Algerije is het land van de valse hoop

Zelfs als er in Algerije opnieuw onderhandelingen met de radicale moslims worden gevoerd, zullen deze nergens toe leiden, denkt Michael Stein. Naar de vorm is het land misschien democratischer geworden, maar de Algerijnse samenleving is pathologischer dan ooit.

Zoals alle mensen moeten ook Algerijnen een sprankje hoop houden. Anders zouden ze in hun moorddadige omgeving niet kunnen overleven. Daarom putten velen, al zijn ze door hun ervaringen nóg zo cynisch geworden, hoop uit elke nieuwe politieke ontwikkeling.

Twee jaar geleden verwachtten zij dat de verkiezing van generaal b.d. Liamine Zéroual tot president hun meer vrede zou brengen. Twee maanden geleden geloofden zij dat de eerste verkiezingen voor een meerpartijenparlement de aanzet zouden geven tot meer politieke openheid en democratie, waardoor de maatschappelijke spanningen zouden afnemen.

Daarna dachten zij dat de benoeming van vier ministers en vier staatssecretarissen uit de 'gematigd-islamitische' beweging MSP (de Beweging voor een Vreedzame Samenleving, het vroegere Hamas), vorige maand gevolgd door de vrijlating van twee topleiders van het radicaal-islamitische FIS (het Islamitische Reddingsfront), zou leiden tot een politieke dialoog met de verboden islamitische groeperingen, waardoor het massale geweld zou afnemen.

Dit idee werd nog versterkt toen president Zéroual vrijwel tegelijkertijd zijn militaire adviseur benoemde tot commandant van de gendarmerie, de nationale antiterreurpolitie. Deze generaal-majoor Tayeb Derradji voerde in 1993 en '94 in het geheim - overigens mislukte - onderhandelingen met de gevangen FIS-leiders. Hij volgde generaal-majoor Benabbès Gheziel op, die door het FIS wordt beschouwd als één van de ergste éradicateurs (zij die de radicaal-politieke islam met wortel en tak willen uitroeien) in de militaire top.

Ten slotte wees ook het besluit om de zittingen van het gekozen parlement te openen met een voorlezing uit de Koran op grotere verzoeningsbereidheid tegenover de moslim-radicalen.

Al die verwachtingen kwamen niet uit. Naar de vorm is Algerije de afgelopen twee jaar democratischer geworden, met behulp van verkiezingen en verkiezingsresultaten die Le Pouvoir, de machthebbers, voor een belangrijk deel hadden voorgekookt en naar eigen smaak bereid.

Daarentegen werd de samenleving een stuk pathologischer - met steeds meer blinde aanslagen, moorden, martelingen, afpersingen en verkrachtingen, die met name in en rond de hoofdstad Algiers macabere routine zijn geworden. “Onze belangijkste industriële activiteit”, zegt een bitter gestemde advocaat in Algiers.

Al jaren wordt er in en buiten Algerije geroepen dat alleen een politieke dialoog tussen de overheid en álle belangrijke politieke stromingen - inclusief het buiten de wet gestelde FIS - het land tot rust kan brengen. De voorstanders vinden love beter dan war. Zij denken dat Le Pouvoir en het FIS concessies moeten doen en vervolgens tot een vreedzame coëxistentie kunnen komen.

De politieke realiteit in Algerije is echter weerbarstiger dan deze deels naïeve en goed bedoelde, deels puur opportunistische analyse. Voor de strijdende partijen is de oorlog een kwestie van leven of dood geworden. In Algerije zélf verwachten de politiek doorknede voorstanders van een dialoog dat de daaruit resulterende regeling tot vermindering van macht van Le Pouvoir zal leiden, waardoor zijzelf op het vinkentouw belanden en aan macht winnen. Maar natuurlijk zeggen ze nooit openlijk dat ze voor zichzelf profijt verwachten van een samenwerking met het ook door hén gehate FIS.

Dat hoeven ze ook niet te zeggen, omdat de spelers die uiteindelijk de gang van zaken bepalen, niet aan het scenario meedoen - zelfs als ze het zouden willen. Want geen van hen heeft in eigen kring voldoende macht en autoriteit om zijn wil door te drukken.

Het FIS, zes jaar geleden nog de sterkste en de best georganiseerde radicaal-islamitische beweging, is niet langer een coherente partij die moeilijke beslissingen kan nemen of afdwingen. Zijn leiders, door de overheid gevangen genomen of gedwongen in ballingschap te gaan, hebben aan invloed verloren. Door hun langdurige afwezigheid zijn zij symboolfiguren geworden - een beetje vergeten en niet meer zo relevant voor de strijders van het FIS, die geleerd hebben hun eigen beslissingen te nemen.

Zelfs in zijn periode van grote bloei was het FIS verdeeld in diverse stromingen. Zij die politieke middelen - en dus eventuele concessies - niet schuwden om aan de macht te komen, stonden tegenover de 'principiëlen', de aanhangers van een voortgezette en op te voeren strijd. En zij die de islam allereerst in Algerije wilden laten winnen, stonden tegenover de 'internationalisten' die het Kalifaat weer willen herstellen, waarin Algerije slechts een provincie zou moeten zijn.

