Turkijes veelzijdige vendetta

René Bakker, Luc Vervloet en Antoon Gailly: Geschiedenis van Turkije. Bulaaq/van Halewyck, 224 blz. ƒ 39,90

Tim Kelsy: Derwisj. Een portret van Turkije. Vertaald uit het Engels door Victor Verduin. Atlas, 352 blz. ƒ 49,90

James Pettifer: The Turkish Labyrinth. Atatürk and the New Islam. Viking, 245 blz. ƒ 65,70

De betrekkingen tussen staat en maatschappij, en tussen religieuze en etnische bevolkingsgroepen, zijn in Turkije al lange tijd ernstig verstoord. Staatsgrepen, terrorisme, repressie en een guerrilla-oorlog in het oosten des lands, zijn er de getuige van. De woeste en onoverzichtelijke bewegingen in het strijdperk doen de Engelse verslaggevers Tim Kelsey en James Pettifer in hun boeken spreken van de 'Turkse derwisj' en 'het Turkse labyrint'.

Maar de Geschiedenis van Turkije, een gezamelijke prestatie van Nederlandse en Vlaamse historici, spreekt liever over het land als een 'multiculturele samenleving'. Zonder aanziens des persoons wordt dat predikaat toegekend aan de Hittieten, de Byzantijnen, de Ottomanen en het Turkije van Kemal Atatürk - het lijkt eerder een handreiking aan de opdrachtgevers van deze geschiedenis, het 'Coördinaat Minderhedenstudies van de Rijksuniversiteit Leiden', dan het resultaat van wetenschappelijk onderzoek.

De negen lagen van Troje vertonen de sporen van de onderlinge oorlogen; de gedaanteverwisselingen van de Aya Sofia in Istanboel van kerk tot moskee, en van moskee weer tot museum, getuigen van de opeenvolgende hegemonieën van het orthodoxe christendom, de islam en het secularisme van Atatürks republiek. Aan het Vanmeer in Oost-Anatolië verheft zich de rots waarop de koningen van Oerartië hun uitdagingen aan de Assyriërs in spijkerschrift kerfden, en op de vlakte zinderen de ruïnes van de Armeense stad die in 1915 door de Turken met de grond werd gelijkgemaakt. Nu waagt niemand het daar 's avonds te dwalen, door de strijd tussen het Turkse leger en de Koerdische guerilla. Niet ver weg, op de berg Ararat, zou de Ark van Noach zijn gestrand, na wat Kelsey 'de eerste genocide op Turkse bodem' noemt: de zondvloed. 'Multiculturele vendetta' is een realistischer karakteristiek van de Turkse geschiedenis dan 'multiculturele samenleving'.

Toch begint elk boek over Turkije, en ook de onderzoekingen van Pettifer en Kelsey, met een enthousiaste opsomming van de gevariëerde nalatenschap van al die beschavingen en gemeenschappen: Grieken en Romeinen, Assyriërs en Byzantijnen, Soefi's, Seldsjoeken en kruisvaarders. Geen enkele auteur kan de verleiding weerstaan van een wandeling door het kosmopolitische Istanboel, en voor de ogen van de lezer tekenen zich naast elkaar de silhouetten af van kerken en moskeeën, klassieke zuilen en badhuizen. Het rumoer, met de sprookjesachtige ligging aan een drukke zeestraat, scheppen een wereldse atmosfeer die óok Turks mag heten. Istanboel, erfgenaam van het Byzantijnse Constantinopel, biedt nog altijd onderdak aan de nazaten van Griekse en Armeense handelslui, en van Spaanse joden die de Inquisitie ontvluchtten. Inmiddels is het aandeel van Albanen, Koerden en Bulgaren in ballingschap veel groter dan van de minderheden die de sultan onderdak bood.

Hoeken en nissen

Het rijk geïllustreerde geschiedenisboek van Bakker en anderen schenkt veel ruimte aan de hoeken en nissen waarin de vele gasten van de Ottomanen zich nestelden. Maar niet alle vreemdelingen in Constantinopel verbleven er uit vrije wil, zo min als alle volkeren die verslagen waren prijs stelden op inlijving in het Turkse rijk. Christelijke volken betaalden niet alleen schatting in arbeid en geld, maar de Ottomanen recruteerden onder hun kinderen ook ambtenaren en militairen. Het beroemde legercorps der Janitsaren was het product van kinderroof.

Het Ottomaanse regime bewaakte de voorrechten van de islam binnen zijn grenzen met harde hand. Christenen en joden betaalden duur voor het recht hun godsdienst te mogen uitoefenen. Wreedheid was een onderdeel van de politiek tegenover 'anderen', niet de opzet. Toch was van echt racisme geen sprake. De herinnering aan de nomadische dagen van weleer werd een schone legende die in miniaturen bleef voortbestaan. De ottomaanse ridderschap vermengde zich graag met de edelvrouwen van de onderworpenen, en de sultan verwekte zijn troonopvolgers bij een vreemde slavin. Gebouwd en gedicht werd er naar Byzantijns en Perzisch voorbeeld.

