Dierentuinen op drift: Artis; Vergeleken met andere zijn wij slechts een postzegel

Vergeleken met andere dierentuinen zijn de vernieuwingen in Artis allemaal later en minder. Maar waar vind je nog een roofdierenverblijf uit 1855? Nog even en Artis maakt furore als zorgvuldig in stand te houden antiquiteit. Derde deel van de serie over de harde strijd om het dierentuinbestaan.

Twintig jaar geleden viel het oog van drs. Robert Paul van de Pol op een advertentie in Economisch Statistische Berichten: econoom gevraagd bij Artis. Zonder aarzelen solliciteerde hij, na eerder economie te hebben gestudeerd en als ambtenaar werkzaam te zijn geweest bij de gemeente Purmerend. Zijn aanvankelijke idee om een toekomst in de internationale vervoerswereld te zoeken, bij voorkeur bij een rederij, moest hij laten varen doordat na zijn afstuderen de Nederlandse scheepvaartwereld in een crisis verkeerde. Als hoofd Economische Zaken bij de gemeente Purmerend hield Van de Pol zich bezig met groeikernstudies en het schrijven van nota's en ontwikkelingsplannen: “Geen werk waar mijn belangstelling naar uit ging. Te moeilijk ook, eerlijk gezegd.”

Gemakkelijk achterover leunend op zijn werkkamer haast hij zich daaraan toe te voegen: “Uiteraard is het niet zo dat ik als economisch directeur van Artis niets te doen heb, integendeel. Allerlei grote plannen slokken mij op, maar na al die jaren voel ik mij hier nog steeds als een vis in het water. Ik ben verknocht aan dit bedrijf, dat zowel een commercieel als een cultureel en educatief karakter heeft. Van dieren heb ik weinig verstand en daar ben ik ook niet voor. Onze algemeen directeur Maarten Frankenhuis is er voor de veterinaire zaken en ik ben voor het platte geld. Als economisch directeur moet ik ervoor zorgen dat de schoorsteen blijft roken en ook ben ik de man die met de ogen van het publiek kijkt.”

Nu al twintig jaar brengt hij dagelijks naar eigen zeggen “geruime tijd” door in de dierentuin om te zien of ergens iets verbetering behoeft: “Ik moet alles blijven zien en tevens luisteren naar wat het publiek onder elkaar zegt. Het zou niet goed zijn als ik bedrijfsblind word.”

Dat alles neemt niet weg dat Artis de laatste jaren door een deel van publiek en pers luid bekritiseerd wordt. Eind vorig jaar bijvoorbeeld nam columnist Jan Kuitenbrouwer onder het kopje 'Beestenbende' de dierentuin wekenlang in Het Parool op de korrel: “Wat een oude troep is het daar toch”, aldus Kuitenbrouwer. “Artis is een aanfluiting. Een jammerlijke devaluatie van het begrip dierentuin. Een dierentuin van niks. Een dierentuin die zonder enige liefde of lol gerund wordt.”

In ingezonden brieven vielen lezers hem bij. De dieren moeten in Artis meer ruimte krijgen, zo luidde de opinie van een deel van de briefschrijvers. De meeste anderen vonden daarentegen dat critici met hun rotpoten van dat rot-Artis moesten afblijven en dat er vooral niets moest veranderen.

Van de Pol blijft siberisch onder alle kritiek en ook onder de goed gemeende adviezen: “Ooit waren de oprichters van Artis hun tijd vooruit, maar na ruim anderhalve eeuw heeft de tijdgeest ons ingehaald. Wat vroeger heel normaal werd gevonden, namelijk dat allerlei exotische dieren krap gekooid werden tot lering en vermaak van de mens, wordt vandaag de dag door velen als een schande ervaren. Het is heus niet zo dat wij zelf geen ogen in ons hoofd hebben. Zeker, er moet wat veranderen in Artis en er zàl ook flink wat gaan veranderen, maar wij kunnen geen ijzer met handen breken.”

