Professor Fik Meijer over vondsten van geoloog Robert Ballard op bodem Middellandse Zee ; 'Er is veel te beleven op meer dan honderd meter diepte'

De Amerikaanse geoloog Robert Ballard heeft ver uit de kust van Sicilië in korte tijd acht scheepswrakken gelocaliseerd, waaronder vijf uit de Romeinse oudheid. “Deze expeditie kan een doorbraak betekenen”, zegt prof. dr. Fik Meijer: “misschien gaan de onderwater-archeologen nu eindelijk samenwerken.”

LEIDEN, 9 AUG. In de Middellandse Zee, ten noordwesten van Sicilië, is begin deze zomer een begraafplaats van scheepswrakken ontdekt. Niet door criminele bendes die op zoek naar antiquiteiten al jaren de mediterrane zeebodem afgrazen, maar door een Amerikaans-Brits team van avonturiers en uiteenlopende wetenschappers. Varend in een atoomonderzeeër met opklapbare wielen, met sonar, met elektronische camera's en met veel meer hightech localiseerden ze het ene na het andere wrak uit de oudheid, inclusief de bulkladingen van aardewerk, stenen vazen, bronzen gebruiksgoed en marmer.

Op de foto's die het Britse dagblad The Times vorige week publiceerde, ligt de zeebodem bezaaid met amforen. De expeditieleden turen gespannen naar een reusachtig dashboard vol camera- en meetopnamen, alsof ze omringd zijn door vijandige vliegdekschepen. Tussen hen in zit de Amerikaanse geoloog Robert Ballard, werkzaam bij de Woods Hole Oceanographic Institution in Massachusetts. In 1985 spoorde hij het Titanic-wrak op en hij vond ook de restanten van het Duitse slagschip Bismarck terug. Of het nu haaien waren, tweeënhalve meter lange wormen, krokodillen, koralen of vulkanen - Ballard deed er in vele wateren allang onderzoek naar.

Onder leiding van deze 'Draufgänger' zijn nu op de voor onderwater-archeologen onbereikbare diepte van circa 700 meter acht schepen gelocaliseerd. Ze bestrijken een periode van ruim tweeduizend jaar; vijf Romeinse boten uit de tweede eeuw vòòr tot de vierde eeuw na Christus, een 18de-eeuws Noordafrikaans vissersschip en twee 19de-eeuwse vaartuigen.

De Romeinse wrakken herbergen bronzen vaten, acht typen amforen, gebruikt voor opslag van wijn, olijfolie, vissaus en gedroogd fruit, alsook brokken graniet en zuilfragmenten, bestemd voor de tempelbouw. “Ineens vonden we elke dag een Romeins schip”, zo schepte Ballard vorige week op tijdens persconferentie in Washington: “en toen hebben we er maar even een punt achter gezet.” De expeditieleden willen hun vondsten, zoals ook glaswerk, dat met mechanische grijparmen werd opgepikt, straks publiekelijk tentoonstellen.

“Het is zeker belangrijk wat Ballard heeft gedaan”, vertelt Fik Meijer, hoogleraar zeegeschiedenis en maritieme archeologie van de klassieke oudheid aan de Universiteit van Amsterdam. “Het merendeel van de dertienhonderd scheepswrakken uit de oudheid die we kennen sinds Jacques-Yves Cousteau (1910-1997, mv) eind jaren veertig archeologisch de zeebodem ging aftasten, liggen op een diepte van nul tot zestig meter voornamelijk in het westelijk deel van de Middellandse Zee. Maar in dat gebied bij Sicilië is minder onderzoek verricht. Dankzij die onderzeeër kon Ballard er onbeperkt rondneuzen op zevenhonderd meter diepte. Een onderwater-archeoloog kan niet dieper werken dan veertig, vijftig meter. En gezien de decompressie beschikt hij dan over niet meer dan 35 minuten bodemtijd per dag. De onderwaterarcheologie is zowel fysiek inspannend, maar ook heel kostbaar. Overheden hebben er weinig geld voor over.”

De zeebodem ter hoogte van de stad Trapani, waar Ballard grasduinde, geeft waarschijnlijk ook grotere wrakken te zien, vertelt Meijer, omdat juist de grotere schepen vanuit Carthago en andere Noordafrikaanse steden over de volle, diepe zee, ver uit de kust, rechtstreeks naar hun plaats van bestemming voeren. De kleinere boten moesten de skyline van Sicilië en Italië in de gaten houden.

