Joop Doorman, mathematisch vrijdenker; 'Ik was een asociaal secreet'

Wat geloven we, wie vrezen we en waarom beminnen we? Frénk van der Linden spreekt met mensen die door overtuiging of ervaring een bijzonder inzicht hebben in geloof, dood of liefde. S.J. (Joop) Doorman, wiskundige en emeritus hoogleraar filosofie: 'Onze hormonendans blijkt vaak richtingbepalend voor onze maatschappelijke opvattingen.'

S.J. Doorman (Den Haag, 1928). Studeerde van '48 tot '60 wiskunde en filosofie, aanvankelijk aan de Universiteit van Amsterdam, later in Madison (Wisconsin, VS). Van '60 tot '69 medewerker en vervolgens lector aan de Technische Hogeschool Eindhoven. Tussen 69 tot '72 directeur VPRO. Vanaf '72 hoogleraar in de filosofie aan de Technische Hogeschool Delft. Emeritaat in '94. Doorman was voorzitter van de Landelijke Raad voor Cultureel Werk, kroonlid van het NOS-bestuur, vice-voorzitter van de Stichting Wetenschap en Techniek, en bestuursvoorzitter van het Sweelinck Conservatorium. Als gepassioneerd liefhebber van klassieke muziek stond hij aan de wieg van Radio 4. Op het ogenblik is Doorman nog voorzitter van Stichting Donemus, die zich richt op moderne muziek. Tevens is hij voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Kunstzinnige Vorming Foto Freddy Rikken

Wantrouw mij. Als ik mijn mond opendoe, moet je uitermate achterdochtig zijn. De wetenschappelijkheid van filosofische bespiegelingen is nauwelijks te meten. Wat mensen als ik zeggen klinkt vaak erg geleerd, maar blijkt bij controle meestal vaag, onnauwkeurig - troebele soep. Daaraan ligt het ongelukkige gegeven ten grondslag dat je in de filosofie werkt vanuit private interesses. Niet toevallig komen je antwoorden op vragen nogal eens overeen met je wensen. Je autobiografie ligt altijd op de loer, als een palet dat je uitingen met retorische overtuigingskracht kleurt. Grote filosofen stijgen daar mijlenver bovenuit, maar ik reken mezelf niet tot de grote filosofen. Intellectueel gesproken kunt u mij het beste beschouwen als een potentiële flessentrekker.

In Amerika, jaren vijftig, maakte ik voor het eerst mee dat de eeuwige vraag niet meer werd gesteld: 'Zeg, ben jij de zoon ván?' Ik kwam daar uit mijn niche. Eén keer dacht ik dat ik er weer in zou worden gedrukt. Een vriend op het mathematics department in Madison vertelde iets ongelofelijks te hebben ontdekt: 'Jouw pa staat in de Encyclopedia Britannica!' Die man was steil achterover gevallen. Godzijdank ebde dat snel weg. Ik zal niet zeggen dat ik een juk droeg toen ik naar de VS vertrok, maar emotioneel werd ik daar wel van iets verlost.

Mijn vader was Karel Doorman, telg van een prestigieus militair geslacht. Tijdens de Slag in de Javazee diende hij als commandant ter zee van de geallieerde vloot. Op bevel van admiraal Helfrich ging hij in 1942 een kansloos gevecht aan met de Japanse marine. Het was mijn vader duidelijk dat de uitgestippelde strategie absurd was, dat het een blunder met kamikaze-achtige trekken betrof, maar hij probeerde de opdracht van zijn opperbevelhebber zo goed mogelijk uit te voeren. Het liep catastrofaal af: bijna alle schepen werden naar de zeebodem geschoten. In mijn bescheiden amateursopvatting was het één groot militair mensenoffer. Mijn vader ging met de De Ruyter ten onder. Zijn lichaam is nooit geborgen.

Ik zat op een rooms-katholieke kostschool. 's Avonds bracht een oude pater me naar de kapel, waar ik het nieuws te horen kreeg. Ik ben altijd een raakbaar iemand geweest, dus ik moest wat tranen laten. Hoe authentiek dat verdriet was weet ik niet. Alle menselijke emoties worden in hoge mate sociaal bepaald. We zijn zo gevormd dat we op zulke momenten menen te moeten huilen - als gevolg van een subtiele wisselwerking tussen onszelf en de omgeving.

