'Isolatie stimuleert je innerlijke kracht'; Fysicus-historicus Abraham Pais blikt terug op turbulent leven

Abraham Pais is bekend als de biograaf van Bohr en Einstein. Daarnaast was hij een succesvol deeltjesfysicus. Onlangs verscheen zijn autobiografie: A Tale of Two Continents.

Abraham Pais. A Tale of Two Continents: a Physicist's Life in a Turbulent World. Geïll., 511 blz., Oxford University Press 1997. Prijs: ƒ 91,25. ISBN 0 19 850199 4.

OP EEN KOUDE winteravond in 1948 liep Abraham Pais, eminent deeltjesfysicus en de latere biograaf van Einstein en Bohr, na afloop van een feestje bij de Von Neumanns in zijn eentje terug naar zijn woning in Princeton. Het was laat en zoals gebruikelijk lagen de straten van het stadje er uitgestorven bij. Opeens hield Pais zijn pas in en in een opwelling zei hij luid en duidelijk tegen zichzelf: “De oorlog is voorbij.”

“Ik stond perplex”, zegt Pais in de tuin van zijn fraaie huis in Kopenhagen. Sinds hij in 1985 zijn Deense vrouw Ida leerde kennen, brengt hij er de zomers door. “Ik weet nog precies de plek. Het kwam zomaar, geen moment had ik die dag bij de nazitijd stilgestaan. Natuurlijk wist ik dat ik de oorlog niet goed verwerkt had, ik had last van nachtmerries. Mijn eerste jaar aan het Institute for Advanced Study kwam er geen publicatie uit mijn handen. Het liep niet, innerlijk was ik niet vrij.”

Pais ging in analyse bij de New Yorkse psychiater Theodor Reik, een leerling van Freud. “Ik heb er baat bij gehad”, zegt hij, gezeten op de withouten bank onder de vijgeboom. “Genezen is het woord niet, ik was niet ziek. Maar door Reik kreeg ik inzicht in mezelf en daardoor ook in mijn verhouding tot de buitenwereld. Ik begon weer wetenschappelijke artikelen te produceren en in het najaar van 1948 werd ik, dertig jaar oud, voor het eerst in mijn leven verliefd.”

Bram Pais, van Portugees-joodse afkomst, groeide op in een beschermd gezin in Amsterdam. Op de HBS aan de Mauritskade was hij een briljante, tamelijk arrogante leerling. In 1935 schreef hij zich in aan de Gemeente Universiteit. “Ik wilde iets exacts gaan doen maar wist niet precies wat. Toen kwam in mijn tweede studiejaar George Uhlenbeck, net benoemd tot hoogleraar theoretische natuurkunde in Utrecht, naar Amsterdam om lezingen te geven. Het ging over bèta-verval, radioactieve kernen die spontaan een elektron en een neutrino uitzenden. Samen met de grote Fermi uit Italië had hij over dat onderwerp gepubliceerd. Uhlenbeck maakte een geweldige indruk op me, hij was een moderne persoonlijkheid en nooit heb ik iemand zulke goede voordrachten horen houden. Ook berichtte hij van het front en in Amsterdam moest Van der Waals jr. weinig van de quantumtheorie hebben. Ik dacht: dit is het. Ik stapte over naar Utrecht en werd assistent van Uhlenbeck. Theoretische natuurkunde is heerlijk. Ik weet nog hoe ontroerd ik was van blijdschap toen ik de Diracvergelijking doorhad.”

Toen kwam de oorlog. Pais: “Een decreet tegen joden in overheidsdienst betekende in november 1940 het einde van mijn baantje als assistent bij theoretische natuurkunde. Ook moest ik als een haas promoveren, de Duitsers hadden 14 juli 1941 als limiet gesteld. Nooit in mijn leven heb ik zo hard gewerkt. Op 9 juli was de promotie bij Rosenfeld, net op tijd. Het was beter geweest als ik een half jaar langer aan mijn proefschrift had kunnen werken, maar het resultaat was niet slecht.”

