Politieke sigaret

Via de handelaar in religieuze lectuur heb ik onderdak gevonden bij Jelka, een vrouw van middelbare leeftijd die in de jaren zeventig - ze vertelt het met trots - kokkin was in de keuken van Tito's dvor (hof) te Jajce in Centraal-Bosnië. Inmiddels is Tito al zeventien jaar dood en is in de oorlog zijn residentie verwoest.

Maar dat is niet de enige prijs die Jajce voor de oorlog heeft moeten betalen. Ook de oude stad - ooit schilderachtig - heeft zware schade opgelopen. De toeristische wandeling de berg op, naar het vroeg-middeleeuwse kasteel van de edelman Hrvoje Vukic, is tot een wandeling door een spookstad verworden. Het leistenen pad dat naar boven voert is er nog, maar van de huizen resten alleen de buitenmuren.

Serviërs hebben de stad gebombardeerd, Kroaten en moslims hebben er tegen elkaar gevochten, en nu wappert op de torens van het oude fort de Kroatische vlag. Straten zijn hernoemd naar Kroatische helden als Hrvoje Vukic om de Kroatische oorsprong van Jajce te benadrukken ('Jajce is altijd Kroatisch geweest'). Vierhonderd jaar Turkse overheersing wordt te Jajce beschouwd als een intermezzo, waarvan de sporen zoveel mogelijk moeten worden uitgewist.

Ook Jelka heeft erbij verloren. Haar man was voor de oorlog al gestorven, haar dochter is gevlucht naar Split, haar zoon naar Denemarken. De moeder woont nu in Jajce zonder haar kinderen, zegt dat ze het grote huis wil verkopen voor 175.000 mark ('Het is twee keer zoveel waard') om bij haar dochter in Split te gaan wonen.

Na één overnachting bij Jelka laat ik Jajce achter mij en wandel langs de rivier de Pliva naar het meer Jezero. Na een paar kilometer kom ik het tegen, lichtgroen tussen groene bergen. Ik neem een duik, maar het water is zo koud dat het mij de adem beneemt en ik niet weet hoe snel ik weer op de kant moet komen. Dan maar weer verder lopen.

Op een smalle asfaltweg ben ik het afgelopen uur een paard en wagen tegengekomen en een koe met een bel om haar nek, evenals ik alleen aan de wandel. Maar even voor het dorp Jezero blijkt de weg een verkeersader geworden en zoeft om de haverklap een vrachtauto of bus voorbij. Ik haast me naar Jezero, en vraag daar naar een karrenspoor dat me tot Sipovo zal leiden, mijn bestemming voor vandaag.

Het is er, dat karrenspoor en het loopt opnieuw langs de Pliva, even lichtblauw en helder als het meer. Het is bovendien vrij van mijnen - aldus de bevolking - en ik hoef er alleen maar op te blijven lopen om Sipovo te bereiken. Een zorgeloze middag wacht mij. Van tijd tot tijd rust ik uit aan het water en dan zoeken kikkers een veilig heenkomen of vlucht een waterslang die zich ophield tussen het groen aan de oever, kronkelend weg, de kop boven water.

Ik heb inmiddels de moslim-Kroatische federatie verlaten en ben ongemerkt in de Servische Republiek terechtgekomen. Wat wat is valt aan het landschap (ook bergen rondom dit dal) en aan de huizen (ook kapot) niet te zien. Er is evenmin een zichtbare grens, niet waar ik loop tenminste, maar degenen die hier hun huizen aan het herstellen zijn, benaderen mij toch anders.

Niet minder gastvrij - dat niet. Inmiddels dicht bij Sipovo krijg ik, wanneer men hoort dat ik uit Jajce ben komen lopen, een halve liter koud bier en een stoel aangeboden: “Rust even uit.” Een lange man met zwart haar vertelt mij dat hij en zijn vier broers hier vijf huizen hadden staan: elke broer een huis, zelf gebouwd. De vijf huizen zijn allemaal zwaar beschadigd en met behulp van vrienden zijn de broers bezig ze een voor een weer op te bouwen.

“Maar het gaat langzaam, we hebben geen geld”, zegt de lange man met het zwarte haar.

En zijn broer zegt: “Jullie geven ons niets. Jullie geven aan iedereen behalve aan ons.”

Ik zal vaker het gevoel hebben een standpunt opgedrongen te krijgen. Als ik een sigaret opsteek van het merk Drina - ik rook maar wat - merkt een van de broers op: “Ah, Drina, Sarajevska”, dat wil zeggen een sigaret uit Sarajevo, uit het door moslims beheerste deel van Bosnië. Tot nu toe was ik mij er niet van bewust dat het roken van een sigaret in Bosnië een politieke lading had. Van die sigaret komen wij als vanzelf op de arrestatie van oorlogsmisdadigers en zeggen deze Serviërs dat als 'jullie' Karadzic willen pakken, oké, maar dan ook Alija (Izetbegovic, moslimpresident van Bosnië). Jullie - dat is het verschil. Alleen hier word ik ter verantwoording geroepen.