Sinds ongeveer anderhalf jaar treden de 'politiek gezinden' meer op de voorgrond, toen duidelijk werd dat het FIS de militaire strijd tegen de overheid had verloren. De officiële uitspraken van de vertegenwoordigers van het FIS in het buitenland worden dan ook steeds gematigder. Waar zij nog maar een paar jaar geleden “de junta” met dood en verdoemenis bedreigden, roepen zij nu “president Zéroual” op om met hen te onderhandelen en veroordelen zij het massageweld van de GIA (de Gewapende Islamitische Groep).

Maar Zéroual, de legitiem gekozen president en dus sterker dan ooit tevoren, heeft al te kennen geven dat “het FIS-dossier definitief is gesloten” en de beweging “geen plaats meer heeft in Algerije”.

Hij moet wel. Want hoe sterk hij ook is, hij kan het zich niet veroorloven de eis in te willigen van zowel het FIS als de 'gematigd-islamitische' partijen om een algemene amnestie af te kondigen. Dan zouden vrijwel zeker de éradicateurs in de legerleiding korte metten met hem maken, zoals gebeurde met zijn twee voorgangers. Hij herinnert zich maar al te goed dat president Chadli Benjedid werd afgezet omdat hij te veel politieke ruimte gaf aan het FIS, en dat president Mohammed Boudiaf werd vermoord omdat hij zich verbeeldde buiten de generaals om macht te kunnen uitoefenen.

De GIA die pas vele maanden na de staatsgreep tegen president Chadli Benjedid ontstond en thans het grootste deel van alle moordpartijen voor haar rekening neemt, heeft als enige bestaansreden de oorlog tegen “de ongelovigen en ketters”. Anders dan het FIS, werd de GIA nooit een politieke partij met een leiderschap dat bepaalt wat er wél of niet moet gebeuren. De GIA is een losse verzameling strijdgroepen, die onafhankelijk van elkaar in diverse regio's te keer gaan - zonder een duidelijke politieke strategie en met slechts één boodschap: “Ieder die niet mét ons is, is tegen God”.

Ook binnen de GIA kwam het de afgelopen jaren regelmatig tot moord en doodslag. Een Emir (leider) die uit tactische overwegingen het door de beweging zo verheerlijkte geweld zou willen beëindigen, wordt automatisch als “vijand van God” gebrandmerkt en door zijn eigen geloofs- en wapenbroeders geliquideerd.

Zelfs als enkele GIA-strijders bereid zouden zijn hun wapens neer te leggen - waarvan tot dusver weinig is te merken - zouden zij ijzersterke garanties eisen dat zij niet onmiddellijk worden afgemaakt, zodra zij weerloos zijn. Maar de GIA is zich de afgelopen maanden aan zulke verschrikkelijke slachtpartijen te buiten gegaan, dat een politiek onderhandelde oplossing, gepaard met gratie voor deze Strijders Gods, eigenlijk ondenkbaar is.

Dus staat het al bij voorbaat vast dat, zelfs als er opnieuw onderhandelingen worden gevoerd, deze tot niets zullen leiden. Zéroual kan nóg een paar FIS-leiders voorwaardelijk vrijlaten om nóg eens aan te tonen hoe verzoeningsgezind hij is. Maar verder kan hij niet veel méér doen. En de GIA heeft hij helemaal niets te bieden.

De toch al paranoïde aanhangers en strijders van de GIA zien de ontwikkelingen alleen als verraad. Hun reeds bestaande wantrouwen tegenover het FIS werd alleen maar versterkt toen de overheid op 14 juli Abassi Madani, de Nummer 1 van het FIS, op vrije voeten stelde, en een week eerder Abdelkader Hachani vrijliet, de man die het FIS in december 1991 naar de verkiezingsoverwinning leidde. De mensen van de GIA zijn ervan overtuigd dat Madani en Hachani bereid zijn in het geheim met de overheid tegen hen samen te werken. En ze voelen er niets voor om door hen naar de slachtbank te worden geleid.

Dat alles betekent dat de Algerijnse burgeroorlog nog heel lang kan voortgaan. Zéroual en zijn omgeving denken dat zij de ontwikkelingen de baas kunnen blijven door de MSP van sjeik Mahfoud Nahna een heel klein stukje macht en een wat groter stuk verantwoordelijkheid toe te schuiven.

Die politiek hebben bijna alle leiders in het Midden-Oosten, inclusief Turkije en Israel, gevolgd. Zij dachten in hun strijd tegen de nationalisten en/of de communisten gebruik te kunnen maken van de 'gematigde moslim-fundamentalisten'. Maar na enige tijd bleken deze gematigden zich in de maatschappelijke sleutelposities van onderwijs, justitie, gezondheidszorg en binnenlandse zaken te hebben genesteld om van daaruit een greep naar de alleenheerschappij te doen. Met het verstrijken van de tijd werden ze vanuit hun betrekkelijke machtspositie steeds minder gematigd.

Het eindresultaat was altijd hetzelfde: de bondgenoten van weleer werden de doodsvijanden van vandaag. Want fundamentalisten van welke godsdienst of ideologie ook gaan uit van starre vijandbeelden. Voor zover ze macht willen delen met andersdenkenden, is dat alleen tijdelijk. Dat zijn ze aan hun God verplicht.