Een reis langs de slagvelden van moslims, sikhs en hindoes; De bloedige deling van India en Pakistan

Op 14 en 15 augustus 1947 gaven de Britten eindelijk het juweel in de kroon van hun Empire op en werden Pakistan en India onafhankelijk. De vreugde hierover werd overschaduwd door de gruwelijkste moordpartijen tussen moslims, sikhs en hindoes. De bloedige geboorte liet diepe littekens na op de ziel van beide staten. Een reis vijftig jaar later laat zien dat het trauma nog altijd niet is verwerkt. 'We laten ons erg makkelijk verleiden tot geweld.'

Peshawar, Pakistan

Terwijl wij mannen het ons gemakkelijk maken in de met tapijtjes en kussens bedekte woonkamer, serveren de vrouwen kommetjes groene thee en vla met verse pistachenootjes. Van achter hun half-omgeslagen sluier werpen ze steelse blikken op de buitenlandse bezoeker. Buiten joelen kinderen in de amper twee meter brede steegjes, waar het rioolwater in de gootjes kabbelt. In 1947 stroomde hierlangs het bloed van talloze hindoes en sikhs, die zich door een speling van de geschiedenis plotseling in het verkeerde land bleken te bevinden.

“Er gebeurden toen afschuwelijke dingen”, zegt Syed Hassan Shah (81). “Nog steeds staat een knap jong hindoe-echtpaar op mijn netvlies gebrand. Hij lag op straat, getroffen door een kogel in zijn borst. Terwijl zijn vrouw schokkend bij zijn lijk zat te huilen klonk er plotseling vanaf een naburig balkon weer een schot en zeeg ook zij ineen.

“We kregen gruwelverhalen te horen over wreedheden tegen moslims in de Punjab. Zo werd er onrust gezaaid en voor we het goed en wel beseften waren de moordpartijen ook hier in volle gang. Niemand kon het tegenhouden. Iedereen was doodsbang en dacht aan zijn eigen hachje.”

Shah, die nog altijd een zaak drijft in ventilatoren, denkt vaak met heimwee terug aan de jaren voor de deling. “Wij moslims vormden toen maar een minderheid in de oude stad van Peshawar. Ook in deze buurt woonden grotendeels hindoes. Bijna alle winkels waren in handen van hindoes of sikhs. Moslims en hindoes leefden als broeders onder elkaar. Het Britse bestuur zorgde voor rust en orde in de stad.”

De oude handelsstad Peshawar, waar het subcontinent ophoudt en centraal-Aziëee begint, was altijd een smeltkroes van volkeren geweest. Maar in 1947 werd het evenwicht tussen de invloeden uit oost en west abrupt verstoord. De meeste overlevende hindoes en sikhs keerden de stad de rug toe en trokken naar India. In Peshawar is slechts een handjevol hindoe-tempels en gurudwara's, de godshuizen van de sikhs, overgebleven, en enkele honderden gelovigen om ze te vullen. “We hebben hier alle vrijheid om onze godsdienst uit te oefenen”, roept een voormalige bankfunctionaris op bezwerende toon. Maar niet zoveel vrijheid dat hij met naam en toenaam in de krant durft. Ook geeft hij toe dat hindoes en sikhs steeds de adem inhouden wanneer zich weer eens een crisis in de betrekkingen tussen India en Pakistan voordoet of wanneer de resterende 130 miljoen moslims in India in de verdrukking raken.

“En wat hebben we voor onze onafhankelijkheid teruggekregen”, vraagt de oude Shah uitdagend. “Corruptie, vieze straten en goten. De gemeente maakt niets meer schoon en bouwt er niets meer bij. Alle straten en leidingen stammen nog uit de Britse tijd. En van onze vrijheid is ook niets meer over. Toen ik jong was, dronk ik graag een goed glas whisky en hield er een vriendinnetje op na. Dat mag allemaal niet meer van de mullahs en de regering.”

Een paar kilometer verderop verblijft een van de laatste Britten die '1947' nog van nabij heeft meegemaakt, de 82-jarige Michael Close. Tientallen jaren lang doceerde hij Engels op het Edwardes-college van Peshawar, dat met zijn in Mogul-gotiek opgetrokken gebouwen en weelderige tuinen als een verrukkelijke oase in de verder nogal kale stad ligt. Nu bewoont hij met zijn geadopteerde Pathaanse zoon en diens gezin enkele bescheiden vertrekken achter de school.

