De nieuwe Nederlander is aardig en woont in Hoofddorp; Paradijs op stalles

Nooit hadden ze gedacht terecht te komen in rijtjes- woningen met prefabwandjes. Maar ja, Amsterdam werd te duur, te druk, te eng of te allochtoon en Aerdenhout was te hoog gegrepen. Zo, en met dank aan Schiphol, is Hoofddorp in dertig jaar acht keer zo groot geworden. Dik Trom heeft plaatsgemaakt voor de nieuwe Nederlander: aardig, open en altijd in voor een praatje - mits buiten de voordeur.

Hét Paradijs ging te ver als naam voor het overdekte winkelcentrum in de Hoofddorpse wijk Overbos, compleet met supermarkt, snackbar, videoverhuur en Blokker. 't Paradijs klinkt gewoner. Geluk is haalbaar in Hoofddorp: de rust en privacy van het huis, de tuin, de auto op loopafstand. Informeel en zonder pretenties. Dat valt het eerste op in deze groeigemeente: het gemak van contact, de snelle gemeenzaamheid van bewoners die vreemdelingen groeten - want ze zijn zelf nieuw.

In Hoofddorp leeft de nieuwe Nederlandse mens: aardig, open, rusteloos en bang voor bemoeizucht. Hij maakt graag een praatje - mits buiten de voordeur. Ook in als knus bedoelde wijkjes worden hagen en schuttingen hoger. De inwoner van de naburige grote steden leeft op zichzelf en kent vaak zijn buren niet eens. In het oude plattelandse Hoofddorp wist iedereen álles van elkaar. De bewoner van de nieuwe tuintjesstad houdt wel van de gemoedelijkheid van het platteland, mits die geen verplichtingen schept. Hij hecht aan zijn privacy. De nieuwe Hoofddorpenaar praat graag over de heg, maar houdt zijn voordeur gesloten.

In de afgelopen dertig jaar verachtvoudigde Hoofddorp van 8.639 tot 65.136 inwoners. Van een rustig, oud, agrarisch centrum voor efficiënte boeren, werd het een boomtown van over elkaar struikelende uitbreidingsplannen. Al dertig jaar veroveren bulldozers en bouwkranen are op are landbouwgrond. De stadsbestuurders hebben voortvarend de oude, intieme dorpskern afgebroken om plaats te maken voor een overdekt winkelcentrum en zelfs een stadhuis met theater, net als in het grote Amsterdam. In een nieuw kantoorgebouw aan een onafzienbare parkeerplaats, die grenst aan een boomgaard met grazende schapen en geiten, is nu het bestuur van de gemeente Haarlemmermeer ondergebracht.

Uit alle omliggende steden, Amsterdam, Haarlem, de bollenstreek en zelfs Den Haag, zijn de bewoners in dit middelpunt van de Haarlemmermeerpolder aangespoeld. Ze vinden deze voormalige boerenstee niet het mooist, maar wel het handigst. Lokale trots ontbreekt. Het Haarlems Dagblad slaagde er niet een nieuw Haarlemmermeers Dagblad te maken. Bioscopen en bruine café's ontbreken. Gezelligheid en sfeer zoeken de bewoners in hun vroegere woonplaatsen, op minder dan een half uurtje met de Opel Astra. En op een kwartiertje afstand begint de vakantie per chartervlucht.

“Hoofddorp is niet een geweldige plaats, maar de woningen zijn goed, de Randstad is goed bereikbaar en het werk is dichtbij”, zegt H. Poulsen, sociologisch onderzoeker voor de gemeente Haarlemmermeer. Er kwam gezinsuitbreiding en de grote stad werd te duur, te druk, te eng of te allochtoon. Aerdenhout, Bloemendaal of Bilthoven waren te hoog gegrepen. Hoofddorp is 'n paradijs op stalles, met slechts files en hondenpoep als grootste bedreiging.

