Bevrijdende liedkunst

MIDDELEEUWSE VERHALEN hangen soms op intrigerende wijze met elkaar samen. Neem het volgende drietal.

Zie over het verband tussen de drie verhalen: 'Friedrich Panzer: Erzbischof Albero von Trier und die deutschen Spielmannsepen', in Germanistische Abhandlungen Hermann Paul zum 17. März 1902 dargebracht (Strassburg, 1902), S.303-32.

Verhaal I. Op kasteel Salobures houdt de Engelse koning een gevaarlijke outlaw gevangen, Audulf de Bracy, een neef van de adellijke bendeleider Fulke Fitz Warin. Als alles in gereedheid is gebracht voor zijn terechtstelling, wordt een speelman aangediend. Het blijkt een moriaan te zijn. Hij draagt kostbare kleren en begeleidt zichzelf op allerlei muziekinstrumenten. De koning is opgetogen over zijn optreden. Later op de avond - de koning heeft zich al teruggetrokken - vraagt de kasteelheer, Sir Henré de Audelée, de speelman naar zijn kamer te komen. Hij wil het feest nog voorzetten. In een opwelling laat hij ook Audulf uit zijn kerker halen om zijn laatste avond in gepaste vrolijkheid door te brengen. Als de glazen zijn volgeschonken heft de moriaan een lied aan. Met een schok herkent Audulf de melodie van een lied dat hijzelf vaak gezongen heeft. Hij bestudeert het gezicht van de speelman, en heeft moeite zijn verrassing te verbergen: het is Johan de Rampaygne, een van Fulkes bendegenoten. Sir Henré roept om wijn. De speelman schenkt de glazen vol. Niemand ziet dat hij een poeder in de wijn mengt dat ieder die ervan drinkt in slaap doet vallen. Hij legt 's konings nar, diep in slaap, tussen de twee ridders die Audulf moesten bewaken. Samen met Audulf bindt hij doeken en lakens aan elkaar, waaraan zij zich door het venster tot aan de voet van de muur laten zakken.

Verhaal II. In het paleis van de Griekse keizer Constantin worden de gezanten van koning Rother gevangen gehouden. Een beroemde speelman, afkomstig uit een ver land, zal aan het hof optreden. De dochter van de keizer besluit de gevangenen voor een feestmaal uit te nodigen. Terwijl zij eten begint de speelman, achter een gordijn staande, een lied te spelen. De gevangenen herkennen de melodie: het is een van de drie liederen die Rother pleegt te zingen. Zij begrijpen dat hun heer is gekomen om hen te bevrijden.

Verhaal III. Morolf is in gevangenschap geraakt. Hij weet zijn bewakers over te halen, zijn boeien los te maken; als tegenprestatie zal hij hun verhalen vertellen. Hij vertelt en vertelt, tot zij dorst krijgen. In de wijn mengt hij een slaapmiddel. Een van zijn ingeslapen bewakers, 's konings kamerdienaar, onthoofdt hij, waarna hij zich in zijn kleren hult; de andere bewaker scheert hij kaal. De volgende avond geleidt de valse kamerdienaar vergezeld van twaalf hofkapelaans het koningspaar naar de slaapkamer. Met behulp van een slaapdrank bedwelmt hij zowel het vorstelijk paar als de kapelaans. Naast de koningin legt hij een oude kapelaan in bed; de koning krijgt een tonsuur en wordt in de kleren van de oude kapelaan op de grond gelegd, in de armen van een jong kapelaantje.

In verhaal I en II worden gevangenen verlost door een held die zich als speelman uitgeeft. Ook in verhaal III bewerkt speelmanstalent bevrijding uit gevangenschap. In I en II is sprake van een melodie waaraan de gevangene(n) hun bevrijder herkennen. In I en III worden bewakers door middel van een slaapdrank uitgeschakeld, en in beide verhalen wordt een koning belachelijk gemaakt: in I door de slapende koningsnar tussen de twee bewakers te leggen, in III door de compromitterende omhelzing van het slapende kapelaantje. Directe afhankelijkheidsrelaties zijn moeilijk aantoonbaar, althans tussen I en III: I is afkomstig uit een prozabewerking van een dertiende-eeuws Anglo-Normandisch gedicht over Fulke Fitz Warin; III uit de Middelhoogduitse avonturenroman Salman und Morolf. Dat dit laatste werk motieven heeft ontleend aan II, het twaalfde-eeuwse epos König Rother, is wèl aannemelijk. Maar de ontlening heeft zich waarschijnlijk niet op het niveau van de geschreven literatuur afgespeeld.

De verschillen tussen de drie verhalen, in combinatie met hun overeenkomsten, wijzen eerder op het vlottende, veranderlijke, passe-partout-achtige karakter van mondelinge tradities. Alles wijst erop dat wij hier te doen hebben met stof uit het repertoire van de speellieden die met hun fremde mêre, hun boeiende, verbazende verhalen, langs de wegen van Europa trokken.