DE REDDING VAN EEN DIEPVRIES-SALJOET

Het Russische ruimtestation Mir mag de laatste tijd dan vooral geschiedenis hebben geschreven door allerhande ongelukken en incidenten, toch is er in dit opzicht niets nieuws onder de zon. Met de voorgangers van de Mir, de Russische Saljoets en het Amerikaanse Skylab ging het ook meer dan eens echt niet van een leien dakje.

Tijdens de missie van Saljoet-7, gelanceerd op 19 april 1982 en een voorloper van de Mir, had een reddingsoperatie plaats waarover in de Russische ruimtevaartwereld nog altijd met groot ontzag wordt gesproken. Die operatie zal de nieuwe bemanning van de Mir (Anatoli Solovjov en Pavel Vinogradov) tijdens haar laatste trainingsweken op aarde ongetwijfeld zijn voorgehouden als voorbeeld van een ogenschijnlijk onmogelijke actie die toch met volledig succes werd bekroond. Op 2 oktober 1984 was een bemanning van Saljoet-7 na een verblijf in de ruimte van 237 dagen (in die tijd een record) per Sojoez T-11 naar de aarde teruggekeerd. Een van de drie bemanningsleden was Vladimir Solovjov, de tegenwoordige Mir-vluchtleider in Koroljov. Saljoet-7 zou tijdelijk onbemand blijven, maar - zo was al aangekondigd - het jaar 1985 zou 'nog veel meer activiteit aan boord van Saljoet-7 te zien geven'. En toen, begin februari 1985, gaf het ruimtestation plotseling de geest. Het radiocontact tussen het vluchtleidingscentrum en de Saljoet liet volledig verstek gaan.

Slechts aan de hand van radarmetingen kon de positie van het ruimtestation nog tamelijk nauwkeurig worden bepaald. En een maand later lieten de Pravda en het persbureau Tass weten dat Saljoet-7 “zijn geplande taak volledig heeft volbracht, dat het station nu op non-actief is gesteld en dat het zijn vlucht automatisch voortzet”. Met andere woorden: de autoriteiten hadden Saljoet-7 opgegeven. Toch kwam er een reddingspoging. Kosmonaut Vladimir Dzjanibekov, een ervaren veteraan, werd aangewezen als gezagvoerder van Sojoez T-13, Viktor Savinyk was zijn boordwerktuigkundige. Drie maanden lang bereidden ze zich voor op de uitvoering van hun 'mission impossible', op 6 juni 1985 gingen ze van start. Het rendez-vous verliep redelijk vlot, maar de inspectie van de Saljoet, op een afstand van ruim vijftig meter, maakte de kosmonauten niet vrolijker. “Het lijkt wel alsof er een zware storm overheen is gegaan”, liet Dzjanibekov de vluchtleiding weten. Het heldergroene exterieur van Saljoet-7 was veranderd in een onbestemd grijze massa, de isolerende bekleding was beschadigd en de zonnepanelen hingen in een zinloze positie. Het was toen al duidelijk dat het ruimtestation in 'diepvries-toestand' om de aarde cirkelde.

Het enige pluspunt was dat de twintig ton zware kolos slechts betrekkelijk langzaam om zijn as tuimelde. En dat maakte de riskante koppeling toch mogelijk; een koppeling die door Dzjanibekov volledig met handbesturing werd uitgevoerd. Pas toen begon het eigenlijke karwei in een pikdonker (want stroomloos) ruimteschip waarvan het interieur met ijs bedekt was. Het bepalen van de aan boord heersende temperatuur deden de twee in dikke winterkleding gestoken kosmonauten op een nogal ongebruikelijke manier. Ze spuugden op de wand en stelden vervolgens vast hoe lang het duurde voordat hun speeksel bevroren was. De binnentemperatuur bleek tien graden onder nul te zijn. Dzjanibekov: “Het was er zo stil dat ik mijn eigen hartslag kon horen.” De kosmonauten droegen een tijdlang zuurstofmaskers, maar de lucht was, hoewel muf en ijzig koud, niet bedorven. Ze konden, nadat ze de zonwering voor de patrijspoorten hadden weggeschoven om weer wat licht en vooral warmte binnen te krijgen, aan boord van de Saljoet uitsluitend werken tijdens de periode dat het toestel zich boven de door de zon beschenen kant van de aarde bevond. De overige tijd brachten ze door in de uiterste welkome warme beschutting van de aangekoppelde Sojoez. Bijna 24 uur achtereen waren Dzjanibekov en Savinyk in de weer, voornamelijk met het elektrisch systeem. Oorzaak van alle ellende bleek een falende schakelaar.

Twee van de acht batterijen waren onherstelbaar beschadigd, de overige zes werden rechtstreeks verbonden met de zonnepanelen, waarbij kabels werden gebruikt die van verschillende plaatsen uit het ruimtestation werden 'geleend'. Daarnaast werd de Saljoet met behulp van de Sojoez-stuurraketten zodanig gedraaid dat de zonnepanelen weer op de zon gericht waren en de batterijen geleidelijk aan konden worden opgeladen. De kosmonauten werden ook nog eens geplaagd door gebrek aan drinkwater. Ze hadden wel hun eigen voorraad voor acht dagen meegenomen, maar na tien dagen was het water in de Saljoet-tanks nog steeds bevroren. Pas op de elfde dag begon het te smelten. Aan de ene kant erg prettig, anderzijds een nieuw probleem; ook het ijs op de leidingen, de wanden en de patrijspoorten smolt en dat leverde behalve wateroverlast ook gevaar voor kortsluiting op in het weer tot leven gekomen elektrisch systeem. Toen de voorraad papieren zakdoeken en servetten was uitgeput, dweilden de uitgeputte ruimtevaarders verder met gebruikt ondergoed.