Over antieke ruimen vol amforen raakt Meijer nauwelijks meer opgewonden. “Van het bekendste type Romeinse wijnamfoor zijn er zo'n honderdduizend opgedoken. Uit een wrak bij Nice kwamen eens in een klap 10.300 kruiken tevoorschijn. En van de duizenden standaard-amforen die de Turken boven water haalden, is jaren geleden al een groot deel publiekelijk verkocht om de onderwater-archeologie te financieren. En dat vind ik eigenlijk wel een mooie oplossing.”

Meijer, die aan enkele expedities deelnam en met een ongekend enthousiasme over zijn vak praat, betwijfelt Ballards stelling dat het zeegebied rondom Sicilië klimatologisch net zo grillig en hachelijk was als de Bermuda Triangle. “De antieke bronnen melden daar niets over. Omdat de zeevaart in de oudheid als bedrijfstak slecht stond aangeschreven, is er überhaupt weinig over bekend. Het Romeinse rijk was vooral een agrarische samenleving, die wel sterk afhankelijk was van aanvoer overzee, maar die neerkeek op de vrijgelatenen en andere mensen van laag allooi die de schepen bevolkten.

“Vreemd genoeg zijn op talloze amforen wèl de namen ontdekt van Romeinse senatoren. Blijkbaar hebben de welgestelden zich niet als handelaren maar als financiers met de zeevaart bemoeid. Ik ben trouwens nieuwsgierig naar de sponsors van Ballard. Wie kan er nou zo'n dure atoomonderzeeër leasen? Misschien was het de National Geographic wel, het blad waarin hij eerder publiceerde.”

Dat Ballards ontdekking enigszins is opgeklopt onthult een tabel die Meijer laat zien: het grootste aantal tot nu toe gevonden, antieke wrakken in de Middellandse Zee dateert uit de tweede eeuw vòòr tot de tweede eeuw na Christus, zoals ook de door Ballard ontdekte Romeinse schepen. En het zijn keer op keer ook vrachtvaarders. “Er is nog nooit ergens een graan- of oorlogsschip uit de oudheid gevonden. Hun ladingen waren niet zwaar genoeg om het gezonken schip in de bodem te drukken. Het graan ontkiemde, verrotte en het hout werd opgevreten door paalwormen en andere micro-organismen. Daarom zou het zo mooi zijn als diezelfde Ballard-expeditie nu eens in het oostelijk bekken van de Middellandse Zee, bij Libië, Klein-Azië en Griekenland, een kijkje ging nemen. Want uit de zevende en zesde eeuw voor Christus, toen de Grieken zelf kolonies stichtten, zijn maar een paar wrakken gedocumenteerd.”

Inmiddels is in Italië tumult ontstaan over Ballards territoriale schending en de laconieke wijze waarop hij objecten van de bodem heeft weggekaapt. Van de vijftig onderwater-archeologen die Italië telt zijn er 45 werkloos, vertelt Meijer. De overheid stelt nauwelijks geld voor onderzoek beschikbaar. Zo'n ontdekking van een wetenschapper die niet in de klassieke archeologie is geschoold, zet bij Italiaanse specialisten kwaad bloed.

“Toch betekent deze expeditie een doorbraak. We weten nu dat er dieper dan honderd meter veel te beleven valt. En misschien spoort Ballards avontuur de onderwater-archeologen aan om eindelijk eens meer internationaal te gaan samenwerken. De Unesco propageerde dat al 1960, maar er is niets van terecht gekomen. Jammer genoeg bestaan er ook geen samenwerkingsverbanden met oliemaatschappijen, die, uitgerust met de modernste apparatuur, soms op enkele honderden meters diepte over een complete habitat beschikken.

“Iedere onderwaterarcheoloog schermt nog steeds zijn eigen domeintje af, want iedereen wil een Heinrich Schliemann-in-het-klein worden. Ik heb bijvoorbeeld eens bij een oudheidkundig congres in Griekenland een ankerspecialiste ontmoet, die alleen de aanwezige niet-ankerspecialisten haar vondsten wilde laten zien.

“Wat me ten aanzien van Ballard op dit moment vooral interesseert is de vraag hoe het nu verder gaat met zijn ontdekking. Wie heeft er recht op de voorwerpen? Gaat Italië zelf geld in het project steken? Of trekt het gebied straks dezelfde bendes aan die al zo lang met mini-onderzeeërtjes, scootertjes, sonar en wat dies meer zij de Middellandse Zee plunderen?”