Gerard Reve en het aanhalingsteken

Vooys. Tijdschrift voor letteren. Jaargang 15, nummer 3. Juli 1997. Verschijnt vier maal per jaar. Abonnement ƒ 30,-.

Terwijl op de televisie in VPRO's Zomergasten P.C. Hooftprijs-winnaar K. Schippers aan de hand van fascinerende fragmenten zijn poëtica uiteenzet, neem ik Vooys, tijdschrift voor letteren ter hand. Het redactioneel opent - wat toevallig - met een citaat van Schippers uit zijn debuutroman Bewijsmateriaal (1979): 'Al is je stof nog zo ingewikkeld, houd het raadselachtig en eenvoudig tegelijk, (-) Zo doen alle grootmeesters het. Neem één thema: achterdocht of nieuwsgierigheid (-) en diep dat uit. Maar meng het altijd met amusement. Wees niet zo arrogant te denken dat je een moeilijke gedachtengang ook in een ingewikkeld nummer moet weergeven, louter en alleen omdat jij het hebt bedacht.'

De schrijver van het redactioneel gebruikt dit citaat duidelijk niet om het thema van deze aflevering neer te zetten, want een thema is er niet. Het tijdschrift geeft bovendien moeilijke gedachtengangen weer in een uiterst ingewikkeld nummer, waarin ieder spoortje amusement ontbreekt. Vooys is dan ook een blad dat wordt volgeschreven door aan de universiteit van Utrecht verbonden neerlandici. Die maken zich druk om zaken als 'het gebruik van het aanhalingsteken bij Gerard Reve'. Ik heb de indruk dat een tijdschrift als Vooys, hoe mooi verzorgd uitgegeven ook, voornamelijk bedoeld is om plaatsruimte te bieden aan wetenschappers die gebukt gaan onder publicatiedwang. Veel plezier spat er niet van de bladzijden, samenhang tussen de diverse artikelen is ver te zoeken (de een komt met de samenvatting van een lezing over Kafka, de volgende met de conclusies van zijn doctoraalscriptie) en iedere actualiteitswaarde ontbreekt.

Des te verrassender dus dat Vooys deze keer zo opvallend aandacht besteedt aan K. Schippers, die zich dankzij de P.C. Hooftprijs van vorig jaar en zijn recente roman Poeder en wind in een brede belangstelling mag verheugen. Sander van der Meijs, afgestudeerd op een scriptie over Schippers, windt zich in een artikel over 'Bewijsmateriaal als poëticale roman' niet alleen op over de negatieve wijze waarop critici het boek indertijd hebben ontvangen, maar ook over het feit dat de roman nooit is herdrukt. Volgens hem is Bewijsmateriaal een sleutelwerk in het oeuvre van Schippers. Met behulp van de taaltheorieën van Bertrand Russell en Jean-Francois Lyotard interpreteert hij de verschillende visies op taal die in de roman naar voren komen. Een boeiend essay, zij het dat het wat ingewikkeld geschreven is. Termen als 'representatiecrisis' zoals Van der Meijs hanteert, hoor je Schippers zelf gelukkig niet gebruiken.

Het analytische instrumentarium waarmee Van der Meys Schippers fileert en de manier waarop J.L. Dijkhuis zich op Reve's aanhalingstekens stort, worden in hetzelfde nummer van Vooys indirect belachelijk gemaakt door Tommy Wieringa. Deze schrijver van de romans Dormantique's Manco (1995) en Amok (1997) veegt de vloer aan met vakneerlandici. 'Ooit heb ik een paar colleges Nederlands gevolgd en daar werden een paar boeken die mijn sympathie hadden volstrekt verneukt (-). Het is een standaardkritiek van schrijvers op neerlandici, maar het was echt zo. Ik vind het eigenaardig dat je kunt studeren in de literatuurwetenschap en dat literatuur geanalyseerd kan worden. (-) Als je gaat beredeneren waarom je iets mooi vindt of iets je aangrijpt dan raakt het aanvankelijke plezier er toch af?'

Wieringa komt in Vooys aan het woord in de serie 'Interviews met jonge schrijvers', waarin, voor hem, Russel Artus en Serge van Duijnhoven aan bod kwamen. Het is de meest leesbare en de minst aan vak-jargon lijdende bijdrage in Vooys.

Erg diepgravend is het allemaal niet. Wieringa's poëtica komt hierop neer: 'Ik geef niets om diepe gedachten, alleen om mooie zinnen.' Logisch dat hij niet begrijpt waarom anderen er plezier in hebben (sommige) romans na lezing aan een nader onderzoek te onderwerpen.