In Japan zijn de Ainu niet langer 'barbaren'

Dit jaar brak voor de Ainu, een klein volk uit het Japanse Hoge Noorden, een nieuwe lente aan. Na bijna twee eeuwen van achterstelling besloot de regering in Tokio hun cultuur bij wet te beschermen. De enige Ainu in het Japanse parlement is sceptisch en schuift dichter bij het vuur in zijn huis op Hokkaido.

NIBUTANI, 9 AUG. Als veertienjarig jongetje verliet Shigeru Kayano in de jaren dertig zijn ouderlijke huis om in de bergen als houthakker de kost te verdienen. De ouderlijke woning was niet meer dan een simpel houten optrekje, met een rieten dak en in het midden een open vuur voor de koude winters op het noordelijke Japanse eiland Hokkaido. Met alleen lagere school achter zich en tientallen jaren zwaar werk in de bergen, heeft Kayano inmiddels meer dan 30 boeken op zijn naam staan. Sinds drie jaar is hij lid van het Japanse Hogerhuis in de hoofdstad Tokio. Toch staat zijn woning nog steeds in het gehucht Nibutani in het hoge noorden, waar eens het huis van zijn ouders stond.

“Begrijp je nu waarom ik er een hekel aan heb om mensen te ontvangen in mijn kantoor in Tokio?”, vraagt de inmiddels 72-jarige Kayano in zijn woonkamer, terwijl zijn vrouw in het vertrek ernaast een rieten mat weeft alsof er in al die eeuwen niets is veranderd. “Je moet met eigen ogen zien hoe wij Ainu hier leven.” Kayano is de eerste en vooralsnog enige Ainu in het Japanse parlement.

De Ainu zijn een volk dat in de loop der eeuwen is vermalen tussen de zich uitbreidende Japanse en Russische rijken. In vroeger eeuwen bewoonden ze het Japanse eiland Hokkaido en de omringende gebieden: Sakhalin en de Koerillen - nu Russisch - en het noordelijke deel van het Japanse hoofdeiland Honshu. De strijd met 'barbaren in het noorden' is een doorlopend thema in de Japanse geschiedenis. Bij een van de eerste gedocumenteerde veldslagen, in de achtste eeuw, werd ten noorden van het huidige Tokio nog een keizerlijk leger van vijftigduizend man genadeloos verslagen. Dat was echter niet meer dan een oprisping. Eind vorige eeuw volgde de afronding van deze strijd met de inlijving van het laatste Ainugebied, het eiland dat sindsdien Hokkaido heet.

“Men stal ons grondgebied, verbood de jacht en visvangst en deporteerde ons naar gebieden waar nauwelijks viel te overleven”, zo somt Kayano de essentie van de gebeurtenissen in de laatste eeuw op. Dit voorjaar bereikten de Ainu echter een mijlpaal in hun geschiedenis met de aanname van een nieuwe wet waarmee de regering op zich neemt de Ainucultuur te beschermen. Kayano zelf verwacht niet veel van deze nieuwe wet, maar in ieder geval betekent hij op papier een ommekeer van het Japanse beleid.

Het oude beleid werd in 1986 prachtig verwoord door de toenmalige premier Yasuhiro Nakasone met zijn fel omstreden uitspraak dat “Japan geen etnische minderheden kent”. Met de stroom van buitenlandse invloeden in Japan - van Chinees en Koreaans in de oudheid tot Westers in de moderne periode - is nadruk op de 'uniciteit' van Japan vanouds een van de verdedigingsmechanismen geweest. Nakasone trok deze redenering door en stelde dat de eenvormigheid van het Japanse volk het land een voorsprong in de ontwikkeling naar een “intelligente samenleving” gaf op de Verenigde Staten met zijn “vele zwarten, Porto-Ricanen en Mexicanen”.

De onlangs aangenomen wet is echter uitdrukkelijk bedoeld om “een samenleving te creëren waarin de trots van de Ainu als volk wordt gerespecteerd en bij te dragen aan de ontwikkeling van de verscheidenheid van culturen van ons land.” Ex-premier Nakasone - op 78-jarige leeftijd nog steeds een van de invloedrijkste parlementsleden binnen de regerende Liberaal Democratische Partij - laat desgevraagd via zijn secretaris weten dat hij vóór de wet heeft gestemd omdat recente studie hem heeft geleerd dat de aard van het Japanse volk juist ligt “in de verscheidenheid van prehistorisch Japan”. De nadruk op dit verre verleden is belangrijk en verwijst naar een van de stokpaardjes van een conservatief als Nakasone. De “inheemse, organische aard” van Japan zou het land namelijk “uniek” maken. Door deze eeuwenoude basis zou het zich fundamenteel onderscheiden van de “contractuele aard” van een “door mensenhanden gemaakt” land als de Verenigde Staten, zoals hij in een van zijn geschriften stelt. Nakasone noemt de term 'burgerij', die toch fundamenteel is in een democratie, een “abstract, anti-regerings concept van intellectuelen”.

