PvdA moet cultuur prominentere plaats geven

Sociaal-democraten denken op het gebied van kunst en cultuur heel wat gepresteerd te hebben wanneer de instellingen geen verlies lijden. Maar Piet Zelissen en Hans van Dulken vinden dat cultuurpolitiek verder moet reiken dan het rendementsbelang. Zij moet ook maatschappelijke, emanciperende, integrerende en educatieve ambities weerspiegelen.

Over cultuurpolitiek bestaat in Nederland een historisch gegroeide consensus. Met uitzondering van het mediabeleid zijn kunst en cultuur geen onderwerp van politieke twisten. Kunst is een vanzelfsprekend onderdeel van de verzorgingsstaat. Het vierjaarlijkse ritueel rond de cultuurnota leidt alleen tot al dan niet heftige disputen over het bekende procentje meer of minder. En dan nog komen voornamelijk de vertegenwoordigers van instellingen aan het woord. De politiek houdt zich afzijdig.

Ook de PvdA heeft de laatste jaren weinig geluiden laten horen die wijzen op een coherente visie op kunst- en cultuurbeleid. Aan het eind van de jaren tachtig had de partij bewindslieden op Financiën, Onderwijs, Cultuur, Media, Welzijn, en Ruimtelijke Ordening - een unicum in de historie van de PvdA - maar dit leidde niet tot inspirerende ideeën. Het heeft er alle schijn van dat de sociaal-democratie te weinig inziet dat niet al het cultuurpolitieke heil van de markt te verwachten is.

De commercialisering en Vermärktung van de samenleving wordt door de PvdA te veel als onontkoombaar gepresenteerd. De markt is richtinggevend en het openbaar bestuur treedt daarom terug. Het vroegere uitgangspunt dat de overheid zeggenschap over het publieke domein moet houden, wordt als irrelevant terzijde geschoven. We moeten de markt het werk laten doen, dan komt het allemaal in orde.

Cultuurfilosoof André Görz slaat de spijker op de kop met zijn uitspraak dat met het wegvallen van religie en ideologie de mens houvast dreigt te zoeken in harde cijfers. Bij ontstentenis van andere waarden wordt rendement een waarde op zichzelf. Het wachten is op een nieuwe Orwell die een negatieve utopie van de markteconomie schrijft.

Op het gebied van kunst en cultuur denken socialisten al een heleboel gepresteerd te hebben, wanneer de instellingen - ten dele of geheel geprivatiseerd of verzelfstandigd - commercieel en bedrijfsmatig goed functioneren. In de subsidietoewijzing wordt het steeds gebruikelijker om vooral het succesvolle te subsidiëren. Grote publieke belangstelling wordt gelijkgesteld met een groot maatschappelijk draagvlak. Directeuren van culturele instellingen, beleidsmakers en adviseurs denken in toenemende mate in termen die ontleend zijn aan het bedrijfsleven. Het accent ligt op efficiency en rendement.

Een gefundeerde cultuurpolitiek is echter mede het resultaat van een vitaal debat tussen kunstenaars, wetenschappers en politici. In de jaren zestig waren er in Europa sociaal-democratische politici die niet alleen bereid waren om naar kunstenaars te luisteren, maar die ook de tijd namen om een gesprek met hen op gang te brengen. Denk aan Willy Brandt, Olof Palme en Joop den Uyl. Met hun verscheiden is de aandacht voor cultuurpolitiek naar de achtergrond verdwenen. Wat rest zijn de uitwisselbare pragmatische politici, die menen het te kunnen stellen zonder de inspirerende werking van de kunst op hun doelstellingen.

Ook de kunstenaars hebben zich van de sociaal-democratie afgewend. Günter Grass is een van de laatste der Mohikanen. Na de commotie rond zijn roman Ein weites Feld heeft hij nog eens duidelijk de betekenis van de kunst in de samenleving benadrukt. Grass beschouwt zich nog steeds als sociaal-democraat al tekent hij daarbij aan dat de sociaal-democratie geen onveranderlijke grootheid is. Maar nu het communisme is afgevoerd, het kapitalisme stagneert en wereldwijd de sociale onrechtvaardigheid groeit, is de sociaal-democratie volgens Grass meer dan ooit noodzakelijk.

Kunstenaars hoeven zich niet als politici te manifesteren. Maar een overheid die zich verantwoordelijk voelt voor de kwaliteit van de keuzemogelijkheden van burgers moet de inspanningen van kunstenaars serieus nemen. Kunstenaars immers werken altijd met alternatieven. Hun werk bestaat uit het verbeelden van steeds andere mogelijkheden. Naar hun aard zijn dat uitnodigingen tot een dialoog. Die dialoog hoeft niet tot een conclusie te leiden, maar hij heeft wel een 'dramatische dimensie'. Drama in de zin van het spel van menselijke betrekkingen.

