Willekeur treft 'witte' illegalen

Wanneer illegaal in Nederland verblijvende buitenlanders in aanmerking willen komen voor een verblijfsvergunning, moeten zij voldoen aan de zogeheten 'zes-jaar' norm. Lukt dat niet, dan moeten ze kunnen wijzen op bijzondere omstandigheden, zoals schoolgaande kinderen. Maar de toezegging van Justitie dat individuele zwaarwegende gevallen apart zullen worden beoordeeld, krijgt volgens André Vermeij onvoldoende gestalte.

Eind augustus debatteert de Tweede Kamer over de zogeheten witte illegalenregeling. Aanleiding voor het debat is de dreigende uitzetting van het gezin Gümüs. Het huidige vreemdelingenbeleid, dat sinds 1992 bestaat, richt zich op illegalen die jarenlang in Nederland hebben verbleven, 'witte' arbeid hebben verricht en bekend zijn bij (overheids)instanties, en die niettemin ongemoeid gelaten zijn. Zij kunnen worden beschouwd als illegalen die zodanige banden met Nederland hebben, dat verwijdering inhumaan zou zijn.

Tot 15 maart 1995 was dit ongeschreven beleid. Elk geval werd individueel getoetst. Uitgangspunt was dat er tenminste een verblijf van zes jaar moest zijn en een arbeidsverleden. In de praktijk werd echter genoegen genomen met minder dan zes jaar arbeid. Bijzondere omstandigheden, zoals het hebben van schoolgaande kinderen of een zeer langdurig verblijf in Nederland, konden daarbij de doorslag geven.

In 1994 wenste de Raad van State publicatie van dit beleid, ter voorkoming van willekeur. Op 17 november 1994 heeft staatssecretaris Schmitz daarom haar beleid in een brief uiteengezet. Op 29 december 1994 werd die brief omgezet in een circulaire. Toen de Tweede Kamer daar vervolgens bezwaar tegen maakte, omdat de circulaire zonder overleg was gepubliceerd, verdedigde Schmitz haar daad met het argument dat ze er door de rechter toe gedwongen was. De circulaire zou ook niets meer inhouden dan wat tot dan toe gebruik was.

Toch leidde het protest tot een nieuwe circulaire, op 15 maart 1995. De tekst daarvan was gelijk aan die van de eerste, met één verschil. Eerst figureerde de zogeheten 'zes min'-toets, die betrekking had op de illegaal die niet aan zes jaar verblijf en/of arbeid toekwam, maar kon wijzen op bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld schoolgaande kinderen. Deze toets werd vervangen door de toezegging dat individuele zwaarwegende gevallen - los van de tekst van de circulaire - steeds konden worden voorgelegd. Het verslag van het overleg van de vaste Kamercommissie met de staatssecretaris van 15 februari 1995 leert dat de commissieleden en de staatssecretaris ervan uitgingen dat de nieuwe circulaire in de praktijk geen groot verschil zou uitmaken ten opzichte van het ongeschreven beleid.

In de praktijk is het beleid vanaf de circulaire van 15 maart 1995 echter aanzienlijk aangescherpt. Onder het ongeschreven beleid gold dat men op de 'datum aanvraag' van de verblijfsvergunning aan de zes jaar moest komen. Maar dat uitgangspunt was in de praktijk verlaten, omdat Justitie het niet consequent toepaste en de rechter daar op grond van het gelijkheidsbeginsel consequenties aan verbond. Ook wie op 'datum aanvraag' niet aan de vereiste termijn kon voldoen maar tijdens de procedures de zes jaar alsnog volmaakte, kreeg een verblijfsvergunning.

Wie echter na 15 maart 1995 op de 'datum aanvraag' niet aan de eis van zes jaar voldeed, werd definitief afgewezen. Van doortelling van het arbeidsverleden tijdens de behandeling van de aanvraag en daarop volgende procedures was geen sprake meer.

De uitvoering van de nieuwe circulaire staat daarmee haaks op de mededeling dat het beleid vrijwel ongewijzigd zou worden voortgezet. De onverhoedse aanscherping met betrekking tot de peildatum, welke inmiddels slachtoffers heeft gemaakt, is niet alleen in strijd met de mededelingen van de staatssecretaris, maar ook met de geest van de nieuwe circulaire.

De regeling loopt nu aan het eind van dit jaar af, tegen de achtergrond van de gedachte dat er dan geen illegalen meer zullen zijn die op basis van een regulier verkregen sofi-nummer zes jaar verzekerde arbeid hebben kunnen verrichten. Van 1991 af kan een illegaal geen sofinummer meer krijgen. De slachtoffers van de aangescherpte peildatum dienen echter binnen de looptijd van de regeling een herkansing te krijgen. Dat is een morele plicht.

De illegalen die geen baat hebben bij een latere peildatum, omdat zij toch niet tot zes jaar arbeid komen, maar die wel kunnen wijzen op bijzondere omstandigheden (zoals het gezin Gümüs), zijn nu afhankelijk van de toezegging dat zwaarwegende gevallen steeds voorgelegd kunnen worden. Die toezegging krijgt in de praktijk onvoldoende gestalte. Criteria ontbreken, en geen enkel geval wordt door Justitie als voldoende zwaarwegend gezien zodat Justitie de beoordeling aan de rechter overlaat. Het gevolg is een reeks uiteenlopende beslissingen in vergelijkbare gevallen en dus willekeur.

Wat de staatssecretaris nu te doen staat is alsnog enig houvast bieden, zodat er recht gedaan wordt aan de gevallen waarin gezinnen in Nederland geworteld zijn, met name waar schoolgaande kinderen zijn en in andere gevallen waar een afwijzing een kennelijke hardheid tot gevolg heeft.

Elk regularisatiebeleid kent slachtoffers. Er is nu eenmaal geen sprake van een generaal pardon. Maar van 15 maart 1995 af zijn de grenzen die worden gehanteerd in de praktijk te nauw getrokken. Met het gevolg dat illegalen wier zaak niet strijdig is met de geest van het beleid en in wier verblijf voorheen wel zou zijn berust, thans, in het zicht van de Koppelingswet die de illegaal beoogt 'uit te roken', definitief buiten de boot vallen.

Overigens moet aangetekend worden dat het aantal slachtoffers relatief klein is. Mijn kantoor heeft verreweg de grootste regularisatiepraktijk, maar naar mijn schatting gaat het om tientallen en niet om duizenden mensen.