet in staat om, naast de druk die het op orde brengen van eigen huis oplevert, ook nog de druk van een monetaire unie te dragen - tenzij, neem ik aan, die unie een slappe discipline betracht (wat Nölling niet bepleit).

Het komt dan ook niet als een verrassing dat één van Nöllings conclusies luidt dat “gegeven de beroerde staat van economische en financiële zaken in de grotere Europese landen en de hoogst ingewikkelde aard van het transformatieproces, ik pleit voor uitstel” van de EMU.

Daarbij komt, aldus Nölling, dat niemand de stabiliteit van de euro zal kunnen waarborgen. Ook de Europese Centrale Bank zal daar niet toe in staat zijn. Immers, de prestaties van de deelnemende landen zijn altijd verschillend van elkaar geweest en zullen dat altijd blijven: “een verscheidenheid van factoren die zelfs een totalitaire staat niet zou kunnen beheersen, laat staan een centrale bank.”

Alweer komt het niet als een verrassing wanneer Nölling de mening uitspreekt dat de centrale bank een politiek tegenwicht zou moeten hebben. Dat had, volgens de opvatting van de Duitse regering en de Bundesbank in 1990, een politieke unie moeten zijn geweest, maar daar voelden toen de Fransen niet voor.

Dat zal zich nu wreken, want “je moet niet met een muntunie beginnen alvorens een politieke unie tot stand te hebben gebracht”. Dat is ook de mening van de historicus van De Nederlandsche Bank, W.F.V. Vanthoor, maar daar hebben zijn bazen blijkbaar niet naar geluisterd.

Ook de gewezen vice-voorzitter van de Europese Commissie Frans Andriessen schijnt die mening te zijn toegedaan, want in de Internationale Spectator van juli/augustus schrijft hij: “De Fransen hebben niet helemaal ongelijk wanneer zij stellen dat monetair beleid niet in het luchtledige kan worden gevoerd.”

Hij laat erop volgen: “De ministers van Financiën zouden er goed aan doen in de komende maanden grondig over deze problematiek van de convergentie van economische politiek na te denken met het oog op een onafhankelijk opererende Europese Centrale Bank.” Op zichzelf is die raad goed, al komt hij een beetje laat. Bovendien: het zijn niet alleen de ministers van Financiën die daarover moeten 'nadenken'. Daar is de zaak te belangrijk voor.

Maar terug naar Nölling. Hij treedt ook met Duisenberg, van wie de Nederlanders hopen dat hij president van de ECB wordt, in debat. Hij citeert wat deze onlangs in Bonn heeft gezegd: “Monetaire unie is een gemeenschappelijk Europees avontuur.” Waarop Nölling vraagt: “Is het gerechtvaardigd de stabiliteit van de monetaire orde in Europa op het spel te zetten en een avontuur aan te gaan waarvan de uitkomst op z'n best onzeker is?”

De EMU, met andere woorden, een 'krankzinnig avontuur' (om een gevleugeld en omineus woord uit de Nederlandse politiek aan te halen)? Op die vraag, die iedereen zou moeten stellen zonder van politiek opportunisme beschuldigd te worden, is tot nog toe geen bevredigend antwoord gekomen.