Anderhalf jaar later kreeg ik een verzetsblaadje in handen dat mijn vader uitriep tot nationale held. Hij zou de Japanse strijdkrachten op beslissende wijze hebben opgehouden - dat soort flauwekul. Kort na de oorlog werd hij postuum geridderd. Mijn moeder nam de Willemsorde in ontvangst, op het eerste vliegkampschip dat Karel Doorman heette, een ongelofelijk lelijk en min of meer krakkemikkig ding, een omgebouwde koopvaardijschuit. Ik mocht als negentienjarige knaap de uitreikingsplechtigheid bijwonen. Na afloop kwam Helfrich naar ons toe. Hij kreeg niet over de lippen zijn gewraakte bevel achteraf buitengewoon stupide te vinden; hij mompelde dat het niet eenvoudig was geweest die beslissing te nemen. Toen al vond ik dat een, eh, weinig indrukwekkende uiteenzetting.

Ik moet eerlijk zeggen dat ik als snotjongen de onzinnige gedachte koesterde een bijzonder mens te zijn, puur omdat ik de zoon was van Karel Doorman. Op de middelbare school verwees ik weleens naar die illustere vader. Je gebruikt een genetische toevalligheid om je ego op te pompen. Dat is natuurlijk een grote bedreiging voor de ontwikkeling van een eigen identiteit. Bovendien leidt het tot bespottelijke taferelen. Samen met mijn jonge kameraad Frans van Hasselt, die later NRC-correspondent zou worden, keerde ik op een dag berooid terug van een vakantie in Griekenland. We klopten 's nachts aan bij een politiebureau in Utrecht om te vragen of we daar mochten slapen. Geen sprake van natuurlijk. Ik legde mijn paspoort op de balie en wees op de naam. Zo dwong ik een cel en een paar dekens af. Pas in de loop van mijn studententijd begon het besef te dagen dat het onverstandig was om zo door het leven te gaan.

Mijn moeder kwam voort uit de Grande Bourgeoisie. Een katholieke, karaktervolle patriciërsvrouw - voor niemand bang. In de Tweede Wereldoorlog werd ik op een zomerochtend wakker van een geweldig tumult rond het huis. We waren omsingeld door Duitse militairen, die mijn ondergedoken pleegvader zochten. Ze drongen de verduisterde woning binnen: 'Machen Sie sofort Licht!' Plotseling verdronk dat nazi-geblaf in de stentorstem van mijn moeder: dat ze on-mid-del-lijk een toontje lager moesten zingen, dat ze ongewenste gasten waren, dat ze zich moesten houden aan de regels van het huis, enzovoorts. Dadelijk hoor ik een schot, dacht ik. Gelukkig was dat niet het geval, maar zo'n moeder had ik dus.

Mijn ouders waren in 1933 - op mijn vijfde - gescheiden. Van de ene dag op de andere moest ik een andere man 'vader' noemen. Eveneens een zee-officier, later commandant van de beroemde duikboot K18. Je vond het allemaal gewoon. Ik ervoer mijn vroege jeugd zoals de voor-Socratici de werkelijkheid ervoeren: ik stelde me geen vragen bij wat er gebeurde, het overkwam me. Dus zeg je in zo'n periode ook niet tegen jezelf dat je uit een cultureel bekrompen milieu komt. Je vindt het vanzelfsprekend dat er alleen maar schlagers en muziek van de koninklijke marinekapel in huis zijn, en je zingt met Robert Stolz mee: Adieu, mein kleiner Gardeoffizier!

Halverwege de jaren dertig gingen we voor een jaar of drie naar de Indonesische marinehaven Soerabaja. Daar kreeg ik difterie, een beroerde kwaal waardoor al je spieren verlammen. 'Meneer Doorman, u had eigenlijk allang dood moeten zijn', zei een cardioloog eens tegen me. Normaal gesproken houdt je hart ermee op en stik je. Ik heb daar tegenaan gezeten: half bewusteloos op bed, hangend in touwen, moest ik worden bediend. Maar na ontvangst van het heilig oliesel richtte ik me op. Meer dood dan levend kwam ik uit die crisisnacht. Terug in Nederland ontwikkelde ik me door de gevolgen van de ziekte tot een fameus struikelaar. Als ik een lokaal binnenstapte, lazerde ik over de drempel. Onder de leerlingen wist ik me de laagste in de pikorde, de klassieke klungel.