Freelance-regisseur Niek Vink had gezworen dat hij nooit in zo'n spiksplinternieuwe rijtjeswoning met prefabwandjes terecht zou komen. Maar ja, Amsterdam en Haarlem waren onbetaalbaar. Zijn kennissen konden eerst niet begrijpen wat hij met vrouw en kinderen op het kale woonerf van Nyenburg zocht. “Maar ja, dan gaan ze zelf zoeken en komen ze ook terecht in een wijk als deze. Iedereen is zo druk bezig anders te zijn dan anderen, daar gaat veel te veel energie in zitten.”

Met vier tot vijf procent werkloosheid ligt Hoofddorp in het economische centrum van de Randstad, pal naast Schiphol, aan de autobaan en het spoor tussen Den Haag, Leiden en Amsterdam in. Geen voorstad, maar een groen agglomeraat op zichzelf, met het gemoderniseerde stadscentrum aan de oostrand. Aan het andere einde worden nieuwe woontapijten uitgerold. Tussen het centrum van Hoofddorp en Schiphol, langs Polaris Avenue, groeit een betonnen maanlandschap met glazen kantoren van internationale bedrijven die denken op Schiphol te zijn gevestigd. McDonald's, meubelhallen, een fritesfabriek. Aan de horizon stijgen en dalen vliegtuigen. Overal rondom wordt geheid, gebouwd, geasfalteerd, gereden, geronkt en gepland.

Een derde van de inwoners gaat elke dag naar omliggende kantoren, en de groene weduwe van weleer werkt ook. In de volcontinudienst van Schiphol werkt zeventien procent van de Hoofddorpse beroepsbevolking. De kritiek van Milieudefensie op Schiphol roept hier dan ook agressieve reacties op. De gemeenteraad is deze zomer, weliswaar onder het stellen van milieuvoorwaarden, akkoord gegaan met verdere uitbreiding van de intensieve vliegtuighouderij.

Van de economische zuigkracht van Schiphol, de omliggende grote steden en de steeds grotere economische belangen in de omgeving, werd de gemeente steeds meer speelbal. Schiphol kocht gronden op om het vliegveld uit te breiden. Bedrijven bouwden kantoren en opslagplaatsen. Prachtige oude monumenten sneuvelden. Grote stukken grond werden onteigend.

Was vroeger het stadhuis het machtsstrijdperk en soevereine centrum voor wat er in de gemeente gebeurde, nu wordt er een 'planologisch kooigevecht' geleverd, waarbij de gemeente slechts één van de partijen is. De macht begint bij de hoge controletoren van Schiphol. Deze begrenst met de aanvliegroutes de mogelijkheden van Hoofddorp, bewaakt het luchtruim en de directe omgeving, let zelfs op de vogels. Schiphol stelt steeds meer veiligheidseisen. Verder storten alle belangengroepen zich op de ruimtelijke ordening. De werkgevers, de Kamer van Koophandel, milieugroepen, woningbouwcorporaties, de provincie en de gemeente zelf - ieder wil een eigen plan laten opstellen. In het daarop volgende gevecht, half publiek, half in achterkamertjes, wordt bepaald wat er met de nieuwe ruimte zal gebeuren. “De gemeente begint steeds beter te begrijpen wat haar positie is”, zegt Marien de Lange, hoofd van de planningsafdeling in het stadhuis. “We kunnen niet alles alleen bepalen. We moeten horen hoe de anderen erover denken en dan proberen we zoveel mogelijk voor elkaar te krijgen.”