Niets dan goede bedoelingen lagen in 1838 ten grondslag aan de oprichting van het Zoölogisch Genootschap Natura Artis Magistra (de natuur is de leermeesteres van de kunst). Initiatiefnemer Gerardus Frederik Westerman, een hoofdstedelijke boekhandelaar en uitgever, wiens naam voortleeft in de papegaaiensoort Eclectus westermani, formuleerde met enkele vrienden de doelstellingen van Artis: “...het bevorderen van de kennis der Natuurlijke Historie op eene aangename en aanschouwelijke wijze, zoo door het bijeenbrengen eener verzameling van levende dieren, als door het plaatsen van een kabinet van opgezette voorwerpen uit het dierenrijk”. Door een rondschrijven aan prominente stadgenoten te richten met de oproep minimaal tien gulden te schenken, brachten Westerman c.s. een beginkapitaaltje bijeen waarmee in de Plantage een tuin van 60 bij 80 meter werd gekocht alsmede wat apen, herten en papegaaien. Een collectie opgezette dieren was te bezichtigen aan de overkant, in de Nieuwe Stadsherberg die tevens als uitspanning van de dierentuin fungeerde. Rijndert Draak, van beroep preparateur, staat te boek als de eerste directeur van Artis, maar al na vier jaar werd hij ontslagen nadat hij met de drankvoorraad had geknoeid. Westerman nam de directie toen zelf in handen en vervulde die functie tot aan zijn dood in 1890.

In dikke gedenkboeken staat de rijke historie van Artis beschreven en kort samengevat komt het erop neer dat zowel de collectie dieren als de oppervlakte van de tuin met het jaar groeide, maar dat de kooien, hokken en volières uiterst krap bemeten bleven. Zo werden de eerste zeehonden gehuisvest in een zwembassin ter grootte van twee badkuipen. Een nijlpaardenpaar kreeg een stal van 25 m en een bassin van 17 m. Roofvogels werden bijeen gepropt in kooien met slechts een kale boomstronk en de panters, tijgers en luipaarden werden ieder apart ondergebracht in een in 1855 gebouwd cellenblok en daar huizen ze anno 1997 nog steeds.

Wie door het huidige Artis loopt voelt zich evenmin behaaglijk bij het aanschouwen van de huisvesting van talloze andere dieren. Een roedel witte wolven zet het binnen een onooglijk perkje geregeld op een huilen, wat ze in de vrije natuur natuurlijk ook doen, maar dan wel onder iets andere omstandigheden.

Het moet economisch directeur Van de Pol van het hart dat hij zich bij zijn entree in 1977 ook weleens op het hoofd krabde, met name als hij stilstond bij de roofdierenhuisvesting, maar bij de veterinaire staf oogstten zijn “lekenopmerkingen” destijds geen bijval. “De dieren paren, dus zijn ze gezond”, zo luidde de communis opinio. Meer prioriteit gaven de staf en het stichtingsbestuur aan het opkrikken van de bezoekersaantallen en aan het creëren van 'all-weatherattracties' die ook buiten het hoogseizoen mensen konden trekken.

De eerste vernieuwing in die geest was in 1988 de opening van een planetarium, waarmee een investering van 8 miljoen gulden was gemoeid: “Dat vonden we goed passen in ons beleid om ons te ontwikkelen tot een museum van het leven”, aldus Van de Pol. “We dachten daarmee aan te sluiten bij de groeiende belangstelling voor natuur en milieu. In het planetarium laten we zien wat de plek van onze planeet in het heelal is. En in een geologisch museum, met een van de Universiteit van Amsterdam overgenomen collectie, laten we sinds 1992 zien hoe de aarde is ontstaan. Daarnaast hebben we van de universiteit een zoölogische collectie overgenomen en in ons aanbod geïntegreerd. Op die manier hopen we bij het publiek het besef te doen toenemen dat dieren, mensen, aarde en kosmos een breekbare relatie met elkaar onderhouden en dat het voortbestaan van vele soorten leven afhankelijk is van menselijk handelen. Dat soort dingen passen hier meer dan de aanleg van grotere glijbanen in onze speeltuin.”

Wie het doodstille planetarium en de Artis-musea (met een overigens fenomenale collectie) binnenstapt moet echter constateren dat deze attracties geen echte publiekstrekkers zijn.

Drukker is het in het geheel vernieuwde restaurant, een renovatie waarvoor Van de Pol langdurig heeft moeten pleiten: “Ons oude restaurant was stoffig en somber. Zo erg dat de meeste bezoekers van Artis een terrasje buiten de poorten verkozen. In vergelijking met andere parken haalden wij heel weinig uit horecabaten en inmiddels is dat wel anders.”

De afgelopen jaren kreeg Artis bovendien een overdekte accommodatie voor nachtdieren, een nieuw gorillaverblijf en onlangs werd het aquarium totaal en op imposante wijze vernieuwd, een investering waarmee 15 miljoen gulden gemoeid was. Voor dat geld is onder meer in een superaquarium het onderwaterleven van een Amsterdamse gracht in beeld gebracht: aan de rand van het water staan auto's geparkeerd; in het water zwemmen vissen tussen fietswrakken, lege flessen en verfblikjes.

