De centrale stad

HET WAS TIEN tot twintig jaar geleden een leerstuk, een nierproeverij waarbij 'goed' en 'fout' konden worden onderscheiden. Voor of tegen de 'binnengemeentelijke decentralisatie', dat was de vraag die bepalend was voor de democratische gezindheid van de betrokkenen.

Er waren, grofweg, twee scholen. De ene was van mening dat de gemeentelijke overheid niet moest ingrijpen in de bestaande 'buurtdemocratie'. Als de stad en vooral haar ambtenaren goed naar de wijken zouden luisteren, kwam alles goed. De andere zag daarin een sanctionering van een informele 'grotebekkendemocratie' en vond dat een ambtenaar - of die nu werkte bij het onderwijs, de plantsoenendienst of bij de burgerlijke stand - altijd en overal een politiek verantwoordelijke bestuurder boven zich diende te hebben.

De laatste groep won de discussie. Amsterdam en Rotterdam werden opgesplitst in tientallen deelraden met meer of minder bevoegdheden. Het idee er achter was dat beide steden binnenkort tot stadsprovincie zouden worden gepromoveerd. De deelraden zouden dan niet de laagste en vierde bestuurslaag worden maar klassieke gemeenteraden, zij het dat de nieuwe stadsprovincies veel meer macht naar zich zouden toetrekken dan de klassieke provinciale overheden hadden gehad.

Dit idee spoorde met twee jonge tradities van het Nederland van na de jaren zestig. Ten eerste met de revitalisering van de grote stad, die sinds de Tweede Wereldoorlog decennialang was verwaarloosd, maar ruim een kwart eeuw geleden als cultureel-economische motor werd gerehabiliteerd. Ten tweede met het adagium van de jaren zeventig dat de burgers hun wensen vooral via politieke kanalen moesten kunnen uiten.

MAAR IN DE JAREN negentig kwam er een kink in de kabel. De klassieke politiek verloor terrein, samen met de even klassieke staat. Terwijl de rijksoverheid bevoegdheden moest afstaan aan Brussel begon zich op plaatselijk niveau een vorm van lokaal-patriottisme te ontwikkelen. In de twee steden met deelraden uitte deze tendens zich via referenda, waarin de kiezers uit angst voor de naburige dorpelingen het idee van een stadsprovincie om zeep hielpen.

Met het sneven van de stadsprovincie hebben ook de deelraden hun positie zien afkalven. Ze blijken toch de vierde bestuurslaag te zijn geworden, die niemand had gewenst. Dat is een probleem, omdat de kwaliteit van de deelraadspolitici de toets der kritiek niet altijd kan doorstaan. Het uitgeven van paspoorten of het schoonhouden van de straat is nog tot daar aan toe. Over deze vorm van gedecentraliseerde dienstverlening is nagenoeg iedereen tevreden. Maar als het gaat om cruciale maatschappelijke vraagstukken die enige centrale regie behoeven - zoals onderwijs, stadsontwikkeling en openbare orde - is een steviger bestuurlijke hand geboden. Want gedecentraliseerd bestuur lijkt dan wel dichter bij de burgers te staan, het kan nolens volens ook gettovorming bevorderen als de ene wijk graag welgesteld wil blijven en de andere buurt zo ongewild armlastig houdt.

Het centrale stadsbestuur pleegt daarom achter de schermen veel minder ingetogen te interveniëren dan de decentrale verordeningen formeel beoogden. Is er een conflict in de Bijlmer tussen de 'witte deelraad' en het 'zwart beraad', dan gaat het college van B en W stilletjes maar niet minder dwingend tegen het wijkbestuur 'aanleunen', zoals een hoofdstedelijke wethouder eens toegaf. Bij de Kop van Zuid in Rotterdam, dat gigantische project dat tot doel heeft het centrum van de stad over de Nieuwe Maas heen te tillen maar aan een bestuurlijke tweedeling met uiteenlopende belangen is onderworpen, gebeurt hetzelfde.

DE OVERWINNING van de praktijk op de theorie noopt tot aanpassingen. Dit voorjaar heeft een 'commissie van deskundigen' onder leiding van professor Tops gerapporteerd aan Amsterdam over de toekomst van de deelraden. De commissie-Tops heeft een vijftal aanbevelingen gedaan die het idee in stand moeten houden maar de 'centrale stad' tegelijkertijd meer armslag geven. De suggesties variëren van het opstellen van gemeenschappelijke programma's, het instellen van speciale multiculturele adviesgroepen tot minder bestuurders op deelraadsniveau en de opheffing van de kleinste deelraden omdat die in kwantitatieve zin over te weinig achterban beschikken. De gemeenteraad in Amsterdam heeft deze aanbevelingen voor de zomer overgenomen en aangescherpt. Zo zullen de deelraden met minder dan 30.000 burgers fuseren met de grotere en moeten de deelraden tot 40.000 inwoners op eigen wijze de hand aan zichzelf slaan. Volgens Amsterdam hebben maar vier deelraden (Zuidoost, Noord, Slotervaart en Zuid) zelfstandig reden van bestaan.

OP DE KEPER beschouwd heeft de gemeenteraad van Amsterdam hiermee een einde gemaakt aan het hyperpolitieke ideaal van de 'binnengemeentelijke decentralisatie' en gekozen voor de wat bestuurlijkere opzet van ambtelijke 'deconcentratie'. Dat is, nu de stadsprovincie uit het zicht is geraakt, ook onvermijdelijk. Amsterdam heeft eindelijk eieren voor zijn geld gekozen.

Maar niet te vroeg gejuicht. Want op bovenregionaal niveau dreigt een vergelijkbaar probleem. De Randstad is bestuurlijk nog altijd een lappendeken à la Los Angeles. Niemand is daar aanspreekbaar op de grote processen. Beslissingen over Maasvlakte, Schiphol, spoorlijnen en wat dies meer zij kunnen alleen worden genomen als de rijksoverheid stelling neemt. Nu de binnengemeentelijke decentralisatie op haar retour is, zou de vrijgekomen tijd en energie moeten worden besteed aan een randstedelijk bestuur dat zich wel kan meten met de voortrazende infrastructurele bulldozers. Voor Schiphol bijvoorbeeld is een krachtig bestuur, waarmee serieus te onderhandelen is, uiteindelijk zinvoller dan een zwakke gemeente die links en rechts wordt gepasseerd. Lokaal-patriottisme houdt in de voortvarendheid, die het 'poldermodel' thans eigen is, hoe dan ook geen stand.