“Alle modes op het gebied van bouwen en ruimtelijke ordening zijn in Hoofddorp als jaarringen te vinden.” In zijn werkruimte in zijn Amsterdamse huis heeft planoloog Tjerk Ruimschotel, een van de initiatiefnemers van de Nieuwe Kaart van Nederland, de Haarlemmermeer op plastic zeil aan zijn voeten. Hoofddorp ligt in het centrum. Binnenin de oude, grote huizen, daaromheen de saaie jaren-zestig-wijkjes met hun tweekappers, vervolgens de knusse, opeengepakte woonerven en dan het meer op rust en privacy ingestelde Toolenburg met lanen en brede, kort geschoren groenstroken: “Een wijk met allure.” Veel Hoofddorpenaren verhuizen erheen, omdat het beter bevalt dan hun oude huis. In het zuidoosten wordt een nieuwe wijk op eilanden voorbereid, waarbij huizen hun eigen uitzicht op het water krijgen.

Plannen, nota's en structuren buitelen over elkaar heen: PKB (Planologische Kernbeslissing) Schiphol, de Partiële herziening ANZKG, het Regionaal Orgaan Amsterdam (ROA) Structuurplan 1995-2005, en het gemeentelijke Structuurplan 2005 of de Nota Ruimtelijke Ontwikkeling Noord-Holland. Wijken die eerst aan de rand van de nieuwe zouden liggen, met een ver uitzicht, worden opeens toch 'ingedikt' met meer woningen en omsingeld door zandhopen voor het bouwen van alweer nieuwe woonwijken.

Als het nabije zicht op de weidse polder verloren gaat, komen de burgers in het geweer om de luttele stukjes groen in de ingesloten wijk nog te behouden. Dergelijke actiegroepen verenigen de aanvankelijk versnipperde buurt. Maar zodra de actie voorbij is, geslaagd of mislukt, valt de coalitie uiteen. Zo groeien in de lage polders stedelijke bouwrafels van nieuwe Vinexlocaties, verbonden met oude dorps- of stadskernen. “Er ontstaat een soort Los Angeles”, zegt Ruimschotel. “Daar is niets op tegen. Het is een uitdrukking van de sociale cohesie in het gebied: die is heel laag.”

Binnenzeetje

De rijzige gestalte van burgemeester Cor van Stam die in de avondschemering met fladderende jaspanden, buik vooruit, eenzaam op het lange, kale perron aan de hoge spoordijk stond. Op het nieuwe station, zíjn station. Dromerig keek de notabele naar de treinen waarvoor hij had gevochten. Aanvankelijk had de NS Hoofddorp willen overslaan en meteen van Schiphol doorstomen naar Leiden. Nu staan de Hoofddorpse perronnetjes middenin het kantoorpark, aan de grenzen van de groeiende stad. De meeste Hoofddorpers verkiezen de lange file op de Kruisweg naar de autobaan boven openbaar vervoer. Het station zal zijn marginale ligging altijd behouden omdat aanvliegroutes verdere uitbreiding van de stad in de richting van Schiphol onmogelijk maken.

De inmiddels overleden Anti-Revolutionaire boerenzoon Van Stam, ex-verzetsleider die in de oorlog joden bij het onderduiken hielp, geldt als de vroede vader van de huidige Haarlemmermeer. In 1972 werd hij als wethouder van openbare werken bevorderd tot burgemeester. Dat bleef hij tot 1983. Hij was gehecht aan de intimiteit van het dorp, burgers die ouder werden dan 85 kregen hem op bezoek. Hij hield van de open vergezichten van de polder, maar hij wilde ook met zijn tijd meegaan, expanderen, moderniseren. Hij was aannemer geweest. Hij wilde woningen bouwen voor de mensen. Onder Van Stam werd de Haarlemmermeer groeigemeente.

