Aartsrivalen aan de grens

Er waren nog maar een paar maanden verstreken sinds de deling van Pakistan en India of de eerste oorlog tussen beide landen was al een feit. Gewapende Pakistaanse 'vrijwilligers' trokken eind oktober 1947 de deelstaat Kashmir in de Himalaya binnen. De hindoe-maharadja van het goeddeels door moslims bevolkte gebied deed een dringend beroep op de Indiase premier Jawaharlal Nehru om hulp. Deze was daartoe bereid, op voorwaarde dat de maharadja een verklaring tekende dat Kashmir voortaan bij India zou behoren. Zuchtend ging de maharadja, die Kashmir eigenlijk liever onafhankelijk had gezien, voor deze eis door de knieën.

Het Indiase leger greep in en wist de Pakistanen tot staan te brengen. Begin 1948 kwam er een wapenstilstand langs een linie die nu nog de scheidslijn vormt. India beheerst tweederde deel van Kashmir, Pakistan de rest. Achttien jaar later was het weer raak, toen Pakistan probeerde het gebied te veroveren. Opnieuw stootte het echter zijn neus en al na een paar weken keerde de gewapende vrede terug.

In december 1971 begon de derde oorlog tussen de aartsrivalen, ditmaal niet om Kashmir maar om Oost-Pakistan, het tegenwoordige Bangladesh. Het Pakistan dat Mohammed Ali Jinnah na eindeloze onderhandelingen in de wacht had weten te slepen was een merkwaardig tweekoppig gedrocht geworden. Behalve West-Pakistan (het huidige Pakistan) omvatte het, gescheiden door tweeduizend kilometer Indiaas grondgebied, ook Oost-Pakistan - hoofdzakelijk bewoond door Bengalen.

De Bengalen voelden zich vanaf het begin achtergesteld bij West-Pakistan, waar niet alleen de regering zetelde, maar ook de meeste prominente politici en militairen vandaan kwamen. Nadat de Oost-Pakistanen na een lang militair intermezzo bij verkiezingen in 1971 de meerderheid hadden weten te winnen, weigerden de West-Pakistanen hen echter het land te laten besturen. Daarop brak er een opstand uit in Oost-Pakistan, die leidde tot een stroom van miljoenen vluchtelingen die een goed heenkomen zochten in India.

Toen het Pakistaanse leger steeds meedogenlozer optrad tegen de Bengalen en de vluchtelingenstroom aanhield, stuurde premier Indira Gandhi, Nehru's dochter, het Indiase leger naar Oost-Pakistan. Na enkele weken moest het Pakistaanse opperbevel capituleren. Bangladesh werd onafhankelijk, Pakistan was in één klap in omvang gehalveerd en de Indiase generaals hadden een kopzorg minder.

Kernwapens

In de zomer van 1990 bereikten de betrekkingen tussen Pakistan en India een nieuw dieptepunt - wederom was Kashmir de oorzaak. In het Indiase deel van het gebied was inmiddels een opstand van militante moslims uitgebroken die afscheiding van India nastreefden. De Indiërs gebruikten grof geweld om de orde te herstellen, wat weer tot verhitte Pakistaanse reacties leidde. Op een gegeven moment ging het gerucht dat Pakistan op het punt zou staan een aanval met kernwapens op India uit te voeren. Het is nooit opgehelderd of het hier om bluf van de Pakistaanse generaals ging, of om een serieus maar niet uitgevoerd plan. Het wreef de rest van de wereld pijnlijk onder de neus dat zowel India als Pakistan in ieder geval over het vermogen beschikt op korte termijn kernwapens te maken, zo ze die niet al in voorraad hebben.

De religieuze tegenstellingen, die in 1947 leidden tot de deling van het subcontinent - de verzamelnaam van Pakistan, India en Bangladesh - blijven ook buiten Kashmir een rol spelen. Zodra er ergens in India een vonk overspringt en hindoes en moslims het met elkaar aan de stok krijgen, slaat de onrust meestal snel naar andere uithoeken van het subcontinent over.