De in Cambridge als historicus opgeleide Close is ervan overtuigd dat een groot deel van de ellende van 1947 op het conto valt te schrijven van zijn veel geprezen landgenoot Lord Louis Mountbatten, de laatste Britse onderkoning. “Hoewel Mountbatten iedereen verblindde met zijn glamour, was hij eigenlijk een man van middelmatige gaven”, vindt Close, gekleed in een witte shalwar kameez, het pyjama-achtige Pakistaanse gewaad. “Door de haast waarmee hij de onafhankelijkheid invoerde, was hij volgens mij verantwoordelijk voor de bloedbaden waarbij zo'n half miljoen moslims, sikhs en hindoes omkwamen. Verder was het een enorme blunder om het overwegend islamitische Kashmir aan India toe te wijzen. Die beslissing legde een loodzware hypotheek op de betrekkingen tussen India en Pakistan.”

Dehri, Pakistan

In 1947 was Dehri een dorp bij de garnizoensstad Rawalpindi, in de Punjab. Inmiddels is het allang opgeslokt door de almaar uitdijende stad. Het is vrijdag en van alle kanten roepen de muezzin de bewoners via krakende microfoons op tot het gebed. De vruchtbare westelijke Punjab, waar 60 procent van de 140 miljoen Pakistanen woont, vormt het kerngebied van Pakistan.

In 1947 was zowel het aan Pakistan toebedeelde westelijke deel als het aan India toegekende oostelijke deel van de Punjab echter het toneel van moordpartijen, die tot de ergste uit de geschiedenis van het subcontinent behoren.

Een tragische rol was er voor de sikhs, een vergeleken met de moslims en hindoes kleine, maar welvarende religieuze minderheid, die juist in de Punjab sterk was vertegenwoordigd. De martiale mannen met hun tulbanden, baarden en armbanden waren de lievelingen van de Britten geweest en raakten nu plotseling hun comfortabele positie tussen moslims en hindoes kwijt. De moslims gooiden hen uit Pakistan en zo werd India tegen wil en dank hun nieuwe vaderland.

Ook Khurshid-ul-Islam, een 65-jarige advocaat met een wit ringbaardje, heeft zich naar een moskee in Dehri begeven. Na een uitvoerig gebed tot Allah, doet hij bij een glaasje water met rozensmaak het verhaal van zijn jonge jaren: “Er woonden hier toen zo'n vier- tot vijfduizend mensen, van wie ongeveer een kwart hindoes en sikhs. Ik herinner me nog goed hoe er hier in het voorjaar van 1947 een afvaardiging uit de omringende dorpen kwam in de hoop de lieve vrede te redden. Plotseling riep een opruiende moslim dat hij was beschoten door hindoes. Meteen daarna vielen hij en anderen onder het slaken van de kreet Allahu Akbar (Allah is groot) de hindoes aan. Een stuk of negen hindoes van die vredesmissie werden gedood.” Haast verontschuldigend voegt hij er aan toe: “Wat er toen gebeurde zou niet hebben mogen gebeuren, vind ik. Waarom het toch gebeurde? Ik weet het niet. Plotseling viel het niet meer te stuiten.”

Jeet Behn, een 56-jarige sikh die nu in New Delhi woont, vertelde onlangs in het tijdschrift Outlook wat haar familie rond diezelfde tijd in Dehri overkwam. Zij, haar ouders en andere familie kregen een schuilplaats bij een bevriende moslim aangeboden. Een uitzinnige menigte schreeuwde echter dat de sikhs zich tot de islam moesten bekeren. Veel moslims haatten de sikhs in de Punjab omdat die een naar verhouding zeer groot deel van het land bezaten, terwijl zijzelf vaak niet verder kwamen dan baantjes als seizoensarbeider. Jeets vader riep terug dat ze liever zouden sterven dan zich te bekeren.

