Leger van Algerije kijkt weg bij geweld

De moordpartijen van moslimextremisten komen de Algerijnse autoriteiten niet slecht uit: als het platteland ontvolkt raakt door het geweld snijden Gods Strijders hun bevoorradingslijnen af.

AMSTERDAM, 11 AUG. Zelden beleefde Algerije zo'n hete zomer, met dagen waarop vijftig, honderd of meer burgers op de walgelijkste manier werden vermoord. Niemand weet precies hoeveel. De door de partijen verstrekte getallen rollen als veilingbiedingen over tafel: 60.000 doden in de afgelopen vijfeneenhalf jaar. 100.000 doden. Nu alweer 150.000. Alleen de altijd positief gestemde overheid telt niet. Zij wil opgewekte berichtgeving en doet dus alsof er niet zoveel aan de hand is - “een restant van terrorisme”.

De strijdkrachten komen alleen in actie tijdens nauwkeurig van tevoren bepaalde offensieven of bij door de overheid uitgeschreven verkiezingen, die door de radicaal-islamitische strijdgroepen dreigen te worden verstoord. Maar al te vaak blijven zij in hun kazernes en kijken de andere kant op. Elk jaar opnieuw vragen de burgers zich af: “Waar blijven ze toch? Waarom krijgen we zo weinig bescherming?”

Het antwoord blijft uit. En dus raken steeds meer dorpen ontvolkt. De overlevenden vluchten met hun auto's, vrachtwagens en tractoren naar de grote steden. Als ze niet bij familie onderdak vinden en onvoldoende geld hebben, kamperen ze op straat. Vooral in de stad Blida. De overheid bekommert zich niet om hen. Die heeft andere zorgen. Er moeten zoveel kopstukken worden beschermd, bij voorbeeld in het luxe bungalowpark en conferentiecentrum Club de Pins, op 30 kilometer van Algiers. Vlakbij ligt het gehucht Haouch Maurice, waar vorig jaar bij een nachtelijk bezoek van Gods Strijders 14 mensen werden vermoord en twee maanden geleden nog eens 16 - op slechts één kilometer afstand van een legerkazerne. Haouch Maurice ligt er nu totaal verlaten bij, zoals zo vele boerderijen in deze streek. Want iedereen weet dat een buitengewoon bloeddorstige groep in de omgeving actief is.

Van officiële zijde wordt gezegd dat de overheidsstrijdkrachten niet altijd en overal aanwezig kunnen zijn. Niet wordt gezegd dat de passiviteit van leger en gendarmerie tijdens zoveel nachtelijke moordpartijen in de dorpen een weldoordachte strategie is.

Dat blijkt uit het verslag van een onderzoekscommissie van de Internationale Federatie voor de Rechten van de Mens (FIDH), die eind april Algerije bezocht. Eén van de getuigen was een vrouw die door de commissie gehoord was. Zij stamelde: “120 mensen in Sidi Mouissa. Ik kom uit Sidi Mouissa (...) Er zijn daar gisteravond 120 mensen gekeeld. Vermoord (...)” Zijzelf was over haar hele lichaam verbrand, haar vingers waren afgesneden. Een van haar zoons was dood, haar man was dood, ze was alleen over.

Pagina 5: Moordpartijen spelen leger in de kaart

In het ziekenhuis van Al Harrache stonden mannen voor haar - veiligheidsagenten in burger. Ze zeiden: “Het komt jullie toe. We hopen dat ze - na jullie mannen en kinderen - jullie honden en katten te grazen nemen. Want jullie zijn het, die ze voeden en onderdak geven.”

Zulke opmerkingen maken duidelijk wat de geheime agenda is van de legertop. Die heeft er belang als Gods Strijders zó te keer gaan dat de mensen op de vlucht slaan en de dorpen ontvolken. Dan wordt het voor de terroristen steeds moeilijker zich te provianderen. Zij belanden door hun eigen moordlust én de passiviteit van de orde-handhavers in een steeds groter vacuüm omdat zelfs hun vroegere aanhangers zich tegen hen keren.

Het is een strategie die zeer veel slachtoffers kost, maar waarschijnlijk op lange termijn vruchten zal afwerpen. Natuurlijk kan niemand openlijk toegeven dat al die brute massamoorden voor de overheid vervelend lijken, maar niet zijn.

De overheid heeft twee jaar geleden de oorlog - die zij niet als 'burgeroorlog' maar als 'terroristisch geweld' karakteriseert - militair gesproken gewonnen. Daardoor is het geweld van karakter veranderd.

De eerste generatie van Gods Strijders is vrijwel geheel geliquideerd. Hun opvolgers halen het uit hun hoofd de strijdkrachten rechtstreeks aan te vallen. De tijd is voorbij dat goed georganiseerde radicaal-islamitische strijdgroepen van zo'n honderd man met succes politie- en legerkazernes aanvielen. Ze kunnen dat niet langer omdat de regering doeltreffende afspraken heeft gemaakt met Europese staten en de buurlanden om de wapenbevoorrading van de terroristen af te snijden. Vier jaar geleden deden vele regeringen nog een oogje dicht als ze in eigen land organisaties opspoorden die wapens ten behoeve van de Heilige Oorlog in Algerije verzamelden. Nu niet meer.