Geestelijk was ik als een asociaal, ambitieus secreet. Anders kan ik het niet beschrijven. Als kleintje had ik me extreem verlegen gedragen. De kinderjuffrouw doopte me Uilsis, omdat ik in gezelschap langs de muren schoof en een vreemd geluid tussen mijn tanden vandaan liet komen. Ik had een panische angst dat ik nooit vriendjes zou krijgen. Dat complex probeerde ik te overwinnen door lawaai te maken. Ik wilde in de kijker komen: zogenaamd geestig zijn, mensen het bloed onder de nagels vandaan halen, et cetera. Ik worstelde met troebele gedachten, machtsfantasieën. Ik gapte ook. Ik haalde geld uit deze en gene beurs om mijn onbedwingbare materiële verlangens te stillen. Zo kocht ik een horloge met ketting, omdat een onderwijzer daar zoveel indruk mee maakte.

Ja, ik zou mezelf kunnen excuseren voor mijn theatraliteit door te zeggen dat die aandachttrekkerij voortvloeide uit gemiste warmte in mijn vroege jeugd. Maar ik vind dat een te veel zelfcomfort gevende verklaring. Ik hecht geen waarde aan dat type gepsychologiseer. Hoe het ook kwam, hoe het ook zat: de feiten willen dat ik een onuitstaanbare uitslover was. Op een gegeven moment vond mijn moeder het ruimschoots welletjes en stuurde ze haar gefrustreerde zoon ter disciplinering naar het Canisius College. Helpen deed dat niet. Als de leraar wiskunde driftig met zijn hoofd naar de deur knikte, wist iedereen dat ik weer eens kon opstappen. Uiteindelijk werd ik zelfs van school geschopt: hopeloos geval. Ik kwam terecht op een internaat in Tiel, waar ik langzaam maar zeker enige levensvreugde opdeed en redelijk leerde omgaan met leeftijdsgenoten. Het waren vooral jongens van gegoede families, die leerproblemen hadden. Daartussen voelde ik me niet zo onzeker. Je steekt boven anderen uit, wat je identiteit versterkt. Je wórdt eindelijk een persoonlijkheid - your own man.

Na een jaar kon ik naar een gewone middelbare school in Wageningen, waar ik in '48 slaagde voor het eindexamen HBS-B. Ik mocht dan geen donder uitvoeren, stom bleek ik niet.

Politiek was ik achteruitstrevend conservatief. Als reactionaire adolescent bepleitte ik tijdens zelfgeorganiseerde debatten de annexatie van Duitse gebieden. 'Indië verloren, rampspoed geboren': die gedachte hing ik ook aan. Ik had visioenen over een sterke Nederlandse krijgsmacht, een onoverwinnelijke vloot. Aanvankelijk stond ik dan ook niet afwijzend tegenover de dienstplicht - integendeel.

Rond het tweede jaar op de Universiteit van Amsterdam kwam de aardverschuiving. Een van de mensen die me sterk beïnvloedden was de erudiete Johan Polak. Ik zat veel bij hem en zijn familie, in dat culturele klimaat begon mijn emancipatieproces. Lezend over de wereldgodsdiensten realiseerde ik me dat ik hartstochtelijk boeddhist zou zijn geweest als ik in Nepal was geboren. Met dat inzicht rende ik naar de dorpspastoor. Mijn vragen brachten hem zodanig in verwarring, dat hij mij slechts de geloofsbelijdenis van Augustinus kon toestoppen. Maar daarin stond evenmin een antwoord op mijn vragen. Ik kon niet anders dan van het katholicisme afvallen.

En toen stuitte ik op Dostojevski, die de krankzinnigheid van oorlog aan de kaak stelde. Ik besloot me op te werpen als dienstweigeraar. Omdat ik geen flauw idee had hoe dat moest, schreef ik een brief aan koningin Juliana, zelf een soort van pacifiste. Na enkele weken werd ik schriftelijk ontboden op paleis Noordeinde bij admiraal Rost van Tonningen, broer van de 'slechte'. In die tijd had ik slechts één paar schoenen: een hoog paar met ijzerbeslag. Lopend door gangen met marmeren vloeren veroorzaakte ik meer burengerucht dan het gemiddelde regiment. In het gesprek werd duidelijk dat iemand met mijn achternaam onmogelijk onder het leger uit kon. Ik denk dat iedereen een zucht van verlichting slaakte toen ik kort daarop met een onbekende virusinfectie in het ziekenhuis kwam te liggen en fysiek werd afgekeurd.

Ik studeerde intussen al enkele jaren wiskunde. Zeldzaam mooie discipline. Neem de vloeiende kromme. Wat ís nou een vloeiende kromme? Hoe definieer je een vloeiende kromme? Hoe méét je een vloeiende kromme? Fascinerend dat de menselijke geest een taal voor abstracte structuren kan ontwerpen. Maar als veelvraat had ik moeite om me daartoe te beperken. Ik volgde ook de colleges over sterrenkunde, natuurkunde, musicologie, filosofie, kunsthistorie en Javaanse en Indiase kunstgeschiedenis. Toen ik de kans kreeg mijn studie in de VS voort te zetten, ging ik daar op in.

