Indiaas succesverhaal is verre van compleet

In zijn bijdrage van 28 juli betoogt Gerald Segal van het Londense International Institute for Strategic Studies dat er in Oost-Azië sprake is van een door economisch succes gevoede zelfgenoegzaamheid, die niet past bij de actuele economische ontwikkelingen. Het hoeft geen betoog dat het de Aziatische tijgereconomieën na jarenlange successen momenteel wat minder voor de wind gaat. De noodzakelijke stap van Thailand naar het IMF is wat dat betreft veelzeggend.

Segal stelt de economische moeilijkheden van de Aziatische tijgers echter veel groter voor dan ze zijn. Zelfs al zouden de Oost-Aziaten zich dringend moeten beraden op ingrijpende stappen, dan is zijn oproep aan hen om zich te “spiegelen aan het Indiase succesverhaal” buiten elke proportie. Na een jarenlang 'hindoegroeipercentage' (rond de 4 procent), en een crisis begin jaren negentig, is de huidige 'turbogroei' van 7 procent in dat land natuurlijk opmerkelijk. De economie zit inderdaad in de lift. Ook doet India het uitgerekend goed in sommige moderne sectoren zoals de software-industrie, waar het land kan profiteren van het grote aanbod van jonge, zeer goed opgeleide, goedkope en - in deze sector uitermate belangrijk - engelstalige werknemers. Dat belooft veel voor de toekomst waarin kennisintensieve diensten, informatietechnologie en internationalisering steeds belangrijker worden en de wereldmarkt constante en snelle vernieuwing eist.

Maar het Indiase succesverhaal is verre van compleet. De Indiase economie heeft een 'waterhoofd'. De andere kant van het Indiase verhaal nodigt vooralsnog niet uit tot navolging. Een blik in enkele van de vele krottenwijken of de ruim 600.000 dorpen die India telt, werkt zeer verhelderend. Hier verschilt het hemelsbreed van het centrum van Mumbai (Bombay) met de hoogste onroerendgoedprijzen van de wereld of de luxueuze airconditioned kantorenparken in steden als Bangalore.

India is nog altijd een land waar bijna de helft van de bevolking kan lezen noch schrijven en waar volgens Unicef de helft van de kinderen onder vijf jaar ondervoed is. Het (voor koopkracht gecorrigeerde) inkomen per hoofd van de bevolking ligt in India bijna 3 keer zo laag als in Indonesië, ruim 5 keer lager dan in Thailand en 8 keer lager dan in Zuid-Korea. Volgens de Indiase regering zelf leeft ruim eenderde van de bevolking onder de armoedegrens.

Ondanks de economische liberalisering kent India bovendien in vergelijking met de Aziatische tijgers nog altijd relatief veel economische regelgeving en bureaucratie en veel infrastructurele obstakels. De buitenlandse investeringen mogen dan op gang komen, enige nuancering is ook hier op zijn plaats. In 1995 haalde China in totaal 38 miljard dollar binnen aan directe buitenlandse investeringen, India maar 2 miljard. Ook al blijken de buitenlandse investeringen in China vooralsnog relatief weinig rendement op te leveren, de omvang ervan geeft wel het massale internationale vertrouwen weer dat er in de Chinese economie bestaat.

Dat vertrouwen in de Indiase economie groeit snel, maar het zal nog vele jaren duren voordat de buitenlandse investeringen er het huidige Chinese niveau bereiken. Veel Indiase economen, maar ook politici, spiegelen zich juist aan de door veel bredere lagen van de bevolkingen gedragen succesverhalen van de Aziatische tijgers en de 'echte turbogroeicijfers' van zo'n 10 procent die daar tot voor kort gehaald werden. Die zouden, mits onafgebroken volgehouden, India in vijfentwintig jaar in staat stellen de ergste armoede uit te bannen.