“Vader overhandigde ons kirpans (het traditionele sikh-zwaard, FvS) en legde ons zorgvuldig uit dat als de meute de deur zou forceren, we ons aan de linkerkant moesten doodsteken. Mijn moeder, die mijn drie maanden oude broertje aan de borst koesterde, wierp zich aan mijn vaders voeten met de woorden 'Red dit kind. Bekeer je nu toch'. Vader negeerde haar. Toen ze bleef aandringen, stond mijn oudere oom op en sneed haar keel door met een kirpan en riep: 'Dit is heiligschennis.' Vader stak haar met bloed besmeurde sluier op de bovenkant van zijn zwaard, rende halfgek naar buiten. Hij werd meteen met messen en zwaarden doodgestoken. Mijn oudste oom die achter hem aanholde, werd op dezelfde manier afgemaakt.

“Een neef die arts was, stond daarna op om te vechten. Maar zijn vrouw hield hem tegen en eiste dat hij dan eerst haar en al de meisjes zou doden voor hij naar buiten ging. Hij stak haar neer, doodde zijn drie jaar oude zoontje, en stak elk van ons neer. Ik heb nog altijd een litteken op mijn schedel van die kirpan-steek. Terwijl wij neervielen rende hij naar buiten en werd binnen enkele seconden gelyncht. Als laatste wankelde mijn tachtigjarige oma naar buiten en zei: 'Wat is dit voor oorlog? Laat me tenminste mijn kinderen nog eens zien.' Ze rukten haar oorringen, armbanden en gouden ketting af. En terwijl ze daar stond te bloeden, stenigden ze haar. Voor ze weggingen maakten ze ook onze bevriende moslim af.”

Op een steenworp van Khurshid-ul-Islam woont de 82-jarige Sheikh Abdul Qadeer. Ten tijde van de bloedbaden van Dehri verbleef hij in New Delhi. Hij was een jonge zakenman, die een woning had naast het riante onderkomen van de vader van Pakistan, Mohammed Ali Jinnah (tegenwoordig de residentie van de Nederlandse ambassadeur). Jinnah, die gedurende de onderhandelingen met Mountbatten, de latere Indiase premier Jawaharlal Nehru en Mahatma Gandhi steeds koppig vasthield aan een eigen Pakistan, gebruikte Qadeer dikwijls als vertaler en ook voor andere klusjes.

“Ik herinnner me nog goed de laatste receptie, kort voor Jinnah voorgoed naar Karachi zou vertrekken”, zegt Qadeer. “Er was een rij van honderden mensen die kwamen om afscheid van hem te nemen. Toen ik aan de beurt was, zei ik: 'Meneer Jinnah, u ziet er erg zwak uit (Jinnah bleek later aan kanker te lijden, FvS), en we hebben u nog zo hard nodig. U moet op uw gezondheid letten.' Jinnah legde toen zijn handen op m'n schouders en schudde me een beetje, terwijl hij zei: 'Ja, jongeman, het was geen eenvoudige opgave een subcontinent te verdelen.' ”

Terwijl Jinnah in Karachi wachtte op de onafhankelijkheid van het nieuwe Pakistan op 14 augustus, begon Qadeer aan een bloedstollende treinreis naar Lahore en Rawalpindi. “Aangezien er toen al veel moorden werden gepleegd op moslims, maakte ik de reservering onder twee hindoe-namen. Ik sloot de deuren van het compartiment, liet de blinden neer en deed het licht uit. Vroeg in de ochtend kwam de trein aan in Amritsar. Het halve station stond in brand. Naast de trein op het perron lagen verscheidene lijken van moslims die in onze trein waren vermoord. Een groep sikhs, met zwaarden waar het bloed nog afdroop, ging onze trein binnen. Maar terwijl ze aan de deur rammelden en er tegenaan schopten, zette de trein zich gelukkig net weer in beweging. Zo werd ik gered.”

Qadeer vertelt dat hij voor de deling samen met een bevriende hindoe uit Rawalpindi een busdienst onderhield naar Srinagar, de hoofdstad van Kashmir. Kashmir, dat zou uitgroeien tot de grootste twistappel tussen het islamitische Pakistan en het door hindoes gedomineerde India. Van een busdienst van Rawalpindi (Pakistan) naar Srinagar (India), door een moslim en een hindoe samen gerund, kunnen op het ogenblik slechts wereldvreemde idealisten dromen.

