Van Gogh koos de lelijkste boeren

Tentoonstelling: Vincent van Gogh, tekeningen Nuenen 1883-1885. Van Gogh Museum, Amsterdam. Dag. 10-17 uur. T/m 12/10. Publicatie: Sjraar van Heugten: Vincent van Gogh Tekeningen deel II, Uitg. V+K Publishing, 288 pag. Prijs ƒ 85,00.

Grotesker koppen dan die van Nuenense boeren heeft Vincent van Gogh niet getekend. Van deze studies worden in de tentoonstelling in het Van Gogh Museum een paar fraaie voorbeelden getoond. Een tijdgenoot van Van Gogh merkte over zulke tekeningen op dat 'de kafferachtige wipneuzen, uitstekende jukbeenderen en grote oren sterk benadrukt' waren. En een ander zei erover dat Van Gogh bij voorkeur 'de lelijkste exemplaren tot model' koos.

Het harde en armoedige leven van de boeren en handwerkslui op het Brabantse platteland trok Van Gogh sterk aan. Juist de uitgesproken gelaatstrekken van vermoeide en vroeg-oude boeren en boerinnen weerspiegelden volgens hem de oprechte verbondenheid met de natuur die het ruwe en ongecultiveerde landleven zou kenmerken. Van dit boerenleven, volgens hem 'vele opzigten zooveel beter dan de beschaafde wereld', wilde Van Gogh tijdens zijn verblijf in Nuenen (1883-1885) de schilder zijn.

Achter de tekeningen die in deze periode tot stand kwamen, schuilt dan ook het verhaal van het leven in de Brabantse plattelandsgemeenschap. De thema's die Van Gogh koos, weerspiegelen de werkzaamheden van de bevolking en de opeenvolging van de seizoenen. In de wintermaanden, als het werk op het land stillag, maakte Van Gogh zijn studies naar het poserende model in zijn atelier. Uit dat jaargetijde dateren ook de tekeningen en aquarellen van wevers en garenspoelers, die hun werk immers binnenshuis doen. In het oogstseizoen werd er volop op het land gewerkt en was het moeilijk modellen te vinden. Maar de activiteiten in de buitenlucht boden weer wel de mogelijkheid werkende boeren te tekenen. En daar ging het Van Gogh uiteindelijk om: in de traditie van de door hem bewonderde School van Barbizon en met Millet als grote voorbeeld, zag hij als zijn bijdrage aan de moderne kunst vooral de weergave van 'het boerenfiguur in zijn actie'.

De expositie toont in twee etappes alle 138 tekeningen uit de collectie van het Van Gogh Museum uit deze Nuenense periode: tot en met 18 augustus is nog de eerste helft te zien, die daarna volledig wordt ingewisseld voor een tweede reeks. De expositie en de bijbehorende catalogus maken deel uit van een omvangrijk project waarin al het werk van Van Gogh in bezit van het museum wordt beschreven. Vorig jaar is de vroegste periode aan bod geweest, in de komende jaren volgen nog delen over Van Goghs activiteiten in Antwerpen en Parijs, en over zijn periode in Arles, Saint-Rémy en Auvers-sur-Oise. Over zijn schilderijen in de verzameling van het Van Gogh Museum is een aparte bestandscatalogus in voorbereiding.

Uit het nu geëxposeerde werk blijkt dat Van Gogh, in de twee jaar die hij in Nuenen verbleef, belangrijke stappen voorwaarts deed in zijn nog maar kort daarvoor aangevangen kunstenaarsloopbaan. De soms onbeholpen zoekende manier die zijn tekeningen tot dan toe hadden gekenmerkt, maakt geleidelijk aan plaats voor een zekerder hand en een persoonlijke stijl. En Van Gogh zelf was niet ontevreden over het resultaat. Uit de correspondentie met zijn broer Theo blijkt dat hij voor het eerst commerciële mogelijkheden zag voor zijn werk. Ook de bladen zelf duiden daarop: in Brabant maakte Van Gogh een aantal ambitieuze, uitgewerkte tekeningen, die hij voorzag van zijn signatuur en van titels - soms, met het oog op de buitenlandse markt, in het Frans. Vaak zijn het landschappen, uitgevoerd in potlood en pen, en gekenmerkt door een ingetogen, melancholieke stemming.

Maar het meest fascinerend zijn de studies voor figuurstukken, waarin Van Goghs ontwikkeling en zijn verbeten, soms moeizame pogingen om techniek, anatomie, perspectief en compositie onder de knie te krijgen, prachtig is te volgen. Het zijn oefeningen voor een groot figuurstuk dat hij te zijner tijd hoopte te schilderen. Systematisch zocht Van Gogh zich in studies van hoofden, handen en hele figuren, de vaardigheiden eigen te maken die daarvoor vereist waren. Het resultaat was het schilderij van de Aardappeleters, dat in april 1885 tot stand kwam. Het was de eerste en ook de laatste grote geschilderde compositie die Van Gogh als schilder van het Brabantse boerenleven heeft gemaakt.

Zijn carrière nam daarna een andere wending. Ondanks, of misschien wel dank zij zijn studie in Nuenen, was Van Gogh zich bewust van zijn beperkingen. Vooral wat de anatomie van de figuren betreft bleef het vaak tobben. Dat was een reden voor zijn besluit in november 1885 naar Antwerpen af te reizen om daar aan de academie tekenlessen te nemen. Het was de eerste stap op de weg die hem naar Parijs en Zuid-Frankrijk zou leiden - steeds verder weg van zijn Nuenense boertjes.