De Inuit weggevaagd; Tien dode indianen ontwrichten samenleving

ER ZIJN VELE voorbeelden bekend van ontdekkingsreizigers, antropologen en onderzoekers die ziekten overbrengen op de inlandse bevolking.

Captain Cook bracht venerische ziekten op Hawaiï en honderdduizenden Zuid-Amerikaanse indianen lieten het leven door aandoeningen die Spanjaarden en Portugezen meebrachten. In Noord-Canada, dat sinds de komst van (Europese) blanken een lange ziektegeschiedenis kent, loopt dit in 1960 uit op een medische blunder die een Belgische missionaris in de schoenen wordt geschoven. Achteraf blijkt een röntgenteam de Inuit tijdens een routine-onderzoek besmet te hebben met de A-griep. Gevolg: meer dan tien doden en een ontwrichte samenleving.

In Canada waren het eerst ontdekkingsreizigers die ziekten overbrachten en vervolgens walvisvaarders en (pels)handelaren, die vanaf 1910 circa 200 handelsposten in het noorden vestigden. Het leidde tot demografische catastrofes: op Baffin Island kwam bijna de helft van de Inuit om door syfilis, mazelen en influenza; de populatie langs de Mackenzie River (duizend Inuit) werd gereduceerd tot tien procent en op Southsampton Island kwam in 1903 de gehele bevolking om door influenza. Historicus Walter J. Vanast beschreef de gevolgen van de moord op twee missionarissen, gepleegd in 1913 door culturele misverstanden. Toen Uloqsaq, de hoofddader, TBC bleek te hebben, werd hij vrijgelaten en teruggezonden naar zijn woongebied. Hij stierf in 1929 nadat hij andere gemeenschapsleden had besmet: in drie maanden stierven acht kinderen en daarna elf volwassenen. Vanast heeft geen goed woord over voor de 'medical horrors, die volgden op de blanke invasie' en noemt de blanken: 'boodschappers van het noodlot die rampen over de Inuit afriepen.'

Dr. C.H.W. Remie, als sociaal antropoloog verbonden aan de Katholieke Universiteit in Nijmegen, beschrijft in 'Over leven en overleven, cultuurveranderingen in de poolgebieden' het leven van de Netjilik Inuit in Pelly Bay (Kugaardjuk). De populatie bestond rond de eeuwwisseling uit 110 Inuit; nomaden met een woon- en jachtgebied ter grootte van Nederland. Er ontstond contact met walvisvaarders, waarna veertig procent van de Inuit zich bij handelsposten vestigde, waar ze tabak, thee, metaal en geweren konden kopen. Het sociale en economische leven raakte ontwricht: samenwerkingsverbanden werden verbroken, huwelijksafspraken niet nagekomen en been- en gewei-bewerking nam af. Vervolgens kwam er een missiepost, waar eind 1935 de eerste Inuit werd gedoopt. Naast godsdienstige instructie deden de paters, zoals vanaf 1938 Frans Van de Velde, aan onderwijs en ziekenverzorging.

Vanaf de jaren veertig kwamen in Noord-Canada door meer contacten (vliegverkeer) polio- en TBC-epidemieën voor; de Inuit kenden het hoogste percentage TBC-gevallen ter wereld. In de vakliteratuur werd herhaaldelijk gememoreerd dat blanken wel ziekten overbrachten, maar niet voor genezing zorgden. Volgens Vanast verschafte de overheid medische zorg, noch onderwijs en liet ze na jachtwetten in te voeren om het levensonderhoud van de Inuit te beschermen. Een scheepsarts die in 1946 Hudson's Strait bezocht, schreef: “In de geschiedenis van Canada is nooit eerder een volk zo verwaarloosd, misbruikt en geëxploiteerd. Als het doel van de politiek was geweest de Inuit volledig weg te vagen, was het gewenste effect goeddeels bereikt.” De overheid ging na deze kritiek meer aandacht schenken aan het noordelijke gebied. Maar volgens psychologe Pat Sanderdiford Grygier werden de Inuit, als ze wel hulp kregen, behandeld als 'slaven of zieke dieren'.