Lahore, Pakistan

Voor de deling was Lahore de onbetwiste hoofdstad van de Punjab, zo niet van heel Noord-India. Met een zeker déeeeeedain keek de kosmopolitische elite van de stad neer op het kleinere en minder ontwikkelde New Delhi, ook al was dat dan sinds 1911 de hoofdstad van het Brits-Indische rijk. Vooral in de hogere kringen gingen hindoes, sikhs en moslims vrijelijk met elkaar om, al bleef er altijd enige afstand bestaan. Huwelijken tussen hindoes en moslims bleven zeldzaam en men at nooit bij elkaar thuis.

Anno 1997 is de pluriformiteit, die de honderdduizenden hindoes en sikhs boden, verdwenen en is Lahore in omvang allang overvleugeld door Karachi. Het is meer dan 40 graden Celsius in de schaduw en drukkend. Zoals veel inwoners van Lahore heeft de 70-jarige stoffenhandelaar Dildar Hussein zich even te ruste gelegd in een kamertje naast zijn zaak, vlakbij de eeuwenoude Delhi-poort die toegang geeft tot de oude stad. Wanneer hij weer voor de dag komt, doet zijn zoon staande op de toonbank net het middaggebed. Hussein, voorzien van een spierwitte baard en een gebedsmutsje, kijkt streng terwijl hij zijn relaas doet, alsof het onrecht dat hem is aangedaan, hem nog altijd dwarszit.

“Mijn familie en ik woonden in de stad Jallander, die nu in de Indiase Punjab ligt. Na de onafhankelijkheid van Pakistan kregen wij plotseling te horen van de hindoes en de sikhs: Jullie hebben nu een eigen land. Ga daar heen. Enkele dagen later vertrokken we naar Lahore met achterlating van al onze bezittingen, inclusief juwelen. We dachten, dit duurt niet lang, we zijn over een paar weken weer terug. Maar in het opvangkamp in Lahore werd ons na een week of zes te verstaan gegeven: jullie blijven hier in Pakistan wonen en zullen hier sterven.”

Aan de andere kant van de poort, in Lahores dichtbevolkte centrum met zijn labyrint van steegjes, woont de 54-jarige Jafar Raza, die de gebeurtenissen als kleuter zag. “Er zat hier vlak achter een grote bazaar, waar hoofdzakelijk hindoes woonden. Die hindoes hadden de gewoonte elk lichamelijk contact met moslims te vermijden omdat ze die onrein vonden. Als een moslim wat kocht, gaven ze het hem in handen met een papiertje ertussen om direct fysiek contact te vermijden. Dat stoorde de moslims en er bestond altijd enige onderhuidse spanning tussen beide groepen, ook al deed men aardig tegen elkaar. Die spanning ontlaadde zich in 1947. Er kwam bij dat de hindoes dikwijls de pandjesbazen waren en woekerrente vroegen van moslims die spullen bij hen beleenden.”

De grens

Vlak ten oosten van het plaatsje Wagah ligt sinds 1947 een grenspost. Hier passeerden in de loop van 1947 vele honderdduizenden vluchtelingen elkaar in beide richtingen. Nu is het er verbazend kalm. Niets wijst erop dat dit de belangrijkste grensovergang is tussen de tweeling die in 1947 uit hetzelfde ei werd geboren: tussen India met zijn 950 miljoen inwoners en Pakistan met 140 miljoen inwoners. Slechts af en toe wandelen er mensen, al dan niet geassisteerd door in blauwe jassen gestoken kruiers, door het niemandsland tussen de vruchtbare akkers van de Punjab. Een hoogst enkel voertuig passeert. De grens lijkt meer scheidslijn dan overgang.

Bij betreding van het Indiase grondgebied wordt de bezoeker begroet met een bord 'Welkom in de Punjab'. Alsof de gelijknamige Pakistaanse provincie, waar hij zojuist vandaan komt, niet bestaat. De grimmigheid die vroeger heerste tussen Oost- en West-Duitsland ontbreekt hier echter. Militaire uniformen zijn er nauwelijks te zien, ondanks de drie oorlogen die beide staten met elkaar hebben uitgevochten. Aan Indiase kant treedt vertraging op omdat de lunchpauze van de dienstdoende ambtenaar die de paspoorten moet controleren, een gezette sikh, wat is uitgelopen.