In 1943 dook Pais onder. “Ik was een Barnevelder. In februari van dat jaar kreeg ik in mijn persoonsbewijs een aantekening dat ik tot nader order van de Arbeitseinsatz was vrijgesteld. De secretaris-generaal van Onderwijs had de Duitsers ervan weten te overtuigen dat de joden die aan de Nederlandse wetenschap hadden bijgedragen een aparte behandeling verdienden. Door mijn kleine aanstelling in Utrecht genoot ik protectie. In maart wilden ze alle joden met een speciaal stempel - de 40.000-serie - in kasteel 'De Schaffelaar' in Barneveld zetten, opdat we niet bij een razzia per ongeluk alsnog zouden worden opgepakt. 'Dit is het moment om onder te duiken', zei ik tegen mijn ouders. 'Als ze naar me vragen zeg je gewoon dat ik naar Barneveld ben'.”

Hoe heeft u die onderduiktijd doorgebracht?

“Het was een merkwaardige periode. Als je jong bent, ben je vlug afgeleid. Uitgaan, meisjes, noem maar op. Zit je ondergedoken, dan is er niets meer van dien aard. Of je wilt of niet, je gaat je concentreren op nadenken. Altijd had ik tegen mezelf moeten zeggen: 'Jongen, ga nou zitten, zet die rompslomp van je af en doe je werk. Nu deed ik de merkwaardige ontdekking dat nadenken een autonoom proces is. Na de ochtendgymnastiek ging ik naar mijn kamertje en dan kwam het vanzelf. Die ervaring heeft mijn persoonlijkheid veranderd. Isolatie stimuleert je innerlijke kracht, zie Mozes op de berg of Jezus in de woestijn.”

Kon u verder met uw natuurkunde?

“De onderduikperiode is voor mijn loopbaan van grote betekenis geweest. Ik hield me bezig met veldentheorie, een beschrijving van de wisselwerkingen in de natuur. Die theorie was in opkomst, had al grote successen geboekt maar als je de massa van bijvoorbeeld het elektron of het proton ermee berekende, leverde dat als uitkomst 'oneindig' op. Het was een nieuw onderwerp voor me. Ik had een paar boeken. Veel baat had ik bij het deel van het Handbuch der Physik over de quantumtheorie, het duurste boek dat ik ooit heb gekocht. Verder had ik een vriendin, Tineke Buchter, aan wie ik mijn proefschrift heb opgedragen. Zij haalde boeken voor me uit de universiteitsbibliotheek.

“Om de oneindigheden het hoofd te bieden ontwikkelde ik het begin van een nieuwe aanpak. Eens per week kwam Kramers op bezoek, hoogleraar theoretische natuurkunde in Leiden. Na de rede van Cleveringa was de Leidse universiteit gesloten en iedere maandag reisde Kramers naar Amsterdam waar hij, om nog wat te verdienen, de Bataafse Petroleummaatschappij adviseerde. Via Tineke wist hij waar ik was. We hadden verhitte discussies over elkaars werk en na afloop bleef hij eten. Na de oorlog trok mijn methode om de oneindigheden de baas te worden in brede kring aandacht, totdat in 1947 bleek dat de natuur er niet aan wou. De oneindigheden zijn er nu nog.

“Hoe de Duitsers achter mijn onderduikadres zijn gekomen ben ik nooit te weten gekomen. Het was aan de Hobbemakade, we woonden er met zijn vieren. Maart 1945 zat ik in mijn kamer met een collega-fysicus te praten over supergeleiding toen er gebeld werd. Even later komt een man in SS-uniform binnen, revolver in de aanslag. Nooit in mijn leven ben ik zo bang geweest. We werden in de Gestapo-gevangenis aan de Weteringschans gestopt, cel I B4. Lion Nordheim, die ik kende van de zionistische beweging, is gefusilleerd. Een keer per week werden we verhoord door een man achter een tafel, revolver paraat. Mijn instinct zei me: zie jezelf als een leeuwentemmer, kijk die man in zijn ogen, let op je houding, wees beleefd maar ferm.