In een veel aangehaalde dichtregel zegt Lucebert dat alles van waarde weerloos is. Dat is precies een reden waarom telkenmale de cultuur - zowel in beperkte als in brede zin - het loodje legt. Maar juist daarom moet een sociaal-democratische partij als de PvdA, die opkomt voor het zwakkere en niet weerbare, cultuur een prominentere plaats geven. Niet uitsluitend via het verhogen van budgetten. Het is een fictie om te veronderstellen dat alleen een verruiming van de financiële middelen effect heeft. Er moet ook een onontkoombare keuze worden gemaakt. Met kunstbeleid kun je twee kanten op: of je accepteert dat kunst 'elitair' is, en acht het bestaan ervan toch van een zodanig belang dat de overheid waar nodig financieel bij blijft springen, of je accepteert dit niet en gaat een totaal andere kant op.

In het eerste geval is de consequentie dat alleen kwalitatieve maatstaven mogen worden aangelegd en dat behalve de morele verplichting tot het werven van zoveel mogelijk publiek alle eisen van publieksbereik onredelijk zijn. Dat maakt kunst in economische termen een merit good. In het tweede geval zet je alle overwegingen die ooit tot het ontstaan van een kunstbeleid hebben geleid overboord en laat je marktmechanismen hun gang gaan. In dat geval komt er veel geld vrij, want de cultuur die massaal wordt gewaardeerd heeft om die reden geen financiële steun nodig.

In het paarse kabinet beheert de PvdA op dit moment een aantal portefeuilles die essentieel zijn voor het cultuurbeleid. Dat is belangrijk. Jan Kassies heeft altijd gewezen op het belang van strategische posities voor een gefundeerd cultuurbeleid. Als sociaal-democraat in hart en nieren was hij één van de weinigen die consequent in woord en geschrift nadacht over cultuur in de breedste zin van het woord. Maar hij vond dat socialistische cultuurpolitiek een tegenwicht moet bieden aan het consumentisme en marktdenken.

Wat betekent dat voor de praktijk? Een cultuurpolitiek waarin, zoals wij dat willen kwaliteit het uitgangspunt is, is in eerste instantie afhankelijk van het aanstellen van de juiste personen op de juiste plaatsen. Dat zijn mensen die persoonlijk verantwoordelijk zijn voor de keuzen die worden gemaakt. Het concept van de 'oordelende openbaarheid' lijkt op dit punt een bruikbaar uitgangspunt. De beoordelende instantie moet haar voor- en afkeuren duidelijk en in het openbaar motiveren.

Een kunstbeleid dat kwaliteit als hoogste waarde formuleert, veronderstelt echter ook kwalitatief hoogwaardige en bovenal consciëntieuze adviezen. Hans Maarten van den Brink heeft bij een eerdere gelegenheid gepleit voor de introductie van de arbiter elegantiae. Hij refereerde daarmee aan het idee van de rijkskeurmeesters dat Hedy d'Ancona in het verleden heeft geopperd. Dat komt erop neer dat gedurende een vastgelegde periode de smaak, het oordeel en de voorkeuren van een aanwijsbare persoon een belangrijke rol gaan spelen. Die is verantwoordelijk, je kunt hem of haar kritiseren, aanvallen, beschimpen, maar verschuilen achter allerlei geleende oordelen kan hij of zij zich niet. Daarna komt er een ander en dan groeperen voor- en tegenstanders zich wederom. In de wetenschap doet dit model al jaren opgeld. Maar ook voor de kunsten lijkt het de moeite van het bestuderen waard. Het resultaat zou zijn dat het cultuurpolitieke debat weer op gang komt, waaraan het nu ontbreekt.

Onderwijs, zegt men in de PvdA, is terug van weggeweest. Maar op welke wijze is onderwijs als cultuurpolitieke factor terug? Zeker niet inhoudelijk. Ondanks de progressieve bewindslieden op OCW is er nog weinig merkbaar van cultuurpolitiek als centrifugale kracht. Ook het debat over de Europese eenwording wordt beheerst door monetaire aspecten. De consequenties voor de Nederlandse cultuur en democratie wordt bij afwezigheid van scholing in die cultuur en democratie nauwelijks betreurd.

Cultuur ontwikkelt het vermogen om onder en achter de dingen te kijken. Het scherpt de waarneming en de kritische zin van de burger. Onbekendheid met de dieptestructuren en onzichtbare velden van een samenleving maakt het de burgers moeilijk om keuzen te maken. Wanneer de sociaal-democratie nog een maatschappelijke betekenis ambieert, moet ze een actieve tegencultuur ontwikkelen die de nadruk legt op de kwaliteit van het leven.

De kwantitatieve criteria waarvan we ons bij de inrichting van de samenleving al te gemakkelijk bedienen, moeten door sociaal-democraten worden gerelativeerd en bekritiseerd. Wie in cultuur geïnteresseerd is, moet niet alleen maar registreren wat de uitkomst van een aantal technische handelingen is. Kunst en cultuur hebben een maatschappelijke, emanciperende, integrerende en educatieve rol.

De PvdA zou een strategie moeten ontwikkelen om de technocratische tendentie bij te sturen. Het is de enige mogelijkheid om de politiek voor mensen weer interessant te maken. Kunst is, om met Picasso te spreken, de leugen die de waarheid laat zien. Dat is toch veel mooier dan de alledaagse waarheid.