Khasa, India

Het dorp Khasa ligt ingeklemd tussen de dodenspoorlijn waarlangs in augustus 1947 Sheikh Abdul Qadeer reisde, en de Grand Trunk Road, de weg van Lahore naar Amritsar en dan verder India in, waarlangs de vluchtelingen in beide richtingen marcheerden. De 61-jarige sikh Kripal Singh drijft er een minuscuul kruidenierswinkeltje dat niet meer dan vier vierkante meter meet. Hij woonde in 1947 met zijn ouders in een ander dorp, nog dichter bij de grens met Pakistan. Daar was liefst 90 procent van de bevolking moslim. Toen bleek dat het potlood van Sir Cyril Radcliffe, de Brit die in de zomer van 1947 vrijwel in zijn eentje de nieuwe grenzen van India en Pakistan trok, het dorp net aan India had toebedeeld en de toestand voor de moslims kritiek werd, vonden de dorpelingen een fraaie oplossing. Singh: “Aangezien er vlakbij ons een dorpje was waar de hele moslimbevolking was afgeslacht, besloten de sikhs en hindoes van ons dorp de moslims naar de grens met Pakistan te escorteren tot ze in veiligheid zouden zijn.”

Enkele oude sikh-boeren even buiten Khasa weigeren iets te zeggen over hun wederwaardigheden in 1947. Zoals veel plattelanders wantrouwen ze mensen uit de stad en vrezen ze dat uit contacten met vreemdelingen alleen maar ellende voortvloeit. De meer orthodoxe sikhs lopen hier nog met een kirpan omgegord, een schouwspel dat in de Indiase steden zelden meer te zien is. Hier en daar zwelgen zwarte waterbuffels in modderige poeltjes. De Indiase Punjab is vooral door het harde werk van de sikhs uitgegroeid tot de graanschuur van het land.

Dan bereiken we het volgende dorpje, waar de 85-jarige Bhola Singh thans woont. Gewapend met een stevige bamboewandelstok en een fel oranje tulband, komt hij aanzetten. Ook de resterende stompjes in zijn mond hebben die kleur aangenomen door het overvloedige gebruik van paan, de in het hele subcontinent intens populaire snack met betelnoot erin. Vijftig jaar geleden dreef Bhola Singh een theestalletje in Khasa. Hij had juist verse melk gehaald toen hij hindoes en sikhs uit het naburige dorp Chicha zag, die bezig waren een groep van zo'n 200 moslims naar Pakistan te escorteren. Bhola Singh: “Juist op het moment dat ik naderde, braken er gevechten uit. Ik dook weg naast de weg en zag hoe de hindoes en sikhs de moslims begonnen te slaan en te steken. Ook roofden ze de waardevolle spullen van de moslims. De lijken gooiden ze later in een put. Sommige moslims ontsnapten.”

“Ik miste de moslims zeer”, zegt de oude sikh, “want ik had veel vrienden onder hen. Na hun vertrek was er plotseling een grote schaarste aan arbeid. Want denk maar niet dat de hindoes die hier toen arriveerden, het vieze werk wilden doen. Die waren meestal flink rijk.”

Amritsar, India

Amritsar is de heilige stad van de sikhs, waar hun indrukwekkende Gouden Tempel staat. Zij was ook het toneel van een incident dat de val van het Britse rijk in het subcontinent bespoedigde. In Jallianwala Bagh, een stukje land bij Amritsar, liet een Britse generaal in 1919 het vuur openen op enkele duizenden vreedzame demonstranten. Honderden doden waren het gevolg. Mahatma Gandhi en veel andere prominenten putten hieruit inspiratie om te strijden voor een onafhankelijk India. De plek, waar later een gedenkpark werd aangelegd, is nu een pelgrimsoord voor vaderlandslievende Indiëeers, die vinden dat het tijd wordt voor een openlijke verontschuldiging van Britse kant. Koningin Elizabeth overweegt nu deze plek te bezoeken. Naast het gedenkpark woonde in 1947 Pushpa Mukherjee. Als bedeesd dertienjarig hindoe-meisje was ze in 1942 vanuit Calcutta naar Amritsar gekomen om daar in het huwelijk te treden, want met de meerderjarigheid van trouwparen heeft men het nooit erg nauw genomen op het subcontinent. De woelige dagen van 1947 beleefde zij als jonge vrouw goeddeels achter gesloten deuren, want daarin zijn alle bewoners van het subcontinent, ongeacht hun geloof, altijd eender geweest: ze zullen alles doen om de eer van hun vrouwen te bewaren. Zeker in tijden van spanningen betekende het dat de vrouwen binnenshuis moesten blijven. Tegelijkertijd leidde deze bezorgdheid er toe dat de mannen doorgaans geen betere manier konden bedenken om hun vijanden te vernederen dan door hun vrouwen te verkrachten of te vermoorden.