“Tineke lichtte Kramers in dat ik was opgepakt. Die schreef toen een brief naar de beroemde Duitse fysicus Heisenberg, dat ik een veelbelovend jong fysicus was en me niet met politiek in liet - of woorden van die strekking. Heisenberg schreef terug dat hij het begreep, dat het hem speet, maar dat hij niets kon doen. Kramers gaf een kopie van zijn brief aan Tineke. Die is er mee naar een hoge nazi gestapt, Aus der Fünten misschien. Nadat die de brief had gelezen greep hij naar de telefoon en belde de Weteringschans. 'Hast du einen Jude Pais dort?' klonk het. 'Lass ihn gehen.' Mijn zus Annie en haar man zijn naar Westerbork gegaan en weggevoerd. Pas in 1991 kwam ik er via het RIOD achter dat ze in Sobibor zijn omgekomen.” Na de oorlog vertrok Pais voor een half jaar naar Kopenhagen om te werken bij Niels Bohr, de vader van de quantumtheorie. “De sfeer was er enorm informeel. Ik werd Bohrs persoonlijke assistent en bewaar warme herinneringen aan die tijd. Ik heb geen groter mens gekend, hij was een zeer brede persoonlijkheid. Einstein, die ik ook persoonlijk heb gekend, was een Einzelgänger. Je voelde affectie en respect maar hij hield je op een afstand. Bohr had een diepe behoefte om met mensen te praten, er ging warmte en liefde van hem uit. Ook in hun stijl van wetenschap bedrijven verschilden ze. Einsteins werk is sterk wiskundig gefundeerd, Bohr hield ervan artikelen te schrijven zonder een enkele formule erin. Daardoor verschillen mijn Einstein- en Bohr-biografie ook zo sterk van toon.”

Na zijn verblijf in Kopenhagen vertrok Pais september 1946 naar het Instituut for Advanced Study in Princeton, een walhalla voor geleerden. Einstein werkte er evenals Gödel, Von Neumann en de kunsthistoricus Panofsky. Het waren de begindagen van de deeltjesfysica, juni 1947 gemarkeerd door de Shelter Island-conferentie. Pais: “Voor mij en de andere twintig deelnemers was het de belangrijkste conferentie van hun leven. Lamb en Rabi presenteerden er belangrijke nieuwe resultaten en intuïtief wisten we dat de fysica op een keerpunt was beland. Ik weet nog goed hoe we onder politie-escorte uit Manhattan naar Long Island werden gereden. Fysici waren na de atoombom en de radar een soort totemfiguren. Pas in de jaren zestig zijn ze dat aura kwijtgeraakt. Ze hadden de Tweede Wereldoorlog voor Amerika weten te winnen, maar de Vietnamoorlog niet.”

Diezelfde tijd besloot u in Princeton te blijven?

“Oppenheimer werd in 1947 aangezocht als directeur en bood me een vaste aanstelling aan. Zoiets kan je niet weigeren.

Op het Institute for Advanced Study zijn geen studenten. Betekent dat gebrek aan intellectuele lastpakken niet een beetje de dood in de pot?

“Daar zit wat in. Maar nadat hij directeur werd zijn de contacten met de buitenwereld aangehaald. Out of sight, out of reality. Toch heb ik er tot 1963 heerlijk gewerkt. Mijn onderwerp was bètaverval en de vreemde nieuwe deeltjes die in die jaren opdoken. Ik behoor tot de pioniers van de deeltjesfysica, de termen baryon en lepton zijn van mij. Gell Mann, een onbehaaglijke man met links en rechts vijanden, heeft me in de jaren vijftig ervan beschuldigd dat ik ideeën van hem gestolen zou hebben. Volkomen bezijden de waarheid. Het is rechtgezet. Ik word beschouwd als een van de ontdekkers van het samengestelde karakter van het Kaon-deeltje. Nog altijd worden artikelen van me geciteerd. Wat moet ik meer zeggen?”