Vanwege polio- en TBC-epidemieën in Pelly Bay komt er vanaf 1948 jaarlijks een regeringsarts, die vanaf 1953 begeleid wordt door een röntgenteam dat de bevolking doorlicht. Meteen al het eerste jaar worden er zeven patiënten geëvacueerd. Dr. Remie vertelt hoe dit ging: “Overbrenging naar ziekenhuizen in het zuiden, soms onder dwang (in het begin waren medische teams steeds begeleid door politie-ambtenaren), was voor vele Inuit een schokkende ervaring. Artsen en verpleegsters spraken hun taal niet. Soms raakten patiënten totaal in de war en enkelen deden een zelfmoordpoging in het ziekenhuis.” Er rees verzet en de Inuit lieten zich alleen nog opnemen in het dichterbij gelegen ziekenhuis, waar ze traditioneel voedsel kregen en de religieuzen enige kennis hadden van hun taal: “Voor dergelijke weigeringen werd Pater Van de Velde verantwoordelijk gesteld door de medische gezagsdragers. Dat de Inuit het zélf niet wilden, kwam eenvoudigweg niet bij hen op, ze waren immers primitief en konden niets willen!”

In 1960 heerste in Canada de Aziatische griep. Ondanks de epidemie - en risico op besmetting voor de geïsoleerd levende Inuit - kwam er op 14 april een röntgenteam naar Pelly Bay. Vijf dagen later lag de hele Inuit-bevolking met hoge koorts in bed en drie weken later waren tien van hen overleden. Remie: “Pater Van de Velde was als westerling resistenter, maar is zelf ook zwaar ziek geweest en heeft zich met 39 graden koorts van iglo naar iglo gesleept. Hij was niet in staat mensen op de radarbasis, tien kilometer verderop, te waarschuwen, maar wist toch contact met de buitenwereld te krijgen. Er kwam echter pas op 8 mei hulp. Vijf patiënten werden naar het zuiden geëvacueerd. Een tweede vliegtuig bracht een verpleegster; géén arts! Ze bleef slechts vier uur in Kugaardjuk. Daarna moest de zieke pater maar zien hoe hij zijn zieken verzorgde. Weer tien dagen later landde een onderzoeksteam. Men trachtte de pater de verantwoordelijkheid in de schoenen te schuiven. Van de Velde wond zich zo op, dat hij een brief richtte aan de medische autoriteiten: 'To Murder Incorporated', waarvoor hij flink op zijn vingers werd getikt door het bisdom. In het parlement werden vragen gesteld en werd op het onvermogen van de missie gewezen. Als reactie daarop is er meer overheidsinvloed op de gezondheidszorg gekomen. Ik heb er later nog met de pater over gesproken, maar elke keer vatte hij opnieuw vlam. Kort na de epidemie is hij ernstig ziek geworden en sindsdien heeft hij gehoor- en evenwichtsstoornissen. Na het onderzoek werd erkend dat het röntgenteam de griep had overgebracht. Dokter Davies, die het röntgenteam had geleid, werd weggepromoveerd. Van de Velde beschreef alles zeer consciëntieus in de Codex Historicus, een dagboek dat elke missiepost verplicht was bij te houden en dat ik bestudeerde in de archieven van de Oblaten in Ottawa.”

Pater Van de Velde werkte tot 1986 op Canadese missieposten en woont nu, 87 jaar oud en ziekelijk, in een communauteit in Waregem. Remie: “Hij is net als andere missionarissen paternalistisch opgetreden, maar bracht ook solidariteit in praktijk voordat het gemeengoed werd. Hij ziet in dat ook hij dingen teweegbracht die niet goed waren voor de Inuit-cultuur. Hij zei eens: 'Ik heb 25 jaar nodig gehad om de fouten van de eerste vijf jaar weer recht te breien.' Maar we moeten niet vergeten dat de huidige Inuit-elite, die een hoge mate van autonomie heeft weten te bevechten voor haar volk, is opgeleid door missionarissen als Van de Velde.”

Niet bekend

Literatuur: 'Over leven en overleven, cultuurveranderingen in de poolgebieden', samenstelling G.W. Nooter, Staatsuitgeverij Den Haag, 1994. 'Hastening the day of extinction: Canada, Québec, and the medical care of Ungava's Inuit, 1867-1967', W.J. Vanast, Etudes/Inuit/Studies, 1991, 15(2) en 'The death of Jennie Kanajuq, religious competition and cultural conflict in Coppermine 1929-31', Etudes/Inuit/Studies, 1991, 15(1). 'A Long Way Home, the Tuberculosis Epidemic among the Inuit', Pat Sanderdiford Grygier, Mc Gill-Queen's University Press, Montreal, 1994.