De grootste uitbreidingen moeten echter nog komen. Tot nu toe heeft Artis een omvang van 10 hectare, maar in maart van dit jaar is eindelijk - na bijna 25 jaar politieke discussie - een wijziging van het bestemmingsplan goedgekeurd op grond waarvan Artis kan gaan werken aan de realisatie van een masterplan dat voorziet in een uitbreiding met 3,8 hectare. “Was dit bestemmingsplan getorpedeerd”, aldus Van de Pol, “dan zou ik niet zo gauw geweten hebben hoe wij de toekomst in hadden moeten gaan. Vermoedelijk hadden we dan het dierenbestand drastisch moeten opschonen om meer ruimte voor een beperkt aantal diersoorten te creëren en dat is wel het laatste wat wij gewild zouden hebben.”

Eén kostbare innovatie op het nieuw verworven grondgebied lijkt voor het publiek zeker niet interessant: er komt een centraal verzorgingscentrum, met onder meer ruimte voor de opslag en bereiding van voedsel, de medische verzorging van dieren en werk- en opslagruimte voor onderhoudsdiensten. “Al die diensten zitten nu verspreid over verschillende panden, halve bouwvallen”, verdedigt Van de Pol deze investering. Aan het publiek en de herhuisvesting van dieren is echter ook gedacht. Op het nieuwe terrein krijgen eindelijk de tijgers, panters en andere roofdieren een beter onderkomen. In plaats van hun cellenblok komt er een ruim binnen- en buitenverblijf. Bovendien zijn tekeningen gemaakt voor een nieuw apen- en vogelhuis, een zeshonderd meter lange arcade (overdekte wandelpromenade), een aanlegplaats voor rondvaartboten, een orangerie of wintertuin, een parkeergarage voor 400 auto's en een Afrikaans landschap voor gnoe's, zebra's en gazellen die nu nog bescheiden gehuisvest zijn.

Van de Pol: “Het moet een gebied worden dat overeenkomt met het savannelandschap waarin ze in de wilde natuur leven.” Vijfentwintig jaar geleden zou een dergelijk idee nog opzien hebben gebaard, maar vergeleken met wat andere dierentuinen momenteel doen, gaan doen of al gedaan hebben, is het de vraag of dit plan de broodnodige massa's op de been zal brengen. “In ieder geval krijgt ons park er een enorme uplift door”, zegt Van de Pol.

In het bestaande park zullen eveneens de nodige veranderingen worden aangebracht. Als de Afrikaanse hoefdieren zijn verhuisd naar het nog aan te leggen landschap op het nieuwe terrein, komt er in de oude tuin plaats voor een uitbreiding van het olifantenverblijf en voor een landschap in Zuid-Amerikaanse sfeer met onder meer lama's. Van de Pol geeft toe dat sommige andere dierenparken veel verder gaan in hun vernieuwingsdrang: “Als je met name ziet wat er in Emmen en Arnhem allemaal gebeurt en al gebeurd is, dat is niet gering, maar ja, daar hebben ze de ruimte. Daarbij vergeleken zijn wij slechts een postzegel en ook ontbreken ons de middelen om dieper in de bus te blazen. Bovendien willen het bestuur en wij als directie het oude karakter van het park niet te veel aantasten. Nu iedereen volop bezig is z'n dierentuin om te gooien, denken wij dat er meer en meer belangstelling zal groeien voor een nog echt klassieke dierentuin als Artis. Het is toch doodzonde om al die prachtige karakteristieke dierenverblijven tegen de grond te gooien? Als het aan ons ligt zullen wij er alles aan doen om die sfeer te behouden.”

Financieel gaat het Artis niet voor de wind. Uitsluitend dankzij een gemeentelijke subsidie van jaarlijks vijf miljoen gulden sloot de exploitatierekening de afgelopen jaren met een matig positief resultaat (honderdduizend tot een half miljoen gulden). De bezoekersaantallen zijn in de loop der jaren fors gedaald; van bijna 2,3 miljoen in 1974 naar nog geen zeshonderdduizend vandaag de dag. Aan de toegangsprijs kan het volgens Van de Pol niet liggen, al geeft hij toe dat in tien jaar tijd de entree is opgetrokken van ƒ 6,50 naar ƒ 22,50. Liever zoekt hij de oorzaak van het teruglopen van de bezoekersaantallen in de attracties die Amsterdam nog meer rijk is: “In deze stad is zoveel keuze dat de mensen ook inderdaad kiezen. Ben je in Emmen, ja, dan rest je weinig meer dan het overigens door mij zeer gerespecteerde Noorder Dierenpark.”