Hoe was Oppenheimer? Meer charisma dan inhoud?

“Een beetje sterk uitgedrukt maar bij benadering correct. Rabi en ik zaten een keer te kijken hoe Oppenheimer werd geïnterviewd voor de televisie. 'Robert, you're a ham', zei Rabi na afloop. Hij had grote kwaliteiten maar speelde tegelijk voor hogepriester van de wetenschap. Hij was van de westkust naar Princeton gekomen om dichter bij de macht te zijn, maar werd door McCarthy onderuitgehaald. In Princeton waren we niet in de positie om druk uit te oefenen, wel gaven we toen het misliep direct een verklaring uit waarin we van groot respect getuigden voor zijn wetenschap en organisatorische kwaliteiten. Zelfs generaal Groves, die samen met Oppenheimer in Los Alamos het atoombomproject leidde, steunde hem.

“Ik was woedend. Ik zag de reacties van mijn Nederlandse vrienden al voor me: fascisme. Wat moest ik, ik was in Amerika te gast. Er waren twee uitwegen: terug naar Nederland of Amerikaans staatsburger worden. Het werd het laatste. Basically zijn Amerikanen gezond. I love America, you can get something done. Dat actieve, dynamische past bij mijn natuur. Maar de rechter die mij de eed afnam, zei: onthoud dat het gras nergens groener is dan in je geboorteland. Daar was ik hem dankbaar voor.”

In 1963 haalde Pais' leermeester Uhlenbeck zijn vroegere assistent naar New York, om aan de Rockefeller universiteit een groep theoretische natuurkunde op te bouwen. Een aanbod om Oppenheimer als directeur in Princeton op te volgen, wees hij af. Toen de Einstein-centennial van 1979 in zicht kwam, werd Pais gevraagd het onderwerp 'Einstein en de quantumtheorie' voor zijn rekening te nemen. Pais: “Het resulterende artikel kreeg veel lof. Toen dacht ik: de quantumtheorie is het gecompliceerdste deel van Einsteins oeuvre, why don't you go for all the marbles? En ik schreef de biografie. Ik was toen 62, een goed moment. Inmiddels zijn er van Subtle is the Lord... 250.000 exemplaren verkocht en het is in tien talen vertaald. Daarna volgden in 1986 Inward Bound over de twintigste-eeuwse deeltjesfysica, tegenwoordig in gebruik als leerboek, in 1991 de Bohr-biografie en in 1994 een populaire aanvulling op het Einsteinboek. En dan nu mijn autobiografie. Het schrijven daarvan viel me soms zwaar. Ik ben a private person.”

Hoe is uw verhouding met de wetenschapshistorici?

“Eerlijk gezegd ben ik door het werk van professionele historians of science niet bijster geïmponeerd. Wie over de geschiedenis van de natuurkunde schrijft, vind ik, moet een carrière als actief wetenschapper achter zich hebben. Ik kan echt wel afstand nemen. Waardering heb ik voor Martin Klein, Anne Kox, Robert Schulmann. Die zijn dan ook als fysicus begonnen, hebben er gevoel voor, kunnen ook dwaalwegen aandacht geven. It's a free country, zeggen ze bij ons, en sociologische processen in de wetenschap zijn niet oninteressant. Maar de deconstructivistische benadering wekt bij mij vooral hilariteit.”

Wat is uw band nog met Nederland?

“Als ik op bezoek kom vind ik het heerlijk om in de trein naar Amsterdam zomaar naar small talk te luisteren. Ik woon in twee continenten, maar voel me in de eerste plaats jood. Ik denk omdat dat deel van mezelf het meest op de proef is gesteld.”