Van de boeren kwam weinig verzet tegen de modernisering. De polder is nog geen 150 jaar oud, het aantal generaties boeren is beperkt en ze liepen altijd voorop met moderne landbouwmethoden. Toen de Haarlemmermeer in 1850 kaal werd opgeleverd, moesten ondernemende boeren maar wat van de nieuwe bodem zien te maken, zonder veel overheidshulp. De polder was niet drooggemalen voor de boeren, maar ter overwinning van het gevaarlijke binnenzeetje dat steeds meer gebied in bezit nam en malaria verspreidde. Na het droogmalen kwamen uit de verre omtrek boeren om de zware klei op reusachtige kavels te bewerken. Trotse protestantse families als de Colijns en de Biesheuvels trokken jaarlijks hun voren door het land. Ze namen hun Zaanse bewerkte gevels, Noord-Nederlandse kop-hals-romp of stolpboerderijen mee. De stijlen staan gebroederlijk naast elkaar. De hele polder met de boeren op het land, de buitenlui in de negentien randdorpen, de cafétjes en hoerenkasten langs de vaarten, en de burgers in Nieuw-Vennep en Hoofddorp, het werd één gemeente, Haarlemmermeer.

Van de oude boerengemeenschap uit de tijd van Dik Trom is weinig over. Toen Schiphol met het opkopen van de grond begon, gingen de boeren niet met rieken en tractoren naar het stadhuis om te protesteren, maar ze verkochten. Liever bleven ze het land bewerken, maar als het weg moest, dan maar voor een goede prijs. Velen zetten hun roeping elders voort, in Australië, in de Flevopolder of een paar kavels verder. In de voormalige modelboerderij langs de autoringweg is Claus Partycentrum gevestigd. Het omvat onder andere bistro Dik Trom, een bowling en ballroom La Frivolité met een show van een nachtclubeigenaar “die geen blad voor de mond neemt”.

De uitgestrekte, rechthoekige aardappelvelden werden woonerven met losse kinderfietsjes, lease-auto's in de carport, de geur van Kip Croma, wegen, pakhuizen en kantoren. “Als ik in Hoofddorp rondloop, voel ik me een oude man. Zo nu en dan zie ik nog een bekende kop”, zegt fotograaf Theo Baart (39), die in Hoofddorp is opgegroeid en er sindsdien is blijven fotograferen. “Het lijkt op Rotterdam na de bombardementen.”

Geweerschoten

Als jongste onderwijzer had Willem van Toorn in 1960 nog de loonzakjes bij het stadhuis opgehaald en per fiets uitgedeeld op scholen. Een van zijn collega's pakte na schooltijd het geweer om op fazant, patrijs en haas te jagen. Zijn leerlingen dreven het wild op. Bij zijn aankomst waren hij en zijn vrouw als nieuwe dorpsnotabelen uitgenodigd voor de tennisclub. Dat was een hele eer. Zijn vrouw, een echte Amsterdamse, voelde weinig voor dergelijke plichtplegingen. Anders dan de oude dorpelingen waren ze dus al. Ze woonden in een oud, ruim huis, een onderwijzersgezin waardig, achter de boomgaard van een voormalige bedrijfsopzichter van een grote boer.

In zijn roman Een leeg landschap (1988, Querido) beschrijft Van Toorn zijn vervreemding van de nieuwe stad die ontstond uit het oude dorp. In de nieuwbouwtuinen werden barbecues gehouden, vond heimelijke partnerruil plaats met werktuigelijke seks die “met liefde niets te maken had”, eerder met “hebzucht” en de “angst om oud te zijn”. De mensen hadden “van die lijven die de indruk maken dat ze één keer per maand naar de garage gaan, net als auto's”.

De nieuwe bewoners dachten dat de boomgaard van de buurman een publiek park was en kwamen er appels plukken, tassen vol. Ze schrokken van de geweerschoten in het weiland en keken uit het keukenraam. Er werden dieren neergeknald! Jonge moeders maakten protestborden tegen de jacht en trokken op naar het stadhuis. De burgemeester stond hen beleefd te woord zonder actie te ondernemen. Hier botsten twee culturen.

Inmiddels zijn de akkers waar wordt gejaagd aan het gezicht onttrokken door autowegen en geluidswallen. En er komt alweer een nieuwe rijksweg, want Schiphol wil nog verder uitbreiden. Niek Koeckhoven (40) is de voorzitter van de Werkgroep Schipholboeren. “De waarde van de grond stijgt wel iets, maar het is geen kip met gouden eieren”, begint hij voorzichtig. Koeckhoven is een goedgeschoolde, zakelijke Haarlemmermeerse boer, die voor de veranderingen is uitgerust. Hij zit in het bestuur van de naburige McCain-fabriek, die bij de aardappelboeren inkoopt om de patatten van heel Nederland voor te bakken.

