Vier boeken over slavernij in de West; Het onbekende gezicht van de slaaf

Ellen Klinkers: Op hoop van vrijheid. Van slavensamenleving naar creoolse gemeenschap in Suriname 1830-1880. Universiteit Utrecht, Bronnen voor de studie van Afro-Suriname, 229 blz. ƒ 29,-

Elmer Kolfin: Van de slavenzweep & de muze. Twee eeuwen verbeelding van slavernij in Suriname. Koninklijk Instituut voor Taal- Land- en Volkenkunde, Leiden, 184 blz. ƒ 65,-

Okke ten Hove en Frank Dragtenstein: Manumissies in Suriname 1832-1863. Universiteit Utrecht, Bronnen voor de studie van Suriname, 441 blz. ƒ 49,-

Susanne Everett: The Slaves, Nederlandse vertaling: Slavernij door de eeuwen heen, Walburg Pers, 253 blz. ƒ 49,50

Minutenlang blijf je er naar kijken. Foto's van negerslaven, gemaakt vanaf 1850 in het zuiden van de Verenigde Staten. De slaaf Jack uit Columbia, South-Carolina, blikt je vanaf het daguerrotype recht in de ogen. Zijn gelaat is getekend, maar verraadt ook trots. De portretfoto's van Jack en andere negerslaven, de eerste ooit van slaven gemaakt, werden in 1976 aangetroffen op de zolder van een archeologisch museum in Harvard. Curieus detail is dat ze zijn gemaakt in opdracht van de geleerde Louis Agassiz, die er in de evolutiediscussie mee wilde bewijzen dat de verschillende mensenrassen afzonderlijke soorten zijn.

De foto's werden in 1978 gepubliceerd in het boek The Slaves van Susanne Everett. In 1993 verscheen bij Walburg Pers een Nederlandse versie. Minstens zo fascinerend zijn de scherpe foto's in dit boek van slavenfamilies omstreeks 1860 op plantages in Georgia en South-Carolina, gewillig poserend voor de fotograaf, werkend op katoenvelden onder toezicht van een blanke opzichter te paard, of vluchtend over de Rapahannock-rivier in Virginia tijdens de burgeroorlog.

De fascinatie komt voor een deel louter voort uit het feit dat ze bestáán, foto's gemaakt nog geen dertig jaar na de dood van keizer Napoleon. Ze werken als een tijdmachine: ze brengen de slavernij dichterbij, maken haar bijna tastbaar. De foto's doen tegelijk beseffen dat de zwarte slavernij minder ver achter ons ligt dan de meeste mensen, in elk geval niet-zwarten, geneigd zijn te denken. Voor zwarte Amerikanen is slavernij, zeker in het licht van hun maatschappelijke achterstand, nog steeds recente geschiedenis.

In de VS laaide onlangs de politiek geladen discussie op of de Amerikaanse regering haar verlate excuses aan de zwarte bevolking moet aanbieden voor het berokkende leed. 'De voorwaarden waaronder de slavernij werd afgeschaft zijn vandaag nu nog bijna net zo explosief als in de jaren 1860, toen zij het publieke bewustzijn domineerden en de regering bijna verscheurden', schreef redacteur Brent Staples van de New York Times vorige maand in zijn krant.

Eigen stem

De zwarte journalist herinnerde eraan dat de generatie van veertigers waartoe hij zelf behoort, pas de eerste is die opgroeit zonder ergens in de familiestamboom een nog levende voormalige slaaf te hebben. Zijn tachtigjare oom kende in zijn kinderjaren nog oude voormalige slaven die meevochten in de burgeroorlog maar nooit de beloofde veertig acres grond en een muilezel hebben kregen. 'Afro-Amerikanen is 250 jaar lang basiseducatie en rijkdom onthouden, die ze aan hun nakomelingen hadden kunnen doorgeven. (...) De wond is nog open omdat het land heeft nagelaten de kans te grijpen toen die er was materiële genoegdoening te geven', schreef Brent Staples.

Toch blijft de geschiedenis van de slavernij voor het gevoel van velen iets uit een ver verleden. Dat komt vooral omdat slaven zelf nooit een stem hebben gehad. Ze mochten van hun eigenaren tenslotte niet schrijven. Van de vele miljoenen slaven die uit Afrika naar de Nieuwe Wereld werden verscheept heeft alleen Olaudah Equiano, die zich in 1766 in Engeland vrijkocht, iets van 'memoires' nagelaten waarin hij de verschrikkelijke overtocht per zeilschip naar de Nieuwe Wereld beschreef.