In de loop van de negentiende eeuw werd het Ottomaanse imperium steeds sterker bedreigd, van binnen en van buiten. Russen en Oostenrijkers knabbelden aan de grenzen, maar gevaarlijker was het opkomend nationalisme dat van gedweeë boeren furieuze Grieken en Serviërs maakte. Het onhandige en slinkse optreden van de hofkliek wekte verbittering bij het leger, en een nationalisme van eigen bodem presenteerde zich rond de eeuwwisseling. Het lot van het rijk was bezegeld toen de sultan in de Eerste Wereldoorlog de Duitse partij koos. Een combinatie van geallieerden, Griekse en Arabische legers wierp de Turken terug op de Anatolische stellingen die ze zes eeuwen eerder hadden verlaten voor hun zegevierende opmars door drie continenten. Generaal Mustafa Kemal Pasja (1881-1938) ontketende een Turkse opstand vanuit het hart van Klein-Azië.

Deze 'Atatürk' (Turkenvader), sloot vrede met de geallieerden, stootte de sultan van de troon en verplaatste de hoofdstad van het kosmopolitische Constantinopel naar het grimmige Ankara. De nieuwbakken Republiek Turkije nam genoegen met Anatolië en een hoekje Europa. Maar die laatste scherf van het immense imperium zou dan ook Turks zijn en niet anders. Trots op de nomadische afkomst veranderde in racisme. De hoogste prijs voor het Turkse elan betaalden de minderheden met nationale aspiraties: achtereenvolgens werden de Armenen uitgeroeid (1915), de Grieken de zee in gedreven (1922), en de eerste Koerdische Opstand in bloed gesmoord (1925).

Autoritaire revolutie

De Engelse journalisten Kelsey en Pettifer maken in Derwisj en The Turkish Labyrinth de rekening op van deze autoritaire revolutie, die als een van de weinige in de wereld nog steeds zijn greep over het land bewaart. Kelsey's gedachten over winst en verlies van het Turks nationalisme ontwikkelden zich tijdens lange zwerftochten door het land, die hem van Istanboel tot de Syrische grens voerden. Hij peilde de Turkse achterdocht bij de recente opgravingen van Troje, hij ondervond de praktijk van de geschiedsvervalsing bij de raadpleging van de staatsarchieven in Ankara, en hij volgde de historie van bloedwraak.

Maar vooral ging hij op zoek naar de 'anderen' in het Turkse stelsel: moslim-fundamentalisten, Alawieten en Syrisch-orthodoxe christenen die met meer of minder recht door de Turkse staat als oppositie worden beschouwd. Naarmate de reis zich naar het oosten beweegt groeit de beklemming in het boek. In steden als Van en Dyarbakir is de aanwezigheid van leger, terroristen, doodseskaders en maffiabenden overal voelbaar, en de religieuze dissidenten zijn voor alle krijgsheren een doelwit. Ook Pettifer, voor wie de reizen door het land illustraties vormen van een lang betoog over Turkije's problematische modernisering, kan er niet omheen dat 'in de oostelijke provincies de wet niet meer van kracht is'.

Beide journalisten spreken Turks, voelen sympathie voor het land en zijn bevolking, en uiten hun bewondering voor bepaalde prestaties van Atatürk's revolutie, bijvoorbeeld op het gebied van onderwijs en vrouwenrechten. Maar hun oordeel over de verhouding tussen staat en maatschappij is somber. Geen van beide schrijvers acht echter de kans op een fundamentalistische staatsgreep groot. De islam heeft zich ook onder de Ottomanen altijd naar de politiek van de heersers geschikt.

Het moslim-fanatisme dat er wél is heeft de Turkse staat, net als andere gewelddadige reacties, te danken aan de systematische bevoorrechting van de 'zijnen' en de hardvochtige behandeling van 'anderen'. De Geschiedenis van Turkije schrijft ergens in lachwekkende kanselarijtaal 'dat het om verschillende redenen Turkije niet altijd lukt om de mensenrechten te respecteren'. Het is een gemiste kans van deze geschiedenis, die overigens zoveel aandacht heeft voor de invloed en uitwisseling van ideeën, dat de overeenkomsten tussen het agressieve Turkse nationalisme en het westerse fascisme zo weinig worden belicht. Atatürk's interesse ging in de jaren twintig waarschijnlijk niet alleen uit naar het Westerse hoofddeksel en alfabet, maar ook naar het politieke radicalisme dat landen aldaar uit het slop beloofde te halen.