Ik ontwikkelde me tot een militante logisch positivist. Wetenschappelijke filosofie was in mijn ogen het hanteren van zeer stringente betekeniscriteria, het op academische wijze benaderen en linguïstisch afbakenen van problemen. Je kon niet zomaar wat beweren! Aan de andere kant van mijn messcherpe scheidslijn lag wat ik wijsbegeerte noemde: het onderzoeken van diepere zijnsvragen. Filosofen die dachten daar uitspraken over te kunnen doen, produceerden volgens mij onnauwkeurige traktaten, gezever, 'slechte literatuur'. Heidegger was in mijn ogen bijvoorbeeld een verspreider van random noise. De enige plek om die existentiële kwesties exact te behandelen, aan de hand van dramatische beelden, was volgens mij de kunst: theater, romans, poëzie.

Inmiddels begrijp ik dat het veel ingewikkelder zit. Filosofen moeten proberen óók onderwerpen waar mensen in intuïtieve termen over spreken articuleerbaar en dus argumenteerbaar te maken. Neem de ecologische beweging. Ik draai er niet omheen dat in die hoek vragen aan de orde worden gesteld die je rustig als filosofisch kunt aanduiden. Vragen over de inrichting van onze samenleving, vragen over esthetiek ook, vragen die je uit de weg gaat wanneer je zo sec analytisch redeneert als ik voorheen deed. Ik denk dat mijn attitude getuigt van steeds minder simplisme.

Na mijn verblijf in Wisconsin ging ik werken op de Technische Hogeschool Eindhoven, toendertijd de progressieve hoofdstad van zuidelijk Nederland. Ik was heel links, sympathiseerde met de provobeweging, sprak me uit tegen de Vietnamoorlog, wilde veranderingen op de universiteit. Maar ik geloofde niet in allerlei ideologische rechtvaardigingen die de ronde deden. Meestal was het kretologie, berustend op een met half oog en verstand op nul geraadpleegd epistel van Marx. Niet dat ik zelf nou de objectieve maatstaf aller dingen was. Ik zeg het met een knipoog: onze hormonendans blijkt vaak richtingbepalend voor onze maatschappelijke opvattingen. Dat had ik begin jaren vijftig al aan den lijve ondervonden.

In die tijd was ik verliefd op een getalenteerd pianiste, dochter van een communistische havenarbeider. Ineens werd ik geconfronteerd met een mij geheel onbekende, gruwelijke sociale realiteit. Ik besefte dat communist-zijn voor zó'n man, op dát moment, in díe situatie, de meest honorabele levensvorm was. Met andere woorden: ik ging inzien dat de waarheid perspectivistisch is. Die ontdekking is tot op de dag van vandaag essentieel voor mij. Ik denk dat er in Bosnië twee oorlogen gaande zijn: de oorlog waar wij over lezen, en de volstrekt andere oorlog die we zouden kennen als we beschikten over meer Servische bronnen. Zo'n vaststelling is ook van het grootste belang voor je kijk op de conflicten tussen mensen, voor je visie op de journalistiek... Wat zeg ik: voor je kijk op hoe gras groeit. Altijd zijn er meerdere waarheden.

Misschien verraadt het conservatisme, maar ik heb nog steeds een vooruitgangsgeloof. Ik citeer graag Bertrand Russell: 'Pessimisme is een nutteloze passie.' Postmoderne filosofen als Derrida zeggen dat 'het project van de verlichting' - het streven naar menselijke groei, naar een fatsoenlijke samenleving door gebruik van de rede - voorbij is. Eenvoudigweg omdat pogingen van de traditionele filosofen om begrippen als 'waarheid' en 'goed en kwaad' te verhelderen, zijn mislukt. Nou, die visie roept bij mij intellectuele weerzin op. Ik vind het een onbevredigende vorm van radicaal scepticisme. Immanuel Kant onderscheidde drie fases in het bestaan van mensen: de dogmatische, de sceptische en de kritische. Pas als je aan de laatste toekomt, als je het zo lastig mogelijk maakt voor jezelf, kom je op vruchtbaar terrein. De postmodernen lopen om het gegeven heen dat mensen niet alleen rationele opvattingen koesteren, maar ook gevoelsmatige noties over het bestaan. Hoe moeilijk het ook is: filosofen moeten proberen die noties te definiëren, bruikbaar te maken. Dan blaas je het streven naar een letterlijk en figuurlijk redelijke maatschappij nieuw leven in.