Ook de welgerichte moordaanslagen op vooraanstaande intellectuelen, kunstenaars en journalisten zijn sterk in aantal afgenomen. De overlevenden zijn naar het buitenland gevlucht (meer dan 500 journalisten) en de standvastigen hebben geleerd zich beter te beschermen.

De afnemende kansen op 'successen' dwongen de tweede generatie van Gods Strijders andere doelen voor hun Heilige Oorlog te zoeken - burgers. Dat was niet zo'n moeilijke beslissing omdat deze nieuwe generatie minder uit politiek-religieuze overtuiging handelt, maar om andere redenen. Uit zucht naar avontuur omdat ze in de stad niets om handen hebben en de strijd in het maquis lokt. Uit wraakzucht omdat een dierbaar familielid door de strijdkrachten werd gedood. Of gewoon omdat banditisme zo aantrekkelijk is.

De profijtelijke afpersingen onder het mom van belasting, waarmee de moslim-strijdgroepen zich in leven houden, hebben tot gevolg dat zij soms ook met elkaar in conflict komen, als de één in het financiële water van de ander vist. Ze gaan elkaar ook te lijf, als de ene groep bij een overval verwanten van de andere groep heeft vermoord.

Al die bloedbaden, die voor de doorsnee-burger volstrekt onbegrijpelijk zijn omdat de oorzaken per dorp, volkswijk en regio verschillen, leiden tot steeds ernstiger vormen van barbarij. Er wordt steeds vaker gemarteld - niet om informatie over de vijand los te krijgen, maar omdat het zo leuk is. De laatste tijd kalken de Strijders Gods met het bloed van hun slachtoffers op de muren van de door hen overvallen huizen geen godsdienstige spreuken, maar leuzen als GIA, BLOED, VERNIETIGING.

Ook de Patriotten, de door het leger gewapende dorps-milities, die naar schatting nu zo'n 80.000 man sterk zijn, kunnen er wat van. Zij hebben hun eigen appels te schillen met de terroristen, die zich vergrijpen aan hun familie, eigendom en eer. Dus martelen en moorden ook zij erop los.

Hun gelederen werden dit jaar versterkt met de door het leger opgerichte en betaalde Legitieme Verdedigingsgroepen. Daarin worden vooral 'bekeerde' terroristen opgenomen, die werden vrijgelaten met de opdracht hun vroegere kameraden af te maken. Zij gaan nóg harder te keer dan de gewone Patriotten - waarna Gods Strijders op hun beurt nóg meer wraak nemen op de dorpelingen.

In de niets en niemand ontziende oorlog draagt trouwens ook de overheid haar steentje bij om het aantal slachtoffers op te voeren. Volgens het verslag van de Internationale Federatie voor de Rechten van de Mens hebben de strijdkrachten in alle regio's geheime detentiecentra, waarvan de autoriteiten het bestaan in alle toonaarden ontkennen. Alleen al in Algiers zouden er 15 zijn. Daar worden gevangenen, na aanhouding door veiligheidsagenten in burger, die zich soms als moslim-strijders voordoen, zonder proces voor een onbepaalde periode vastgehouden en aan de gruwelijkste martelingen blootgesteld. Bij 'de Algerijnse methode' worden ze gedwongen smerig water, gemengd met afwasmidddel, te drinken totdat ze overgeven. Daarna moeten ze net zo lang hun kots en nieuw smerig water opdrinken tot ze bloed opgeven.

Naar diezelfde detentiecentra worden behalve echtgenotes, moeders en zusters ook minderjarige kinderen van gevangenen gebracht. Zij worden met martelingen bedreigd, of inderdaad gemarteld - todat hun familieleden de geëiste bekentenissen afleggen. Als de familie dat lot bespaard blijft, krijgt zij vrijwel nooit te horen dat hun naasten gearresteerd zijn. Het officiële antwoord van de autoriteiten luidt dan “Onbekend”.

Uiteraard berichten de Algerijnse media met geen woord over de moorden en martelingen door de regeringstroepen en de met hen verbonden milities. Voor de journalisten, die zélf door alle partijen bedreigd worden en zich in hun redactielokalen barricaderen, is het meestal te gevaarlijk om ter plaatse de gebeurtenissen op te sporen. Bijna al hun berichten zijn gebaseerd op telefonische meldingen uit het getroffen gebied of op hetgeen hoge legerofficieren, die het totaal oneens zijn met de politiek van president Zéroual, hun vertellen.

Die officieren, behorend tot de éradicateurs (zij die de radicaal-politieke islam met wortel en tak willen uitroeien), kunnen nu iets tevredener zijn. Hoe moorddadiger de acties van de islamitische strijdgroepen, des te groter hun gelijk. President Zéroual mag dan betogen dat “de misdaden van de terroristen alleen verklaard kunnen worden door de suïcidaire en uitzinnige wanhoop van de daders ten overstaan van een Algerije dat voortschrijdt op de weg naar vooruitgang en en pluralistische democratie”. Maar dat zijn holle woorden, zolang de oorlog doorgaat. En wat de overheid ook moge beweren over democratie en vooruitgang, waarvan het gros van de burgers niets merkt, een eind aan het steeds barbaarser geweld is niet in zicht.