Bemiddelaar Ross wacht zware opgave

De Amerikaanse bemiddelaar Dennis Ross is aan een nieuwe missie in het Midden-Oosten begonnen. Naast het vresproces van Oslo moet hij ook de Palestijnse president Arafat redden, wiens positie door de regering-Netanyahu steeds meer wordt ondermijnd.

TEL AVIV, 11 AUG. Dennis Ross, de Amerikaanse bemiddelaar voor het Midden-Oosten, staat de komende dagen in Jeruzalem en Gaza voor de zware opgave het Israelisch-Palestijns vredesproces uit het slop te halen. De nadruk van zijn missie ligt op het hernieuwen van de veiligheidssamenwerking tussen Israel en de Palestijnse bestuursautoriteit.

Als Ross Washington kan melden dat Israelische en Palestijnse veiligheidsdiensten weer serieus samenwerken tegen de terreur zal de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Madeleine Albright, zelf naar het Midden-Oosten vliegen om het in Oslo begonnen vredesproces een nieuwe impuls te geven.

Een Israelisch-Palestijnse-Amerikaanse top, waar spijkers met koppen geslagen zouden moeten worden, zal volgens het blad Haarets het hoogtepunt worden van het eerste bezoek dat Albright aan het Midden-Oosten zal brengen. Deze top tussen premier Benjamin Netanyahu en de Palestijnse leider Yasser Arafat zou eind augustus of begin september moeten plaatshebben.

Dennis Ross zal heel wat moeilijkheden moeten overwinnen alvorens hij minister Albright zo'n Israelisch-Palestijnse top kan aanbieden. Van achterdochtige vredespartners lijken Netanyahu en Arafat weer geheel tot elkaars vijanden geworden te zijn. Netanyahu heeft geen greintje vertrouwen in de bereidheid van Arafat de terreur te bestrijden. Op zijn beurt verdenkt Arafat zijn Israelische tegenspeler er van uit te zijn op een begrafenis van het bijna vier jaar oude akkoord van Oslo. Van de sfeer van verzoening zoals die bestond tussen de vermoorde premier Rabin en Arafat is sedert Netanyahu vorig jaar aan de macht kwam, vrijwel niets meer over. De vredesdialoog is een dialoog der doven geworden, zo nu en dan opgeschrikt door de knallen van verschrikkelijke terreuraanslagen en harde Israelische tegenmaatregelen die het karakter hebben van een collectieve straf van het Palestijnse volk.

Als Arafat niet te vergelijken is met de Libische leider Gadaffi dan is hij dat toch zeker wel met de Iraakse dictator Saddam Hussein. Die uitspraak - uit de mond van Netanyahu - staat met de vetst mogelijke letters in de Israelische kranten. Met de beelden van de dubbele zelfmoordaanslag op de markt in Jeruzalem nog regelmatig op het televisiescherm zetten dergelijke vergelijkingen de toch al zwaar gefrustreerde Israelische bevolking aan tot haat. De indruk onstaat dat Netanyahu de Palestijnse leider Arafat tot zondebok van deze aanslag maakt om het falen van zijn eigen politiek - het brengen van veiligheid en vrede - in demagogische taal te verhullen.

Minister Ariel Sharon maakte eind vorige week van Arafat weer een oorlogsmidadiger “die op de beklaagdenbank zou moeten zitten” in plaats van legitieme onderhandelingspartner te zijn. Oud-premier Shamir kwam er ronduit voor uit dat Israel zich had moeten ontdoen van de akkoorden van Oslo. Zover wilde een naaste adviseur van Netanyahu niet gaan. Maar wel bepleitte deze uit naam van de premier aanpassingen van 'Oslo' aan Israels veiligheidseisen.

De rol van Arafat in de veiligheidsconceptie van de regering-Netanyahu wordt steeds kleiner evenals de bereidheid van Netanyahu nog meer bezet gebied aan de Westelijke Jordaanoever aan de Palestijnen over te dragen. Voorwendsel of politiek, de geloofwaardigheid van Arafat in Jeruzalem is tot ver onder het nulpunt gedaald. Wat hij zegt wordt niet geloofd. Het afgelopen weekeinde zei Arafat tijdens een zeer uitvoerig vraaggesprek van Israelische officieren te hebben vernomen dat de twee zelfmoordenaars in Jeruzalem uit het buitenland waren gekomen. Dat werd in Jeruzalem snel ontkend. Arafat had weer eens uit zijn duim gezogen.

De Palestijnse leider is zo gefrusteerd dat hij zich tijdens het vraaggesprek de vraag stelde of hij gek is. Hij heeft beslist het idee gekregen dat er zo over hem in de hoogste regionen in Jeruzalem wordt gedacht. Volgens Arafat is niet hij maar Netanyahu de onervaren leider die niet begrijpt dat de collectieve bestraffing van drie miljoen Palestijnen door Israel na de aanslag in Jeruzalem juist koren op de molen is van de Palestijnse moslim-extremistische oppositie tegen hem en de Palestijnse bestuursautoriteit. Dergelijke escalerende verbale schermutselingen, tegen de achtergrond van haat, verdiepen de vertrouwenscrisis tussen Israeliërs en Palestijnen.

Dennis Ross zal alle zeilen moeten bijzetten om binnen enkele weken minister Albright in Jeruzalem en Gaza in veilig water te loodsen. Indien er geen diplomatiek succes te halen valt komt ze niet. Dat beseft Netanyahu en weet Arafat. Beiden kennen ook het alternatief voor het falen van Ross en Albright. Arafat is daar banger voor dan de Israelische leider omdat ondanks zijn internationale prestige de zwakste van de twee is. Ami Ayalon, het hoofd van de Shin-Bet, de binnenlandse veiligheidsdienst, stelde onlangs de vraag of Israel een sterke of zwakke Arafat wil. Misschien wil Netanyahu wel gewoon van hem af. Shamir, die voor Rabin premier was, wil dat in ieder geval wel. Hoe lang kan Israel het Palestijnse volk nog vernederen zonder dat de geloofwaardigheid van Arafat volledig verdwijnt? Deze vraag speelt ook op de achtergrond van de missie van Dennis Ross. Oslo en Arafat moeten worden gered is het Amerikaanse devies. Zal Netanyahu luisteren, begrijpen en handelen? Wanhopige Israelische politicis in het vredeskamp twijfelen daaraan.