SIEPELS EN PATATTEN

Onder de titel 'Siepels en patatten' verscheen een interview met de directeur van het P.J. Meertens-Instituut (Wetenschap & Onderwijs, 19 juli) J. van Marle.

Hij vertelde over het onderzoek van hem en zijn vrouw naar het 'Nederlands' dat in de VS nog gesproken wordt door nakomelingen van immigranten uit Nederland. Een van zijn motieven om dit Nederlands op de band vast te leggen is dat het over tien, vijftien jaar verdwenen zal zijn. Van Marle vermeldt niet dat hetzelfde Instituut 31 jaar geleden een gelijksoortig onderzoek gedaan heeft. In 1966 hebben drs. H. Heikens en ik drie maanden gewerkt in de staten Michigan, Wisconsin, lowa en Massachusetts. We hebben toen Nederlands en dialecten van 285 informanten, ongeveer 75 uur spreken, op de geluidsband vastgelegd. De meeste zegslieden waren van de eerste of tweede, een enkele van de vierde generatie. Jonge mensen, meestal van de derde generatie, konden vaak het Nederlands of dialect van hun familie nog wel verstaan, maar ternauwernood spreken. Ook wij veronderstelden toen dat het Nederlands met deze derde generatie verloren zou gaan. Dit valt dus mee. De komst van nieuwe immigranten uit Nederland, het contact met familie in Nederland en de activiteit onder degenen die nog Nederlands spreken hebben klaarblijkelijk de belangstelling voor het Nederlands voldoende gestimuleerd (Dialectsprekers zullen er niet meer zijn, de aanwezigheid van Friessprekers lijkt niet onwaarschijnlijk). De beide onderzoeken, dat van 1966 en dat van Van Marle en Smits, verschillen in doelstelling en waarschijnlijk in methode.

Wij hoopten stadia van de dialecten te kunnen betrappen ouder dan in Nederland mogelijk was vanuit de veronderstelling dat het isolement in den vreemde het behoud van oudere dialectvormen bevorderd zou hebben. De informatie over resten van Nederlands, die we van te voren inwonnen, was misleidend. Er zou vrijwel geen Nederlands meer gesproken worden in de gebieden die op grond van de oudere literatuur het meest voor onderzoek in aanmerking kwamen. Tijdens ons onderzoek vonden we spoedig de verklaring voor dit misverstand: Nederlanders die deze gebieden bezochten, hebben Engels gesproken en kregen in die taal antwoord. Dat was immers de dagelijke omgangstaal geworden, waarin de immigranten en hun nakomelingen communiceerden op het werk, in winkels, en in veel gevallen ook met hun kinderen. Dat verschilde per gezin en per persoon, geconditioneerd door de onafhankelijke variabelen. Deze verschillen leerden we pas kennen tijdens het onderzoek; bij de voorafgaande literatuurstudie hadden we daarover wel iets, maar te weinig gevonden. Dit betekende een omschakeling van ons onderzoek, zoals ontworpen op grond van de ervaringen met dialectonderzoek in Nederland, naar de veel ingewikkelder en gevarieerder situatie in de bovengenoemde staten. We gaven de voorkeur aan het verzamelen van zo veel mogelijk taalmateriaal, afhankelijk van zoveel mogelijk variabelen, en overwogen de analyse later uit te voeren.

Het Nederlands zoals we het aantroffen moest, naast de dialecten, in die analyse een grote plaats innemen. Dit Nederlands is ontstaan door onderlinge aanpassing van dialecten aan elkaar en aan de vorm van standaard-Nederlands zoals daar onder de Protestanten gebruikt werd; in de rooms-katholieke gemeenschappen in Wisconsin waren dialecten beter bewaard dan Nederlands. Een diepgaande bestudering van het materiaal was pas mogelijk na het afluisteren en schriftelijk noteren van het taalmateriaal. Bij de voltooiing van dit tijdrovende werk was ik al lang gepensioneerd en Heikens was van betrekking veranderd. Een samenvatting van de oudere literatuur over de geschiedenis van de immigranten en een beschrijving van ons onderzoek heb ik gegeven in 'Ik was te bissie ... Nederlanders en hun taal in de Verenigde Staten' (Deventer 1987). Het doel van het onderzoek van Van Marle en Smits is anders, namelijk bestudering van de wederzijdse invloed van Engels en Nederlands met het oog op verschijnselen van systematische taalverandering. Daarvan heeft Smits in haar dissertatie verslag gedaan, maar daarin wordt geen aandacht besteed aan de sociolinguïstische kant. Dat is jammer, want de belangrijkste functie van taal is: dienen als instrument voor communicatie. Hoe dit tweede onderzoek ingericht is, wat gevraagd wordt, welke voertaal bij de enquête gebruikt is. blijkt onvoldoende uit de dissertatie van Smits en uit dit interview. Het is te hopen dat de vergelijking van beide onderzoeken juist op sociolinguïstisch gebied meer nadruk krijgt.