Omdat de bezoekers het laten afweten, heeft Van de Pol andere inkomstenbronnen moeten aanboren en sponsoring is voor hem het toverwoord. Het begon tien jaar geleden met de 'adoptie' van twee leeuwtjes door de Postbank en wie thans door Artis loopt, komt door het hele park bordjes met bedrijfslogo's tegen. Een olifant met lange slagtanden wordt gesponsord door Colgate; de brilslangen door Optilens; de eendenvijver door het weekblad Donald Duck; de Ibissen door het Ibis Airport-hotel en de ooievaars door Organon. De totale lijst met gesponsorde dieren telt drie dicht betikte vellen, met daarachter de prijzen die oplopen van 2.500 gulden voor een verblijf met Witkeelmakaken tot 35.000 gulden voor de zeeleeuwen. Totale opbrengst: niet meer dan 250.000 gulden per jaar.

Van de Pol heeft bij het bestuur van Artis lang moeten praten om zijn sponsorbeleid erdoor te krijgen: “Eerst wilde men er helemaal niet aan, daarna is voornamelijk gezocht naar bedrijven met een dier in hun logo, maar intussen heb ik min of meer de vrije hand om willekeurig welk bedrijf te benaderen als ze maar geen hardhout verhandelen en niet het milieu vervuilen. Dus voor de tijgers mag ik geen geld aannemen van Esso. En ook moet ik voorzichtig zijn met het leggen van relaties tussen Artis en fabrikanten van alcohol.” Behalve een bordje bij de dieren biedt Van de Pol potentiële sponsors ook 'incentives' aan als kortings- en vrijkaarten dan wel Artis-accommodaties voor feesten en partijen. Storm loopt het niet, althans niet voor grote bedragen, constateert hij met spijt en zijn conclusie is: “Het gaat kennelijk slecht met het bedrijfsleven.”

Niet helemaal te spreken is hij ook over het resultaat van 'joint-promotionacties': “De laatste jaren zijn wij talloze overeenkomsten aangegaan met bedrijven die onze naam op hun verpakkingen, in hun reclame-uitingen of op hun winkelvloer vermelden, in ruil voor korting voor hun klanten op de entreeprijs van Artis. Dat is eerlijk gezegd een beetje uit de hand gelopen. 's Avonds bij de kassa is het een enorme rommel van verschillende soorten kortingsbonnen, het bezorgt ons misschien wat meer bezoekers, maar tegelijkertijd kost het handenvol werk en erodeert het onze inkomsten. We moeten nog eens bekijken wat we op dat vlak blijven doen. Misschien dat we een paar grote acties aanhouden en de rest schrappen.”

Mogelijkheden te bezuinigen op het jaarbudget van 18 miljoen gulden zijn er volgens hem niet. De personele lasten slokken jaarlijks 11 miljoen gulden op. Er werken bij Artis 150 medewerkers in vaste dienst en daarnaast de nodige oproepkrachten.

“Daar kan ik geen man van missen”, zegt Van de Pol. “Wij zijn zeven dagen in de week geopend, zomer en winter. Altijd moet die tuin draaien en zonder dat ik veel met mensen kan schuiven. Bij de dierverzorgers heb je bijvoorbeeld een onderscheid tussen de warm- en de koudbloedigen, degenen die voor de zoogdieren en voor de reptielen en vissen zorgen. Dat zijn twee aparte disciplines die je niet met elkaar kunt mengen. Evenmin kan ik iemand van de technische dienst vragen het gras te maaien of het zand in de buitenhokken te verversen en toch moet dat allemaal gebeuren, terwijl de werkweken zijn teruggebracht tot 38 uur en de financiële ruimte om meer mensen in dienst te nemen ontbreekt. Daardoor ben ik steeds meer genoodzaakt werk uit te besteden aan particuliere bedrijven.”

Andere grote kostenposten zijn onderhoud en energie. Het zijn volgens Van de Pol typisch buitenstaanders die denken dat Artis het meeste geld kwijt is aan diervoeding: “In werkelijkheid praten we over een bedrag van zes ton per jaar. Nog altijd een substantieel bedrag waar helaas geen cent af kan. In slachthuizen verzamelen we het vlees van noodslachtingen, van bakkers en broodfabrieken krijgen we oud brood, op veilingen kopen we doorgedraaide groente op. Is de andijvie echter schaars, dan moeten we er een hoge prijs voor betalen want sommige beesten kunnen niet zonder. Zo goed als een pinguin haring wil hebben, ook als de Hollandse Nieuwe op z'n duurst is. Als economisch directeur kan ik de pinguins moeilijk dwingen makreel te eten.”

    • Wim Wennekes