Schim uit Grieks verleden meldt zich

Na meer dan twintig jaar heeft zich een schim uit het verleden in Athene gemeld: Phaedon Gizikis, president van Griekenland in de nadagen van het kolonelsbewind.

ATHENE, 11 AUG. Generaal Phaedon Gizikis, nu bijna tachtig, heeft na drieëntwintig jaar de stilte verbroken. Hij is de meest mysterieuze, maar ook de meest weggestopte figuur uit de recente Griekse geschiedenis. In de laatste fase van de kolonelsjunta, na de val van dictator Georgios Papadopoulous in november 1973, werd hij verheven tot de post van president van de republiek, maar de feitelijke machthebber was brigade-generaal Dimitris Joannidis, chef van de militaire politie, die nu een levenslange gevangenisstraf uitzit wegens zijn aandeel aan de dictatuur.

Joannidis wordt ook gezien als de hoofdschuldige aan het drama van Cyprus, waar op 15 juli 1974 een staatsgreep tegen president-aartsbisschop Makarios plaatshad, bedreven door de Griekse officieren op het eiland. Deze leidde tot een Turkse invasie vijf dagen later, het begin van de opdeling van Cyprus in een Turkse en een Griekse zone. Het grote 'verraad' is nooit gestraft of ook maar berecht - onder premier Karamanlis werd het 'dossier Cyprus' geseponeerd omdat openbaarmaking van alle details de betrekkingen met andere landen (lees: de Verenigde Staten) in gevaar zou brengen.

Zowat alle Grieken zijn ervan overtuigd, dat Joannidis en de zijnen zich op sleeptouw hebben laten nemen door de Amerikaanse diplomatie - toen onder Kissinger - die uit was op een oplossing van de Cypruskwestie in de vorm van 'dubbele énosis', aansluiting van het grootste deel bij Griekenland en het kleinere bij Turkije. Joannidis en de zijnen zouden in de veronderstelling zijn gebracht dat Turkije niet militair op zijn staatsgreep zou reageren en dat deze zou kunnen leiden tot énosis van heel Cyprus met Griekenland.

Het Turkse offensief leidde tot ontreddering in Athene en het was Gizikis die in deze fase, op 23 juli, de politieke leiders bijeen riep om een 'nationale' burgerregering te vormen. Oud-premier Karamanlis werd uit Parijs teruggeroepen en opnieuw als regeringsleider beëdigd. Maar deze plechtigheid had plaats ten overstaan van de duistere Gizikis, die daarna nog vier maanden president bleef. Hem is ook daarna, tijdens de grote processen tegen de junta en de folteraars, geen haar gekrenkt - hij blijft eervol oud-president, compleet met pensioen en Mercedes.

De Grieken zagen hem nooit, al die jaren. Hij verscheen op geen enkele receptie, gaf geen enkel interview en menigeen vroeg zich af of hij eigenlijk nog wel leefde. Nu heeft hij, praktisch blind, door de ziekte van Parkinson en door twee hartaanvallen getroffen, een serie vraaggsprekken gehouden met het grootste rechtse dagblad Eleftheros Typos.

“Ik was de man die het bevel gaf tot de staatsgreep”, heet het daarin. Het is net alsof hij, laat in zijn levensavond, de 'eer' voor die beruchte maar nooit berechte staatsgreep nog wel opeist van Joannidis en de andere militairen, alsmede de ook nog steeds levende 'premier' van die dagen, Androtsópoulos. “Wij handelden weliswaar unaniem”, zo zegt hij, “maar ik had de volle verantwoording en ik sta er nog steeds achter.”

Makarios moest weg, aldus Gizikis, omdat hij een vedette werd, omdat hij aanvoerder van de hele Middellandse Zee wilde worden en vooral omdat hij de Griekse officieren op zijn eiland wilde wegsturen. Voor een Grieks staatshoofd was geen andere beslissing denkbaar. Bij de mogelijke gevolgen - de Turkse invasie - had men niet stilgestaan, “maar de ontwikkeling liep anders dan onze plannen”.

In het laatste vraaggesprek, gisteren, liet hij doorschemeren dat een hooggeplaatste Amerikaanse functionaris, van wie hij de naam niet wilde noemen, hun zand in de ogen had gestrooid, iets waar Joannidis ook altijd toespelingen op heeft gemaakt.

Eigenlijk bevatten de vraaggesprekken niet veel nieuws, afgezien van de bewering dat men niet Makarios' dood nastreefde en daarom zijn paleis, waaruit hij kon ontvluchten, niet had omsingeld. (Maar op de ochtend van de staatsgreep werd wel omgeroepen dat de aartsbisschop dood was). “Hij had zelfs in een latere fase weer kunnen terugkomen”, aldus Gizikis.

In het laatste interview zegt hij bereid te zijn, terecht te staan voor zijn initiatieven van 1974. Intussen is er, vooral op Grieks-Cyprus zelf, namelijk een storm opgestoken over wat hij vorige week heeft gezegd. Alle Cyprische partijleiders, ook die van de regeringspartij, hebben geroepen dat hij alsnog moet worden berecht, desnoods op het eiland. De voorzitter van de vereniging van familieleden van slachtoffers van de staatsgreep - en dat waren er honderden - kwam naar Athene om op die berechting aan te dringen. De regeringswoordvoerders in Nicosia en Athene hebben het weggewoven - men moet niet gaan vechten tegen spoken uit een ver verleden. Maar de Griekse minister van Justitie, Jannópoulos, verklaarde dat de seponering in de jaren zeventig geen verjaring betekende.

Het is onwaarschijnlijk dat de voorstanders van berechting hun zin krijgen. De doodzieke man - tot nu toe een volstrekt onpersoon - zou alsnog een martelaar kunnen worden. Maar vooral geldt: nu er weer onderhandelingen zijn begonnen met de Turkse tegenpartij - die nog steeds memoreert dat Ankara in juli 1974 de Grieken van twee dictaturen heeft bevrijd - lijkt het onverstandig de voorgeschiedenis van de Turkse inval op te rakelen.