We kennen het leven van de slaven alleen door de ogen van de blanke meesters. De in Harvard gevonden foto's brengen in emotionele zin de slaven dichterbij, maar over hun persoonlijkheid komen we niets meer te weten. In die context kon Stanley Elkins eind jaren vijftig in de Verenigde Staten met zijn boek Slavery. A Problem in American Institutional and Intellectual Life een stormachtig politiek debat op gang brengen over de identiteit van de zwarte Amerikaan. Elkins schetste slavernij als een 'totale institutie', die slaven tot gedepersonaliseerde, volgzame en kinderlijke wezens had gemaakt. Deze 'sambo-houding' had zich volgens Elkins onder veel negers gehandhaafd. Pas in de jaren zeventig kwam met publicaties van Eugene D. Genovese, Stanley Engerman en Robert W. Fogel een keerpunt in de discussie door gedegen historisch onderzoek. Zij maakten duidelijk dat de slaven wel degelijk over eigen normen en cultuur beschikten.

De Nederlandse Republiek mag in de zeventiende en achttiende eeuw dan een vooraanstaande rol in de slavenhandel hebben gespeeld, serieus onderzoek naar de Surinaamse slavernij is hier merkwaardig genoeg pas de laatste tien jaar op gang gekomen. Alsof slavernij geen wezenlijk deel uitmaakte van de Nederlandse geschiedenis. Veel meer historische aandacht ging altijd uit naar 'ons' Indië. Inmiddels zijn de honderden Surinaamse plantageregisters grondig bestudeerd. Wetenschappers als Alex van Stipriaan, Gert Oostindie en Humphrey Lamur hebben zich van dat monnikenwerk gekweten. Hun onderzoeken hebben de Surinaamse slaaf dichterbij gebracht.

Toch geven plantageregisters door hun aard slechts beperkte informatie. Planters waren tenslotte vooral geïnteresseerd in economische feiten en die werden dan ook vastgelegd. De slaaf was slechts een object dat als kapitaal op de balans stond. Over het persoonlijk leven van de slaven leren de plantageregisters ons weinig. Oostindie heeft daarom wel gesproken van een 'verloren' geschiedenis. Hij is misschien wat al te pessimistisch geweest.

In het onlangs verschenen Van de slavenzweep & de muze. Twee eeuwen verbeelding van slavernij in Suriname probeert de Utrechtse kunsthistoricus Elmer Kolfin het beeld van de slaven en de slavernij helderder te maken door te analyseren hoe kunstenaars er naar keken. Welke afbeeldingen zijn er van de slavernij in Suriname en elders gemaakt, welke plaats hebben ze in de kunsthistorische ontwikkelingen? Hoe pasten ze in de publieke meningsvorming? Het zijn de belangrijkste vragen die Kolfin zich in zijn mooi geïllustreerde boek stelt.

Waar het altijd al zo is dat een afbeelding minstens zoveel zegt over degene die haar heeft gemaakt als over datgene wat is afgebeeld, daar lijkt dit voor afbeeldingen van slavernij nog sterker te gelden. Economische belangen van planters in de kolonie en van kooplieden in het moederland, politieke doelstellingen van abolitionisten, alles weerspiegelt zich in de kunstwerken waarin de slavernij is verbeeld. Al is na verloop van tijd wel enige ontwikkeling zichtbaar naar een onafhankelijker kunst.

Object

In de achttiende eeuw werd de slaaf vrijwel uitsluitend gezien als kapitaals- en produktiefactor. Voor de wet was de Surinaamse slaaf niet meer dan een object. Tot eind achttiende eeuw domineerden dan ook de gravures in plantershandboeken en op zee- en landkaarten. Een uitzondering was het schilderij 'Slavendans' van de schilder Dirk Valkenburg (1675-1721), die enige tijd in Suriname verbleef op kosten van een neef van de bekende Amsterdamse regent Nicolaas Witsen. Niet alleen was hij boekhouder op de plantage van de familie, ook moest hij de Witsens door afbeeldingen op de hoogte houden. Valkenburg schilderde en tekende niet alleen de gebruikelijke plantagegezichten, waarvan er één in het Rijksmuseum hangt. Op het schilderij 'Slavendans' zijn negers en negerinnen te zien die voor een hut muziek maken en trommelen. Valkenburg laat glimmend zwarte lijven in verschillende posities zien met veel oog voor detail, waarbij hij ieder persoon lijkt te karakteriseren. De zwarten zijn bij Valkenburg voor de eerste en voorlopig enige keer afgebeeld als echte mensen.

Het was echter vooral de interesse van de familie Witsen in vreemde volken en exotische producten die Valkenberg tot zijn onconventionele verbeelding bracht. In boeken van kroniekschrijvers uit dezelfde periode worden slaven haast schematisch afgebeeld, bijna als verlengstukken van de suikermolens waarin ze werken, of van een afstand als 'lardering' van vergezichten.