In zijn tegen vliegtuiglawaai geïsoleerde boerderijwoning zit hij aan de koffie. Tweehonderd meter verderop staat de boerderij waar zijn grootouders in 1910 begonnen. Zevenenzeventig hectare heeft Koeckhoven nu. Twintig verloor hij aan industriegrond, vijftig kocht hij erbij in het naburige Nieuw-Vennep. Daar gaan hij en zijn vrouw straks wonen. Hij verheugt zich op de dorpsfeesten en de hechte dorpskern. Hoofddorp heeft hij opgegeven. De nieuwe Hoofddorpenaren zijn wel aardig, maar voor een loterij met een auto als hoofdprijs moet de katholieke kerk acht maanden leuren; in Nieuw-Vennep zijn de lootjes van de kerkparochie in drie weken uitverkocht. Vroeger zat Koeckhoven op de basketbalclub en kende hij bijna iedereen. Nu heeft teamsport afgedaan en zijn individuele sporten populair, joggen, squash. “Een echt dorp is het niet meer”, verzucht hij.

De orde van de dag

Aan de achterzijde van winkelcentrum 't Paradijs ligt De Ark, een gebouw waar katholieken, gereformeerden, hervormden en wie maar wil, gezamenlijk kerken. Elke dinsdagmiddag, als er markt is op de met witte dorische zuilen versierde agora, krijgen toevallige bezoekers thee of koffie. Een vijftiental mensen praat aan een lange rechthoekige tafel in het ruime voorportaal van de kerk. Bekenden groeten elkaar, maar ook nieuwelingen worden meteen onthaald op een kopje. Het gesprek kan over het weer gaan, maar een onbekende kan ook plotseling zijn hart uitstorten, over een ziekte, een oorlogstrauma. Dan gaat men weer over tot de orde van de dag.

“De anonimiteit heeft iets positiefs”, zegt dominee Rien Wattel (50), met een klein rond brilletje en in kakibroek met groen jasje. “Hier kun je zoveel van jezelf laten zien als je wil. In een hechte gemeenschap ligt dat moeilijker. Als je daar iets over jezelf vertelt, kunnen de anderen de rest van het plaatje gemakkelijk invullen.” Hoofddorp weerspiegelt de sociale tweeslachtigheid van de moderne mens. “Enerzijds is er de hang naar het individuele en naar de eigen levensstijl. Anderzijds kun je niet zonder contacten. Maar de mensen mogen zich niet te veel met je leven bemoeien.”

Iedereen heeft zijn eigen netwerkje dat ver buiten de buurt ligt: vrienden in Amsterdam of Haarlem, een oude sportclub in Aalsmeer. “De vrienden van het werk zijn anders dan de vrienden thuis. Mensen maken gauw de balans op: 'wat heb ik eraan?' ”

In een dergelijke omgeving kunnen aardige buurtbewoners hun kinderen vermoorden, terwijl niemand er het fijne van weet. Wattel, die opgroeide in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt, weet niet wat de mensen in zijn buurt doen. Sommigen komen laat in de nacht thuis. “Misschien wel ploegendienst op Schiphol”, zegt hij, “of een misdaadsyndicaat, wie weet.”

Er zijn wel manieren om vrijblijvend contact te leggen. “Mensen met kinderen voelen zich het meeste met de wijk verbonden”, zegt hij. Ouders komen elkaar tegen op speelplaatsen of de school van hun kinderen. En als er geen kinderen zijn, fungeert de hond als snelkoerier naar andere hondenbezitters of buurtbewoners. “Als die dan ergens aan het snuffelen is, kun je met een half oog hier en daar naar binnen kijken en dan zie je 'oh die woont daar'.”

