Afstand bewaren

Tot welke afstand mag je je door de televisie van de naakte werkelijkheid laten benaderen als de reddingsbrigade bezig is je uit een autowrak te zagen? Of als je acht jaar bent, door napalm getroffen, en je rent huilend over een landweggetje in Vietnam?

Of je bent een Gelderse boerin die na de overstroming haar weer drooggevallen huiskamer bekijkt? Of je staat in een aankomsthal en je weet nu zeker dat degene die je komt afhalen, in het wrak van een vliegtuig zit? Eén ding is zeker: de televisie is aanwezig, daar valt niets aan te doen, dat heeft bijna dezelfde zekerheid als de zonsopgang. Het probleem is de afstand tussen lens en ongelukkige.

Een sterk voorbeeld, gehaald uit de International Herald Tribune van 7 augustus. Een auto-ongeluk, vrouw bekneld, lijdt gruwelijk pijn, smeekt een verpleger zelfs een einde aan haar lijden te maken. Maar die zal wel wijzer zijn: hij heeft een microfoontje onder zijn Rode-Kruispet. Het kreunen en smeken dient dat weekeinde als geluid bij de filmopnamen van de naakte werkelijkheid - in Amerika gierentelevisie genoemd. Later wordt hij door de rechter vrijgesproken. De opnamen zijn gemaakt op de openbare weg. Slechter is het destijds dr. Galealazzi Lizzi vergaan, de lijfarts van Pius XII. De paus in diens sterven begeleidend, maakte hij een fotoreportage die de week daarna in Paris Match stond. Lizzi is uit zijn ambt ontzet.

En hier? Zoals het met zoveel ingewikkelds in Nederland gaat: we proberen met onze perfectionistische geest het ongrijpbare in regels te vangen. Dat doen we bijvoorbeeld met het smartegeld dat een slachtoffer wordt uitgekeerd ter compensatie van immateriële schade. Een meisje is door een hond in haar bovenlip gebeten. Resultaat: blijvend litteken. Schadevergoeding: 2.500 gulden. Door deze beet heeft de hond de grondslag gelegd voor een categorie van compensatie voor leed. Bijt uw hond in menselijk vlees, dan weet u dat er jurisprudentie is. Kleine teen afgerukt, stukje uit oor gebeten - we naderen tot het ogenblik waarop we tot de cent nauwkeurig zullen weten hoeveel iedere schade aan ieder lichaamsdeel gaat kosten.

Zo'n reglement lijkt me ook denkbaar voor de televisie van de naakte werkelijkheid.

Eerst een betrekkelijk eenvoudig voorbeeld waaruit valt op te maken dat er een zekere ontwikkeling in het vraagstuk zit. Het was in de eerste dagen van de varkenspest. Keek je naar het televisiejournaal dan zag je onvermijdelijk: eerst de ter dood veroordeelden nog in levenden lijve, snoet tussen de planken van de veewagen gedrukt, en daarna dezelfde dieren, dood, in de grijper van een hijskraan die het waardeloze vlees boven de laadbak van een andere vrachtauto losliet. Heb je het één keer gezien dan heb je het voor je leven gezien. De journaals hebben een andere opvatting. Geruimde varkens, dode varkens, iedere avond bij tonnen. Het werd een necrofiele rabelaisiaanse zwelgpartij. Maar nu, nadat de pest in Overijssel is uitgebroken, is er een onverklaarbare kentering. Je ziet wel dezelfde taferelen, maar alleen nog via de telelens. Het lijkt wel alsof de varkens hebben geklaagd.

Iets dergelijks kun je je voorstellen als de televisie van de naakte werkelijkheid zich gaat bezighouden met een ramp waarvan mensen het slachtoffer zijn geworden. De speurders en onthullers te verbieden een en ander vast te leggen, lijkt me geen goed idee. Je trapt de vrije pers op haar tenen en je rooft het brood van degenen die zich in rampen hebben gespecialiseerd. Aan de andere kant kun je je voorstellen dat, als je zelf machteloos en bloedend op het asfalt lag, en daar kwam een vrolijk gekleed heerschapje zijn macrolens boven je ontredderde gezicht houden, dat je dan in ieder geval zijn gezicht zou onthouden, om hem eens flink toe te takelen als je weer op de been was. En hem dan te vragen: 'Doet het erge pijn? En wat gaat er nu door u heen?'

De oplossing van het vraagstuk ligt dus in het compromis. De ramp moet op het scherm, dat eist de persvrijheid, dat willen de kijkers en de adverteerders. Zonder rampen in het journaal, en zonder de speciale televisieprogramma's van de naakte werkelijkheid, kan de televisie zichzelf niet meer financieren. Dat is een ramp die niemand wil. Aan de andere kant moet de machteloze worden beschermd (hoewel dit langzamerhand wat ouderwets begint te klinken). Wat te doen? Het door middel van jurisprudentie bepalen hoe groot bij iedere ramp de afstand tussen slachtoffer en camera moet zijn, opdat de persvrijheid niet wordt geschonden, de privacy van de bloedend ter aarde liggende gewaarborgd en de televisie voor geldgebrek behoed. Er moet een lijst met afstandstarieven komen.

Deze redenering van het perfectionisme staakt zodra er iets aan de hand is dat in zijn afmetingen, drama, tragiek het voorstellingsvermogen te boven gaat. De foto hierboven is genomen op 6 mei 1937, 's avonds om ongeveer half acht. Het luchtschip Hindenburg in zijn laatste seconden. Op andere foto's zie je mensen wegrennen, weg van het brandende wrak, de fotografen tegemoet. Van de 97 opvarenden hebben 62 het overleefd. Niemand heeft de ramp gewild, maar hadden we de foto's en het inmiddels beroemde radioverslag willen missen? Er bestaat een mooi boekje, Airshipwreck, van Len Deighton en Arnold Schwartzman; een verzameling foto's van verongelukte zeppelins. Bij al die foto's valt het op dat er drommen mensen naar de verongelukte giganten staan te kijken; iedereen zo dicht mogelijk met zijn neus erbovenop.

    • S. Montag