Neem slachtoffers van zedenmisdrijven serieus

In een op zichzelf sympathiek betoog bepleitte de advocate Agathe van Bon-Moors hier onlangs een andere aanpak van de bewijslevering in zedenzaken: “Als de rechter zou vasthouden aan de bewijsregels die voor andere misdrijven gelden, blijven de slachtoffers van zedenzaken in de kou staan” (NRC Handelsblad, 18 juli).

Waarom dat zo is maakt zij echter niet duidelijk. Bij zedenzaken worden aan het 'technische' bewijs al minder strenge eisen gesteld, schrijft Van Bon-Moors zelf. Bovendien, zo schrijft ze, ligt bij deze zaken het accent al niet zozeer op het technische bewijs als wel op de overtuigingskracht van het bewijs.

Een afwijkende aanpak in dit soort zaken is in de optiek van Van Bon-Moors gerechtvaardigd door de eigen aard van zedendelicten. Het delict speelt zich in het algemeen in afzondering af (een inbraak toch ook?). En de gevolgen zijn vaak ernstig en langdurig: “Bijna altijd is er grote psychische schade, die vaak ook materiële schade tot gevolg heeft”.

Hetzelfde geldt echter ook voor, bij voorbeeld, een roofoverval waarbij een vuurwapen wordt ingezet. De gevolgen van dit soort delicten lijken mij dan ook juist wel goed met andere te vergelijken. Ze zijn in feite alle terug te voeren op een posttraumatische stress-stoornis en het zogeheten Stockholm-syndroom.

Van Bon-Moors merkt terecht op dat het Wetboek van Strafrecht nu geen afzonderlijke regels voor de bewijsvoering in zedenzaken kent. Zijn slachtoffers daar dan bij gebaat? Zou daarmee niet de indruk worden gewekt dat er vanwege de gevoeligheid van de materie met de bewijsvoering is gesjoemeld? Dat de dader ten onrechte is veroordeeld en het slachtoffer dus ongeloofwaardig is? Volgens Van Bon-Moors neigt het publiek er nu toch al toe de verklaringen van slachtoffers die aangifte doen kritisch te bezien.

De zaak-Kluivert die zij noemt is hier volgens mij geen goed voorbeeld. Het slachtoffer heeft daarin direct laten weten dat het haar niet om geld ging maar om gerechtigheid. Ook kan de zaak niet dienen als illustratie bij Van Bon-Moors' pleidooi voor herinvoering van de wegbezuinigde afdelingen Jeugd- en Zedenpolitie. Juist de politie van Amsterdam beschikt, als een van de weinige korpsen in ons land, nog altijd over zo'n afdeling, en uitgerekend deze afdeling heeft de sporen in de zaak-Kluivert vernietigd. Slachtoffers van zedendelicten zijn wellicht meer gebaat bij het Rotterdamse model. Sinds 12 juni van dit jaar krijgt een slachtoffer van een zedendelict daar automatisch een advocaat toegewezen die is opgeleid om slachtoffers van seksueel geweld juridisch bij te staan.

Mijn eigen - civielrechtelijke - zaak laat zien dat een advocaat niet noodzakelijk in zedenzaken gespecialiseerd hoeft te zijn. Veel belangrijker is het om een goed plan te hebben. Toen ik besloot dat het van belang was de omvang van de door mij geleden schade ondubbelzinnig vast te stellen, heeft mijn advocaat deze opvatting vertaald in een bodemprocedure waarbij de schadeclaim werd onderbouwd door rapportages van een psycholoog, een psychiater en een arbeidsdeskundige. En met succes.

Wel laat mijn zaak zien dat de positie van slachtoffers - ook in een civielrechtelijke procedure - tamelijk zwak is. De rapportages die over het slachtoffer worden uitgebracht komen ook in handen van de tegenpartij. Sterker nog: passages uit dergelijke rapportages belanden in het vonnis en worden daarmee openbaar. Gegevens die in andere situaties onder het beroepsgeheim van de psycholoog of de psychiater vallen worden zo voor iedere belangstellende opvraagbaar. De redactie van het televisieprogramma NOVA beschikte zelfs eerder over het vonnis in mijn zaak dan ik. Een ongehoorde inbreuk op de privacy van slachtoffers, waaraan dringend een eind dient gemaakt.

Mijn lotgenoten en ik zijn niet gebaat bij morrelen aan de bewijslast. Wij zijn gebaat bij een maatschappelijk klimaat waarin seksueel geweld bespreekbaar is en niet wordt weggelachen. Daarvoor moet de overheid ondubbelzinnig laten blijken dat het haar menens is met het uitbannen van dit geweld. Slachtoffers van seksueel misbruik zouden zich niet langer moeten schamen; ze moeten hun zwijgen verbreken. Publiek en overheidsinstanties zullen zich veel meer bewust moeten worden van de gevolgen van seksueel geweld. Het mag niet meer voorkomen dat - zoals mij is overkomen - de directeur van de grootste sociale dienst van ons land een slachtoffer van langdurig seksueel misbruik toevoegt: “Mensen zoals jij kunnen gewoon aan het werk.”

Het wordt hoog tijd dat de overheid het niet bij mooie woorden laat. Er moet daadwerkelijk iets veranderen. Het wegbezuinigen van de specialisatie Jeugd- en Zeden was een verkeerd signaal. Het is treurig dat er een affaire-Dutroux voor nodig was om dit de volksvertegenwoordigers te doen inzien. En dat is niet het enige. In 1988 hing de stad Amsterdam weliswaar vol met affiches met de tekst 'Incest - dichterbij dan u denkt', maar een jaar later beëindigde de Amsterdamse gemeenteraad de subsidie aan de initiatiefnemer van deze actie, de stichting Tegen Haar Wil. En toen de Vereniging tegen Kindermishandeling enkele jaren geleden de op het stoppen van seksueel misbruik van kinderen gerichte actie 'Over sommige geheimen moet je praten' startte, en daarop de Kindertelefoon en de Bureau's Vertrouwensartsen werden overspoeld door telefoontjes, zodat extra capaciteit noodzakelijk was, gaf de landelijke overheid niet thuis. Zoiets werkt dan alleen maar averechts.

Onlangs is er hevig gediscussieerd over de vraag wiens verdienste het veelbesproken poldermodel nu eigenlijk is, van Lubbers of Kok. Laten we niet vergeten dat de welvaart van velen mede stoelt op het uitsluiten van 'mensen met een vlekje' en het wegbezuinigen van voorzieningen die essentieel voor hen zijn. Laten landelijke politici maar eens komen uitleggen waarom het rechtvaardig is dat mijn lotgenoten, na alles wat hun is overkomen, veelal de rest van hun leven moeten rondkomen van een bijstandsuitkering en zelfs hun therapie dikwijls zelf moeten betalen.

Dat doen we oorlogsslachtoffers toch ook niet meer aan?