Als jongetje van tien droeg ik met mijn zusje namaakmissen op, in de overtuiging dat het pausdom mijn carrièreperspectief was. Tegenwoordig sta ik uiterst argwanend tegenover godsdienst. Wij hebben beelden van al dan niet mythologische aard nodig - ik ook, ik kan niet zonder kunst. Ik herken wat Nietzsche zei: 'Mensen verslingeren zich aan esthetische voorstellingen om het leven draaglijk te maken' - maar het zijn beelden die voor het overgrote deel ontspruiten aan onze fantasie.

Ik probeer een vrijdenker te zijn. In mijn ogen is het menselijk leven grondeloos en eindig. Velen hebben de behoefte die eindigheid te verzachten, zelfs te transformeren in iets anders, in een hemel of wat dan ook. Dat is van alle tijden en alle culturen. Waarbij aangetekend zij dat ik de polytheïstische godsdiensten - met name de hindoeïstische - veel diepzinniger en interessanter vind dan de monotheïstische. Omdat ze de complexiteit van het bestaan veel meer recht doen. Daardoor zijn ze ook minder intolerant.

Let op: ik heb wel degelijk groot respect voor mensen die hun handelen in moreel opzicht laten sturen door een beeld van god. Sterker, zolang dat beeld voor hen persóónlijk een gewichtig oriëntatiepunt is, kan je dat alleen maar waarderen, zelfs aanmoedigen. Aanmerkelijk minder positief ben ik als geestelijken verkondigen dat er godsbewijzen zijn. Tot dusverre bewijst niet één van godsbewijzen iets. Je hoort regelmatig dat de natuur zo mooi, zo ingewikkeld in elkaar zit dat-ie wel door god geschapen moet zijn. Maar als je goed kijkt, is het vaak helemaal niet zo fraai. En kun je verdedigen wat Schopenhauer zei: dat de kosmos afschuwwekkend is en vol wreedheid.

Wat breng ik er met mijn hooggestemde ideeën nou zelf van terecht? Ik vraag me echt af of ik mijn begaafdheden wel voldoende ten bate van anderen heb benut, of ik op dat terrein niet diep heb gefaald. In relaties schiet ik tekort, ben ik onhelder, onzorgvuldig. Ik heb nooit aan mijn eigen maatstaven voldaan.

Naarmate je ouder wordt, moet je meer stoïcijnen lezen - goede voorbereiding op de dood. Marcus Aurelius, Seneca, Cicero: zij houden ons voor dat mensen er verstandig aan doen te leven volgens de wetten van de natuur, met een grote gelijkmatigheid, in het besef dat we slechts een futiel onderdeel van het heelal zijn. Je hoeft maar naar je lichaam te kijken om die nietigheid te onderkennen. Mijn lichaam vervalt. Sinds een jaar of drie zit er een pacemaker in mijn borst om mijn hart op tempo te houden. Ik heb altijd maar één goed oog gehad en dat gaat nu vrij sterk achteruit. Maar ook mijn geest verliest spankracht. Muziek die ik rond mijn twintigste voor het eerst hoorde - pakweg Das Lied der Erde van Mahler - ligt compleet in mijn geheugen verankerd. Terwijl werken waar ik recenter gepassioneerd door ben geraakt, vrij snel uit mijn systeem verdwijnen. Ik ben geen beklagenswaardige, voortstrompelende, dementerende idioot, maar om met de dichter Leopold te spreken: 'De top is over, en het pad ligt afwaarts voerend aan mijn voet.'

Ik zie absoluut niet uit naar de dood. Ik ken eerder angst, angst zoals Heidegger die omschrijft in Sein und Zeit. Er is geen ontsnappen aan, dat moet je onder ogen zien, en dat zíe ik onder ogen. Verder kan ik eigenlijk niets over de dood zeggen. Omdat we het probleem van het bewustzijn niet hebben opgelost. Wat ís ons bewustzijn? Waaruit bestaat ons 'zelf', ons 'ik'? Op die vitale vragen is geen antwoord. Daar waar u en ik hebben gesproken over mijn stemmingen en strevingen, mijn leven, hebben we in het duister getast. U reconstrueert uit dat zoeken een Doorman, waar ter identificatie een foto bij wordt afgedrukt. Maar wetenschappelijk gezien komt er niets steekhoudends op die krantenpagina.