'Ik zal me verdedigen!'

'Wapens op school' - de conclusie van een onderzoek onder middelbare scholieren in Rotterdam, waarover deze krant berichtte - roept dierbare herinneringen in me op.

Ik groeide een halve eeuw geleden op in een dorp aan zee. Daar begon het gebruik van wapens al op de Openbare Lagere School. Ik herinner me dat Klaas de Boorder een mes trok toen onze meester hem in de hoek zette. Een veldslag dreigde korte tijd later. Geheel onverwacht. Meester Braekensiek was een kwetsbare, kale man. Hij hanteerde niet de tucht die we gewend waren van juffrouw Lovink die zonder blikken of blozen een lineaal op je vingers kapotsloeg. Hij was van elders naar dit dorp gekomen. Hij was van de Blauwe Knoop en propageerde Esperanto als wereldtaal.

Ik viel door de mand tijdens een les waarin werd gevraagd woorden te bedenken die verschillende betekenissen konden hebben. Ik sloeg mijn armen over elkaar, zette mijn borst op en siste: 'Meester! meester! meester!' De meester richtte zijn aanwijsstok op mij.

“Advocaat”, stotterde ik.

“En?” vroeg meester met een ongeduldig rukje aan de stok.

“Je kunt het ook drinken”, antwoordde ik glunderend.

Niemand begreep waar het om ging. Meester wel.

“Hoe weet je dat?”

“Omdat ik dat 's zondags krijg.”

Het gezicht van de meester betrok. Er viel een stilte. Buiten galoppeerde een merrie met haar veulen door de wei.

“Je blijft straks na”, klonk het onheilspellend.

“Ik krijg 's zaterdags twee borrels”, grapte Arie Hoogvorst die doorhad wat er aan de hand was. “Laatst had ik de fles te pakken...” Verder kwam hij niet. Meester trok hem aan zijn oorlelletje uit de bank. Arie stond met gebogen hoofd in het gangpad. Een druppeltje bloed trok traag een spoor over zijn wang. Iedereen keek er stil naar. Meester had het oor losgelaten en leek een moment niet te weten wat te doen. De jongen die de blikken van zijn klasgenoten gewaar werd, tastte langs zijn gezicht en keek naar het bloed op zijn vingers. Hij was de eerste die een besluit nam. Hij verliet het klaslokaal en sloeg de deur achter zich dicht. We zagen hem een ogenblik later - kop en schouders boven het muurtje dat de speelplaats van de tuin voor de school scheidde - naar de poort lopen, de weg op, naar huis.

De les ging door. De lege bank van Arie was een veeg teken. Van de kerktoren dreven drie slagen over het weiland. We hadden nog een uur te gaan. De laatste les was zingen. Het schoolplein lag er verlaten bij. Boven de duinen stond een bleke oktoberzon. We waren net aan 'De uil zat in de olmen' begonnen, in het Esperanto: 'la strigo en la ulmoj ... cucol ... cucol ... cucol ..!'

Door de poort die Arie achter zich had gelaten, zagen we zijn vader, de fietsenmaker, de speelplaats oprijden. Hij stapte niet af zoals iedereen geboden was maar verdween op zijn fiets om de hoek achter de school, waar de ingang was. Er heerste plotseling een opgetogen stemming. Een zacht geroezemoes vulde de lokalen. Meester Braekensiek was vanaf het moment dat de fietsenmaker in beeld kwam, sprakeloos voor de klas blijven staan. Al het bloed was uit zijn toch al bleke gezicht weggetrokken. Wij waren toeschouwers. We wachtten af. Meester aarzelde of hij zich als bewoner van een beschaafde wereld zou gedragen of zich aan de wetten van de jungle diende over te geven. Hij leek voor het laatste te kiezen. Hij pakte een kastieknuppel - die altijd onder het bord stond om ons bij mooi weer met buitenspelen te verrassen - en stamelde zonder overtuiging: “Ik zal me verdedigen!” Het wapen leek grotesk in zijn handen. Toen we de achterdeur van de school hoorden slaan, opende meester het raam. Koele lucht stroomde naar binnen.

“Ik zal me verdedigen!” zei hij opnieuw, als om zichzelf moed in te spreken. De fietsenmaker stond kennelijk nog aarzelend op de gang, niet wetend welk klaslokaal te kiezen. Toen hoorden we een doffe slag alsof iemand hardhandig tegen de muur werd gegooid. Het was ongetwijfeld de hoofdonderwijzer die de zaak trachtte te sussen. Op dat moment zagen we meester Braekensiek over de vensterbank stappen. Hij zakte met zijn voeten in de weke aarde van het bloemperk onder het raam, stapte over het lage muurtje dat de border van het gazon rond de vlaggemast scheidde, nam een aanloopje en sprong over de beek, waarbij hij met één schoen diep in de modder aan de overkant wegzakte. Hij stak de weg over, kroop onder het prikkeldraad door en verwijderde zich - aangespoord door angst maar geremd door fatsoen - op een drafje over het weiland. Onderwijl was de dreun op de gang - waarschijnlijk hield de fietsenmaker het schoolhoofd in een wurggreep - door een onderdrukt gepraat gevolgd, alsof de worsteling of scheldpartij er rekening mee hield dat in de lokalen de les nog aan de gang was. Daarna werd het stil. De deur van ons klaslokaal werd opengegooid. De fietsenmaker verscheen in de deuropening. Hij kwam zo uit de werkplaats. Hij had donkere olievlekken op zijn overall. Hij deed een stap naar binnen, in het afwachtende zwijgen van ons, kinderen. We waren alleen met hem. Het hoofd was waarschijnlijk naar de telefoon gesneld. Het raam stond open. In het weiland draafde meester Braekensiek. Naarmate hij zich van ons verwijderde, verminderde zijn haast. Ten slotte liep hij gewoon. Ontspannen leek het. Misschien floot hij een liedje. Zijn gestalte werd steeds kleiner in de ruimte van de wei die ons van het dorp scheidde. In zijn rechterhand zwaaide nog steeds de kastieknuppel, nonchalant. Hij was op weg naar het politiebureau. Hij zou zijn beklag doen. Wij keken hem na tot hij achter de eerste huizen verdween.