De afgelopen eeuw had men in Japan echter geen behoefte aan verscheidenheid en werden de Ainu naar de vuilnisbelt van de geschiedenis verwezen. Sindsdien hadden ze moeite te overleven in de koude winters op Hokkaido, omdat belangrijke levensbronnen als hertenjacht en zalmvangst waren verboden, en moesten de Ainu die wèl overleefden zich aanpassen aan de Japanners. Zo werden oude gebruiken als tatoeëring op het gezicht verboden en leerden kinderen uitsluitend Japans op school. De Ainu moesten Japanse namen aannemen, maar stonden tot 1955 in het bevolkingsregister wel geregistreerd als 'inboorlingen'.

Sinds de doorvoering, dit voorjaar, van de nieuwe wet op de Ainucultuur spreken de Japanse schoolboekjes expliciet over het “Ainu-volk”. Ook vermelden de boekjes keurig dat “beëindiging van discriminatie binnen de samenleving een belangrijke taak is voor de Japanners”. Verantwoordelijk redacteur Arai van uitgeverij Shoseki (die 40 procent van de markt in handen heeft) schrijft deze vermeldingen desgevraagd toe aan een “veranderend bewustzijn in de samenleving”.

Het waren juist de pesterijen op school die de 25-jarige Yuko Kaizawa uit Nibutani direct confronteerden met haar 'andere' afkomst. Ze had pas vrede met deze afkomst na een verblijf van een aantal jaren in de metropool Tokio: “Er zijn zoveel verschillende mensen op de wereld en ik bedacht dat ik het leven dubbel kan genieten: als Japanse en als Ainu”. En dus kwam ze terug naar haar geboortegrond Nibutani. Yuko was vijftien jaar geleden de eerste leerlinge van Kayano's eigen schooltje voor onderricht in de taal van de Ainu. “Het fascinerende van de Ainu-taal is de leefwijze die er in verborgen ligt”, zegt Yuko. “Ik pluk graag wilde bloemen om thuis in een vaas te zetten. Maar als ik naar de namen van bloemen in de Ainu-taal vraag dan blijken de meeste gewoon 'bloem' te heten, omdat Ainu er in het dagelijks leven geen gebruik van maakten. Daarentegen is er voor elk minuscuul onderdeeltje van gereedschap wél een aparte benaming. De Ainu hadden alleen woorden voor dingen die ze praktisch gebruikten en respecteerden de natuur. Die houding bespeur ik nog bij Kayano en mijn vader.”

Diezelfde houding noemt Yuko ook de kern van het animistische geloof van de Ainu. “Het feit dat men in alles een god ziet, betekent dat men respect heeft.” Yuko helpt nu op het schooltje van Kayano waar kinderen op zaterdag lessen in de Ainu-taal krijgen en uit de groeiende belangstelling concludeert ze dat de houding jegens de Ainu is verbeterd. “Anders zouden niet zoveel ouders hun kinderen deze lessen laten volgen en zouden de kinderen het ook zelf niet willen.”

Het schooltje is een van de projecten van parlementslid Kayano om de Ainu-cultuur te bewaren. Zijn grote inspiratiebron noemt hij zijn grootmoeder, die hem als kind bij het haardvuur eindeloos in het Ainu de oude volksverhalen vertelde. Een foto van zijn grootmoeder in Kayano's autobiografie toont een personage uit een verdwenen wereld: een oude vrouw met een grote tatoeëring rond haar mond, een van de gebruiken die de Japanners verboden. Het vastleggen van deze cultuur is Kayano's levenstaak. De oude verhalen verschijnen in boekvorm of CD en hij heeft inmiddels ook het eerste woordenboek van de Ainu-taal op zijn naam staan. Naast zijn huis in Nibutani heeft hij een klein museum met gebruiksvoorwerpen ingericht en een aantal huizen nagebouwd in traditionele stijl, zoals de woning waarin hij ooit is geboren.

Met deze activiteiten lijken de mogelijkheden van de Ainu echter te zijn uitgeput. Het dorp Nibutani waar Kayano woont is met n 600 inwoners, van wie zo'n driekwart Ainu, de grootste Ainu-gemeenschap op Hokkaido. Volgens tellingen van de Vereniging van Ainu leven er nu zo'n 25.000 Ainu op hHokkaido, op een eilandbevolking van krap zes miljoen zielen. Dit zijn de mensen die zélf zeggen dat ze Ainu zijn. Volgens Kayano is er een ongeveer even grote groep van Ainu die hun afkomst het liefst vergeten en willen opgaan in de Japanse samenleving. Juist op Hokkaido zelf is de discriminatie tegen Ainu volgens Kayano sterk. Op de andere eilanden is men zich nauwelijks bewust van het bestaan van Ainu en bestaat er dan ook weinig discriminatie. Zo hebben twee van Kayano's zonen buiten Hokkaido hun echtgenote gevonden. De schoonfamilie protesteerde niet.

De Ainu-cultuur is inmiddels niet veel meer dan een onderzoeksobject en een toeristische attractie, zoals de jonge houtsnijdster Maki Kaizawa in haar familiewinkel in Nibutani ervaart: “Terwijl we gedwongen werden Japans te leren, komen hier soms Japanse toeristen die verbaasd zijn dat ik ook Japans spreek. En soms komen er antropologiestudenten die meer van de Ainu-cultuur weten dan ikzelf.”