In de vrijblijvendheid van zo'n nieuwbouwwijk moet Wattel aan marketing doen. Voor deze nieuwe multireligieuze eenheid stuurt Wattel folders naar nieuwkomers en organiseert hij elke tweeëneenhalf jaar een lustrum, een voor de kerk en een voor het gebouw. Sommigen willen alleen gedoopt worden of trouwen. Anderen prefereren het koffie-uurtje boven de zondagviering. Sommigen kerken nog in hun vroegere stad. Er zijn gespreksgroepjes en elke donderdagavond een vesper. Ieder stelt zijn eigen gebruikspakket samen. “Als kerk moet je een goed product leveren”, zegt Wattel.

Als Joop (66) en Jopy (64) Kersten de straat oplopen, is de wijk Toolenburg vrijwel leeg. Vrijdagmiddag vier uur, de meeste ouders werken nog, de kinderen zijn op school. Met hun draadloze telefoon op zak wandelen de Kerstens langs de brede grasstrook voor hun seniorenwoning. Toen ze hier kwamen wonen was hun tuintje niet meer dan wat plankieren over een hoop nat zand. Nu staan er viooltjes aan de rand van grinttegels. “Het is net een huisje bij Sporthuis Centrum dat ik heb gehuurd”, zegt Joop tevreden.

Aan de horizon glijden vliegtuigen met nauwelijks hoorbaar geronk naar hun landingsplaats. Joop wijst naar de speciale 55+-woningen die ruimer zijn dan zijn eigen 65+-verdieping. Anderhalf jaar geleden verhuisden ze van hun vroegere Haarlemse buurt Schalkwijk hierheen. Daar kenden ze bijna niemand meer. Oude vrienden waren vertrokken. Arme immigranten bevolken nu de kleine appartementen.

Langzaam keert per auto het leven terug in de nieuwe wijk. Handige drie- of vijfdeurs middenklassers rijden de parkeereilanden van de straten op. Een Japanse versie van de spacewagon arriveert, kinderen en bijbehorende attributen worden uitgeladen. En daar is ook overbuurman Ad Alberts, onderwijzer en organist, met zijn kinderen. Het grasveld en de speeltoestellen raken langzaam vol. Joop en Jopy Kersten kijken toe, zoals elke dag. Soms krijgen de kinderen snoepjes van ze. “Zo doe je ook contact op met de ouders”, zegt Joop.

Er staan wel ouders bij de grasstrook, maar de meeste kinderen mogen zonder toezicht spelen met hun vliegtuigjes en ballen. “Er wordt in de buurt op de kinderen gelet”, zegt onderwijzer Alberts, terwijl hij een emmer met visjes keurt die zijn kinderen uit de sloot hebben gehaald. Alberts geeft les op een school in Hoofddorp, maar bespeelt nog altijd het orgel in de kerk van zijn voormalige woonplaats Bennebroek.

Hoofddorp is niet meer dan een van de plaatsen in het dagelijks leven van zijn bewoners. Dat geldt des te sterker voor mensen die geen kinderen hebben. Mariëlle Rutte, die tegen vijven van haar werk uit Amsterdam terugkeert, wil “mettertijd” wel kinderen, maar voorlopig geniet ze nog van haar bewegingsvrijheid. Waarom woont ze dan niet in de grote stad, dichtbij het vertier? In Amsterdam zou ze voor geen goud willen wonen, zegt ze, je kunt er nooit parkeren, en al die buitenlanders. Als ze Amsterdam in moet, neemt ze daar bij wijze van uitzondering de tram, anders komen er krassen op de auto. Ze verontschuldigt zich, want ze heeft haast. Ze moet weer door. Naar vrienden. Die heeft ze overal zitten, behalve in Hoofddorp. Ze kan dus geen moment zonder auto, want niet Hoofddorp maar de hele Randstad is haar leefgebied.