De stammen van Tripura willen hun land terug

Het deelstaatje Tripura in het noordoosten van India raakte 50 jaar geleden bij de deling van het subcontinent nog geïsoleerder dan het al was. Hindoe-immigranten uit het islamitische Oost-Pakistan, het latere Bangladesh, zorgden voor onrust, die Tripura ook nu nog parten speelt.

AGARTALA, 12 AUG. Als een vorst zetelt de advocaat Shankar Bhattacharya achter zijn reusachtige bureau, terwijl bodes af en aan snellen en cliënten hem voortdurend opbellen met nieuwe zaken. Het is de jurist zichtbaar voor de wind gegaan sinds hij in 1949 als jongetje met zijn ouders uit Oost-Pakistan in de Tripurese hoofdstad Agartala arriveerde.

Bhattacharya is een van de honderdduizenden Bengaalse hindoes die zich sinds 1947 hebben gevestigd in Tripura, een voormalig vorstendommetje dat aan drie kanten door Bangladesh wordt omgeven. Vooral in Agartala, een charmante maar slaperige provincieplaats waar het aantal auto's ruimschoots achterblijft bij dat van de fietstaxi's, vormen de Bengalen inmiddels de overgrote meerderheid.

De inheemse bewoners van Tripura, behorend tot 15 stammen, vormden in 1947 nog ruim 90 procent van de bevolking. Breed hadden ze het niet, maar ze leefden in betrekkelijke tevredenheid onder het gezag van een hindoe-maharadja wiens paleis nog altijd midden in de stad prijkt. Inmiddels hoort echter nog maar 30 procent van de 2,7 miljoen inwoners van Tripura tot de oorspronkelijke bevolking. Tripura krijgt een steeds Bengaalser karakter en net als in de Indiase deelstaat West-Bengalen regeren ook hier Bengaalse communisten.

Een dergelijke demografische en culturele aardverschuiving moest wel tot spanningen leiden. Sommige Bengaalse hindoes wisten naïeve stamleden voor een zacht prijsje hun land afhandig te maken met alle conflicten van dien. Bovendien zag de inheemse bevolking de goede banen aan zich voorbijgaan omdat ze minder geschoold is dan de Bengalen en minder gewend om met de ellebogen te werken.

Alle opgekropte frustraties ontlaadden zich voor het eerst in 1980 in een marktplaats ten zuiden van Agartala, toen woedende stamleden binnen enkele uren ten minste 300 niets vermoedende Bengaalse immigranten doodden. Sindsdien is het blijven gisten in Tripura. Met enige regelmaat worden Bengaalse hindoes te grazen genomen.

De Bengaalse advocaat Bhattacharya ergert zich zeer aan zulke acties. “Wij zijn hier niet bepaald voor ons plezier gekomen”, zegt hij. “We kwamen onder dwang, toen ons het leven onmogelijk was gemaakt in Oost-Pakistan. Van hogerhand was immers beslist dat moslims en hindoes niet meer naast elkaar konden leven zoals vroeger. Wij hadden weinig keus.”

Jonge radicale stamleden organiseerden zich na verloop van tijd in gewapende groepen. De belangrijkste zijn op het ogenblik het Nationale Bevrijdingsfront van Tripura (NLFT) en de Tijgermacht voor heel Tripura (ATTF). Met grote regelmaat vallen beide groepen in het voor de guerrillastrijd zeer geschikte, heuvelachtige en dicht beboste terrein Indiase regeringssoldaten aan, terwijl af en toe ook Bengaalse hindoes hun doelwit vormen. Ook dit jaar zijn er zo tientallen soldaten om het leven gekomen.

De militairen reageren op zulke acties meestal met een zoektocht in naburige inheemse dorpen naar de schuldigen, waarbij het niet zachtzinnig toegaat. Dikwijls zien de dorpelingen zich genoopt zelf enige tijd de jungle in te vluchten, wanneer ze de troepen zien naderen.

Shyama Charan Tripura, een veteraan die al jaren strijdt voor de politieke rechten van de autochtone Tripurezen, weigert de acties van de guerrillagroepen te veroordelen. “Het zijn jongens die van hun land houden”, zegt hij in zijn bescheiden woning in Agartala. “Wij doen ons werk op vreedzame en democratische wijze. Zij doen het hunne op hun manier. Maar we strijden voor dezelfde idealen. Het is een strijd om onze identiteit te bewaren en als stam te overleven.”

Dat de stamleden een eigen identiteit bezitten, staat buiten kijf. Niet alleen is hun huidskleur iets geler dan die van de meeste andere Indiërs, ook wijzen hun gelaatstrekken op mongoloïde invloeden. Bovendien hebben ze eigen talen, die behoren tot de Indo-Tibetaanse familie. Een ander aspect van hun cultuur is dat vrouwen zich minder terughoudend opstellen dan de meesten van hun seksegenoten elders in het Zuid-Aziatische subcontinent.

In zijn slechts door een kaarsvlam verlichte huiskamer, waar zijn kleinkinderen met jonge katjes spelen, komt Shyama Tripura met zijn eis voor de dag: de autoriteiten moeten 70 procent van het grondgebied van Tripura reserveren voor de leden van de vijftien stammen die Tripura oorspronkelijk bevolkten. Die moeten daar met een eigen parlement zelf de dienst kunnen uitmaken. “Dit is ons land”, zegt hij rustig maar op een toon die geen tegenspraak duldt. “Wij hebben recht op deze grond, op elke korrel ervan.”

Een Indiase missionaris, pater Hormis John, die al 24 jaar in Tripura werkt en zich inspant voor verbetering van het lot der autochtonen, schudt treurig het bebrilde hoofd bij deze eis. “De geschiedenis valt niet terug te draaien. Op die 70 procent van het grondgebied behoort dertig procent van de inwoners niet tot een van de stammen. Die krijg je daar niet meer weg.”

De communistische regering van Tripura lijkt niet erg geïnteresseerd in de eigen identiteit van de stammen. “Zij moeten worden ontwikkeld en ze moeten worden opgenomen in de rest van de gemeenschap”, meent Keshav Majumdar, minister van Energiezaken in Tripura. “Er is geen alternatief.” Veel daadkracht valt er overigens niet van de deelstaatregering te verwachten. De premier, de 80-jarige Dasaratha Deb, moet naar verluidt elke dag door medewerkers in zijn auto worden gehesen als hij naar zijn kantoor gaat, waarna hij enkele uren glazig voor zich uit zit te staren.

Dan biedt de nieuwe centrale regering in New Delhi, die het noordoosten van India tientallen jaren heeft verwaarloosd, wellicht meer hoop. Zowel de vorige Indiase premier, H.D. Deve Gowda, als de huidige, Inder Kumar Gujral, hebben zich wat dit betreft van hun goede kant laten zien. Er zijn het afgelopen jaar fondsen vrijgemaakt om het noordoosten de komende jaren met drie miljard gulden te steunen, voor Indiase begrippen een kolossaal bedrag. “Het werd tijd”, gromt minister Majumdar in de Tripurese hoofdstad Agartala. “We hebben al vijftig jaar verloren.”