Zoals de meeste hindoe-vrouwen gaat de 68-jarige Pusha Mukherjee, gehuld in een elegante saree. Ze spreekt nog steeds bij voorkeur Bengaals, de taal van haar geboorteplaats Calcutta. “Eens zag ik hoe hindoe-mannen moslim-vrouwen met geweld meenamen. Dat was na geruchten dat de moslims hindoe-kinderen in kokende olie hadden gegooid.” Er waren nauwelijks kranten en radio-uitzendingen in die chaotische dagen. In plaats daarvan circuleerden er de wildste geruchten.

“Ik herinner me nog goed hoe blij iedereen was toen India op 15 augustus onafhankelijk werd”, vervolgt Pushpa Mukherjee. “De huizen waren versierd en iedereen was door het dolle heen. Een moslim-buurman van ons was al net zo uitgelaten als wij. Later is die toch naar Pakistan gegaan.” Ze vindt al met al dat er geweldig veel vooruitgang is geboekt. “Er is nu zoveel meer vrijheid dan toen, vooral voor ons vrouwen.”

New Delhi, India

De geschiedenis heeft New Delhi deze eeuw twee keer verrast en beide keren werd de stad in een geheel nieuwe richting voortgestuwd. In 1911 besloten de Britten de hoofdstad van hun rijk te verplaatsen van Calcutta naar het meer centraal gelegen New Delhi. Zo werd de stad voor het eerst sinds de Mogul-keizers weer een regeringscentrum.

De tweede radicale omwenteling kwam in 1947 met de onafhankelijkheid van India. De samenstelling van de bevolking van de hoofdstad veranderde drastisch. Voordien domineerden de moslims, maar na hevige rellen, waarbij tallozen werden gedood, verkozen veel moslims, in het bijzonder hun leiders, de reis naar Pakistan. Degenen die achterbleven, wonen vooral in de verpauperde oude stad en vormen nog slechts een minderheid.

Intussen vestigden honderdduizenden uit Pakistan gevluchte hindoes en sikhs zich in New Delhi. In éeeéeen klap werd dit zo een stad van migranten, vooral uit de Punjab. Zelfs de huidige Indiase premier, de hindoe Inder Kumar Gujral, is afkomstig uit het Pakistaanse deel van de Punjab.

Het kostte veel nieuwkomers moeite hun oude woonplaats te vergeten. Zo ook B.L. Sharma Prem. Tandenknarsend had hij moeten aanzien hoe de westelijke Punjab voor India verloren ging en hoe miljoenen hindoes ten slotte het land moesten ontvluchten. Vooral als actief lid van de Rashtriya Swayamsevak Sangh (het Nationale Vrijwilligerskorps, beter bekend als RSS), een organisatie met fascistische trekken die opkomt voor hindoe-belangen, deed hem dit pijn.

Liggend op een bed onder een ventilator, zijn imposante lichaam slechts bedekt met een lendendoek, verzoekt 68-jarige Sharma zijn bezoeker bij het binnenkomen bars om vijf minuten rust. Even later barst hij los in een tirade tegen moslims. “Alle gewelddadigheden van 1947 begonnen met de moslims”, bast hij. “De hindoes en sikhs reageerden daar alleen maar op. Zolang de Koran nog op deze aardbol is, kan er geen vrede zijn. Alle niet-moslims moeten zonodig met geweld worden bekeerd. De islam gelooft in één god maar in twee soorten mensen.

“Voor mij vormt de vijftigste verjaardag van de Indiase onafhankelijkheid waarachtig geen feestdag. De volledige onafhankelijkheid van Hindustan (India) is immers pas bereikt wanneer Pakistan bij ons terugkomt, dat we alleen maar verloren hebben door de domheid en lafheid van de leiders van de Congrespartij. In navolging van de joden, die elkaar vroeger in de diaspora 'Volgend jaar in Jeruzalem' toewensten, is mijn motto: volgend jaar in Lahore.”

