Sorgdrager uit kritiek op justitie in Leeuwarden

DEN HAAG, 8 AUG. Minister Sorgdrager (Justitie) vindt dat justitie in Leeuwarden vorig jaar onjuist heeft gehandeld toen het openbaar ministerie het gerechtshof niet vroeg om een man in voorlopige hechtenis te nemen die was veroordeeld tot vijftien jaar cel. Hij was veroordeeld wegens de moord op het echtpaar Schuiten in Sneek in augustus 1995.

Dit blijkt uit het antwoord van Sorgdrager op vragen van het Kamerlid Dittrich (D66). De minister schrijft onder meer dat zij zich “goed kan voorstellen dat deze beslissing bij de nabestaanden van het echtpaar Schuiten moeilijk is te aanvaarden”. Dittrich vond het “onvoorstelbaar” dat de veroordeelde niet in hechtenis is genomen toen de rechtbank hem had veroordeeld.

De man, S.M.C., hoefde van de rechtbank en het hof in Leeuwarden niet in voorlopige hechtenis omdat er na afronding van het opsporingsonderzoek “geen nieuwe, ernstige bezwaren” tegen hem waren gerezen. In maart van dit jaar werd hij in hoger beroep tot achttien jaar veroordeeld, maar hij is nog steeds op vrije voeten. De advocaat van de veroordeelde ging voor hem in cassatie bij de Hoge Raad.

Op 22 augustus 1995 werd het echtpaar in hun woning in Sneek levenloos aangetroffen. Beiden waren met messteken om het leven gebracht. C. werd direct van de moord verdacht. Het echtpaar had diens echtgenote geassisteerd bij het doen van aangifte tegen C. wegens verkrachting. In 1993 was hij daarvoor al tot drie jaar celstraf veroordeeld, maar in mei 1995 was hij niet teruggekeerd van weekendverlof.

Dittrich verwees in zijn vragen aan Sorgdrager naar een uitspraak van het hof in Den Haag, waarin tegen een vrijgesproken verdachte wèl voorlopige hechtenis werd gevraagd. “Als het hof in Den Haag, na een vrijspraak door de Haagse rechtbank, toch in hoger beroep voorlopige hechtenis aan iemand kan opleggen, waarom zou dat dan niet in Leeuwarden kunnen, wanneer de rechtbank de verdachte tot maar liefst vijftien jaar veroordeelt?”, vraagt Dittrich zich af.

Sorgdrager schrijft in haar beantwoording dat zij “achteraf van oordeel” is dat “het belang van jurisprudentievorming bij de besluitvorming binnen het openbaar ministerie wellicht zwaarder had kunnen wegen”.

Dittrich ziet in de beantwoording van de vragen van Sorgdrager een veroordeling “in chique bewoordingen” van de handelwijze van het openbaar ministerie in Leeuwarden.