De recentste grote uitbarsting deed zich eind 1992, begin 1993 voor naar aanleiding van een geschil over een moskee in de Noord-Indiase plaats Ayodhya, die precies op de plek zou staan waar de hindoe-god Ram was geboren. In december 1992 bestormden radicale hindoes de moskee en sloegen die aan stukken. Ze maakten een begin met de bouw van een nieuwe hindoe-tempel - tot de Indiase autoriteiten hen ten slotte, aarzelend, van het terrein verjoegen. Onmiddellijk daarop braken rellen uit op tal van plaatsen in India, in het bijzonder in Bombay. De moslims liepen, zoals meestal in India, de hardste klappen op: enige duizenden mensen kwamen om het leven.

Zodra de circa 140 miljoen overgebleven Indiase moslims (evenveel als de totale bevolking van het huidige Pakistan) in de verdrukking raken, leidt dit meestal ook tot onrust in Pakistan en Bangladesh. Niet alleen worden er massale anti-Indiase demonstraties georganiseerd, ook hebben radicale moslims soms de neiging zich af te reageren op de hindoe-gemeenschap. In Pakistan is die bijna te verwaarlozen, maar in Bangladesh is er nog altijd een aanzienlijke hindoe-minderheid van ruim tien procent. Na iedere nieuwe uitbarsting van geweld vluchten er echter hindoes naar India.

De bloedige gevolgen van de rellen in Ayodhya voor sommige hindoes in Bangladesh beschrijft de Bengaalse schrijfster Taslima Nasrin in haar roman Lajja (Schaamte). Ze haalde zich hiermee de haat op de hals van een handjevol Bengaalse islamitische fundamentalisten en moest op een gegeven moment zelfs onderduiken nadat ze met de dood was bedreigd.

Verdraagzaamheid

De Bengalen zijn, als het er op aankomt, een volk met een traditie van meer verdraagzaamheid dan Pakistan. De Bengaalse moslims zijn de laatste eeuwen door frequente contacten met hindoes en boeddhisten meer vertrouwd geraakt met andere godsdiensten dan grote delen van Pakistan, waar de islam altijd domineerde. Als speciaal voor moslims gesticht land ging Pakistan zich vanzelf meer op het Midden-Oosten richten en ontstonden er kleine maar invloedrijke fundamentalistische groepen, niet zelden vorstelijk gesteund door Arabieren uit het Golfgebied en Iran. Het van oorsprong seculiere Pakistan heeft mede onder druk van deze groepen de shari'a, het islamitisch recht, ingevoerd. In de praktijk wordt dit echter niet strak toegepast.

India houdt intussen vast aan zijn seculiere traditie, al timmeren de laatste jaren radicale hindoes die India als een staat van en voor hindoes zien, steeds nadrukkelijker aan de weg. De moslim-minderheid houdt zich zoveel mogelijk gedeisd en er bestaat geen landelijke grote moslim-partij in India.

De sikhs ten slotte, die vooral in de Indiase deelstaat Punjab leven, lijken tot rust gekomen, na een bloedige opstand tussen 1983 en 1993, waarbij zo'n twintigduizend sikhs en hindoes werden gedood. Militante sikhs poogden een eigen sikh-staatje, Khalistan genaamd, te vestigen. Ze wisten zich gesteund door een deel van de bevolking dat met afschuw had aangezien hoe het Indiase leger in 1984 in de Gouden Tempel in Amritsar radicale sikhs die zich daar hadden verschanst, had gedood. Toen de gewapende sikhs zelf echter meer geweld tegen burgers gingen gebruiken, verloren ze die steun en kon de regering de orde herstellen.

Aan de vooravond van hun vijftigste verjaardag is er een lichte toenadering tussen India en Pakistan. De leiders van beide staten hebben publiekelijk toegegeven dat hun politiek van confrontatie gedurende de laatste decennia geen van tweeën veel goeds heeft gebracht. Beide staten hebben samen een van de grootste armoedeconcentraties ter wereld. Zo'n vierhonderd miljoen mensen leven er nog altijd beneden het absolute bestaansminimum. Vrijwel niemand van hen kan lezen of schrijven en hun kinderen vormen op hun beurt het grootste reservoir kinderarbeiders van de wereld. Handel en personenverkeer tussen beide staten is er nauwelijks, terwijl die ongetwijfeld zouden kunnen bijdragen tot een grotere welvaart aan weerszijden van de grens.