De negentiende-eeuwse verbeelding van de slavernij komt nog het meest overeen met die in de Verenigde Staten. De aandacht heeft zich verlegd van de slaaf als kapitaalgoed naar de slaaf als exotische mens. De kunst kreeg veel meer een etnografisch karakter, waarmee werd beantwoord aan de belangstelling in het moederland.

Dominant zijn romantische genretaferelen, beïnvloed door de Hollandse genrekunst. De populair-wetenschappelijke kleurenafbeeldingen van P.J. Benoit (die zijn uitvoerige verslag Reis door Suriname zelf illustreerde), de handgekleurde litho's van Th. Bray (titels als 'Plantaadje huismeid', 'Neger familie' en 'Stad slavinnen' en de waterverftekeningen van W.E.H. Winkels ('Straatscène in Paramaribo' en 'Het vlechten der haren') zijn er de belangrijkste voorbeelden van. Hun afbeeldingen zijn wat al te zoet en dus niet geheel waarheidsgetrouw, maar zij laten in elk geval voor het eerst iets zien van een eigen cultuur van de slaven.

Erotisch bedoelde negerinnen, weglopers en slavenstraffen zijn in Amerika vooral verbeeld door niet-Amerikanen. In Suriname was het aan het eind van de achttiende eeuw de door het Staatse leger ingehuurde Schotse militair John Gabriel Stedman die de wegloperij en zware bestraffingen van slaven beschreef en in prachtige tekeningen vastlegde. Zijn Narrative of a five years expedition against revolted negroes of Surinam is in vertaling nog verkrijgbaar bij de Walburg Pers. In de tientallen jaren daarna werden zulke onderwerpen in Suriname niet meer verbeeld.

De afbeeldingen van de slavernij in de Britse en Franse kolonies in de negentiende eeuw hadden een veel dramatischer gehalte dan die over Suriname. De verklaring is simpelweg dat de abolitionistische beweging in Groot-Brittannië en Frankrijk veel groter was dan in Nederland. De naar binnen gerichte Reveil-beweging en de Liberalen lieten het in de strijd tegen de slavernij lange tijd afweten. Dat had ook gevolgen voor de beeldvorming van Nederland als een natie van uitzonderlijk hardvochtige slavenhouders. Later historisch onderzoek, van Oostindie en anderen, heeft dat beeld weer bijgesteld. De slavernij in Nederlandse gebieden was niet per definitie harder dan elders.

Kolfins kunsthistorische interpretatie van de verbeelding van de slavernij biedt, ondanks een soms wat onheldere betoogtrant, meer dan genoeg voor de geïnteresseerde lezer. Dit laatste geldt ook voor het proefschrift Op hoop van vrijheid, van slavensamenleving naar creoolse gemeenschap in Suriname 1830-1880 van Ellen Klinkers. Zij completeert het beeld van een eigenzinnige slavenbevolking, dat eerder in studies als die van Van Stipriaan, Oostindie en Lamur is geschetst. Klinkers maakt vooral gebruik van nog niet eerder benutte archieven van de Hernhutters en de Roomskatholieke missie. De zendelingen en missionarissen hadden in de laatste tientallen jaren voor de emancipatie nauw contact met de slaven. Bij hun moeizame pogingen het christelijk geloof te verbreiden stuitten ze op weerstanden bij de slaven, die hun eigen godsdienstige en sociale opvattingen koppelden aan gevoel voor eigenwaarde. Juist door zulke, in zendings- en missieverslagen vaak uitvoerig beschreven, confrontaties ontstaat een vollediger en daarmee waarheidsgetrouwer beeld van de zich emanciperende slavenbevolking.

Monnikenwerk

In de serie 'Bronnen voor de studie van Afro-Surinaamse samenlevingen' van de Utrechtse universiteit, waarin Klinkers' studie werd uitgegeven, verscheen nog een opmerkelijke studie of eigenlijk een namenlijst met toelichting. Over monnikenwerk gesproken: Okke ten Hove en Frank Dragtenstein hebben de namen verzameld van alle 6.364 Surinaamse slaven die in de periode vanaf 1832 tot de afschaffing van de slavernij in 1863 tussentijds de vrijheid verwierven. In de meeste gevallen ging het om concubines en kinderen die door de blanke eigenaar werden vrijgekocht via een transactie met de overheid. De onderzoekers vermelden naast de achternamen die de slaven bij vrijlating kregen ook de slavennaam, de datum van vrijlating (de zogenoemde 'manumissie'), de naam van de eigenaar, soms de plantagenaam, de naam van de moeder, eventueel andere familierelaties en (vanaf 1844) het beroep dat de vrijgekochte slaaf uitoefende. Veel Surinamers en Nederlanders van Surinaamse afkomst kunnen nu veel gemakkelijker hun eigen afkomst onderzoeken. Voor hen is slavernij in elk geval meer dan ooit recente geschiedenis geworden.