Breedtesport behoeft meer geld

Paul Strijp vindt dat breedtesport geen extra ondersteuning in de vorm van subsidies nodig heeft. Strijp heeft gelijk met zijn constatering dat we in Nederland een zeer behoorlijke dichtheid aan sportaccommodaties hebben. De conclusie, dat de beoefening van de breedtesport dus niet meer gestimuleerd hoeft te worden met meer subsidies, is echter onjuist en kan op eenvoudige wijze weerlegd worden.

Om de kwaliteit en de veiligheid van de bestaande accommodaties minimaal in stand te houden, zijn jaarlijks grote investeringen noodzakeiljk. Vanwege een toenemende privatiseringstendens bij de lokale overheid drukken de lasten daarvan steeds meer op de gebruikers van die accommodaties: sportverenigingen. Maar deze hebben hun kosten, zoals ook Strijp terecht aangeeft, de afgelopen jaren aanzienlijk zien oplopen, terwijl overheidssubsidies bovendien terugliepen. Het is dus niet moeilijk te begrijpen dat de sportsector niet in staat mag worden geacht de exploitatielasten en alle overige investeringen volledig zelf te kunnen bekostigen.

En bovendien, ook al zouden er meer dan genoeg sportaccommodaties zijn, is dat dan een argument om verdere stimulering van de breedtesport door de overheid na te laten? Natuurlijk niet. Er is meer voor nodig om met name al die Nederlanders die nog niet regelmatig sporten in beweging te krijgen en te houden.

Een overheid die het belangrijk vindt dat mensen sporten en bewegen, onder andere vanuit gezondheidsperspectief, zal er moeite voor moeten doen om het iedereen mogelijk te maken die prachtige sporthallen, velden, zwembaden en kunststofbanen te gebruiken.

Ook al die andere maatschappelijke functies van sport rechtvaardigen meer dan ooit een partnership tussen overheid en sportsector, dat erop gericht is om zowel de participatiegraad als de kwaliteit van het sportaanbod te verhogen. Deze ambities vragen om forse inspanningen van alle betrokkenen.

Het gaat duidelijk om meer dan alleen maar subsidies. Ook Strijp heeft dat door, en hij pleit voor administratieve lastenverlichting voor de sport. Er zijn echter nog veel meer terreinen, waarop overheid en sportsector gezamenlijk op zouden moeten trekken. De positie van de vrijwilligers in de sport, bij voorbeeld, staat onder grote druk. Het wordt steeds ingewikkelder om een vereniging te besturen, en niet iedereen heeft daar nog zin in of tijd voor. Verder staat de sport werkelijk te springen om goed opgeleid, professioneel kader, dat de kwaliteit en het niveau van deskundigheid binnen verenigingen op een hoger plan kan brengen.

De sport zal in dat proces zelf het voortouw nemen en de condities waaronder een dergelijk veranderingsproces plaats kan vinden, aangeven. Maar ondersteuning van overheidswege in de vorm van specifieke regelingen voor de sport of aanvullingen op bestaande voorzieningen zijn beslist niet te veel gevraagd. De uitbreiding van de Melkert I-regeling naar de sportsector is wat dat betreft een mooi begin, maar de (kader)problematiek in de sport vraagt om meer dan dat. Een beperkte mate van professionalisering is daarbij noodzakelijk.

Ten slotte: om de breedtesport structureel te ondersteunen, is behoefte aan een nieuwe geldstroom. NOC*NSF bepleit in dit verband de vorming van een zogenaamd Breedtesportfonds. De renteopbrengsten van deze financiële buffer, op te bouwen door bijdragen van zowel de sport zelf als de overheid en het bedrijfsleven, maken het mogelijk om de continuïteit van het breedtesportbeleid op de lange termijn te garanderen.