De gevierde architect en beeldend kunstenaar Satish Gujral (71), broer van de huidige premier, kroop in de zomer van 1947 door het oog van de naald in Lahore. “Ik was op weg naar het station, nadat ik door een moslim-meute was achtervolgd, en wilde per trein vluchten. Toen ontdekte ik dat ik niet genoeg geld voor een kaartje bij me had. Achteraf hoorde ik dat die dag alle hindoes die het station betraden, waren vermoord.”

Later, kort na de Pakistaanse onafhankelijkheid, reisde hij met zijn vader, een vooraanstaand politicus, met een militair escorte terug naar de stad Jhelum, ten noorden van Lahore. Ze probeerden er tot de lente van 1948 het beste van te maken voor de hindoes in Jhelum. Uiteindelijk werden echter allen op transport naar India gesteld. “Zeker tien procent van de konvooien werd totaal uitgemoord”, aldus Gujral. “Het treurigst van alles was het lot van een groep jonge vrouwen die waren ontvoerd en verkracht. Nadat we hen met veel moeite hadden opgespoord, werden zij verstoten door hun eigen families.” Gujrals ouders zetten daarop een huis op voor zulke vrouwen in Jallander.

Satish Gujral is opgetogen over de prestaties van het onafhankelijke India. Van kritiek op de alom verbreide corruptie onder politici wil hij niet horen. “We zijn in staat bijna drie keer zoveel Indiërs te voeden als toen we onafhankelijk werden. Er is een heuse middenklasse ontstaan. Meer dan de helft van de Indiërs kan nu lezen of schrijven.” Volgens hem zijn de religieuze tegenstellingen in India ook nooit zo diep geweest als sommigen hebben beweerd. “Mijn eigen zoon is bijvoorbeeld met een moslim-meisje getrouwd. Alle onlusten zijn altijd politiek gemotiveerd geweest. Provocateurs plegen enkele moorden en je hebt de poppen weer aan het dansen.

“Alleen de verschillen in religie kunnen zulke uitbarstingen van geweld als in 1947 niet verklaren”, stelt Gujral. “Het leeuwendeel van de moslims op het subcontinent, zelfs Jinnah, zijn en waren bekeerde hindoes.” De kunstenaar vermeldt hier echter niet bij dat de meeste bekeerlingen hindoes uit de lagere kasten en kastelozen waren, die in de islam een weg zagen om zich aan het onderdrukkende kastenstelsel te ontworstelen.

Een schrijver als Khushwant Singh, een 82-jarige sikh die in 1947 eveneens uit Lahore moest vluchten, geeft toe dat de tegenstellingen tussen moslims en hindoes de laatste jaren zijn afgenomen, maar de oorsprong van de spanningen moet volgens hem veel dieper worden gezocht. “Het heeft vooral met de geschiedenis te maken”, aldus Singh thuis in New Delhi. “De moslim was sinds de dagen dat hij hier als veroveraar kwam, omstreeks het jaar 1000, nooit aanvaard. Er was een sociale boycot van alle moslims en Indiërs die zich tot de islam bekeerden. De hindoes, die altijd ruimschoots in de meerderheid bleven, behandelden hen als collaborateurs. Op het eerste gezicht leken de beide gemeenschappen in vrede met elkaar te leven. Sommigen werden min of meer vrienden en bezochten zelfs elkaars bruiloften en begrafenissen. Maar ze nodigden elkaar nooit thuis uit. Voor een hindoe was een moslim erger dan een onaanraakbare, die viel niet te definiëren.”

Singh heeft nog een andere pijnlijke conclusie in petto voor zijn landgenoten: “We zijn een buitengewoon intolerant volk”, zegt hij. “We laten ons erg makkelijk verleiden tot geweld. Al die legendes rond Gandhi en de geweldloosheid van de Indiërs slaan nergens op. En vooral religieuze verschillen kunnen we volstrekt niet accepteren. Achter dat alles schuilt de geschiedenis. Die werpt zijn schaduw over dit land, tot op de dag van vandaag.”