Schrijver Edgar Hilsenrath en de hardheid van de wereld; Je moet natuurlijk geluk hebben

De mensen in de romans van de Duitser Edgar Hilsenrath, hebben geen noemenswaardige geschiedenis. Ze wonen in een getto en ze overleven, of niet. Hilsenrath laat zien hoe hun kansen stijgen naarmate ze beter weten te manipuleren.

De boeken van Edgar Hilsenrath worden uitgegeven door Piper Verlag. In het Nederlands verscheen: De terugkeer van Jossel Wassermann, Uitg. Bodoni, 232 blz. Prijs ƒ 49,90. Over Hilsenrath 'Das unerzählbare erzählen' red. Thomas Kraft, uitg. Piper Verlag.

In 1964 verschijnt Edgar Hilsenraths eerste roman Nacht bij het Duitse Kindler Verlag. Dat het ooit zover is gekomen, is eigenlijk een wonder.

De baas van Kindler, meneer Kindler, is bang dat deze roman verkeerde reacties bij het Duitse publiek kan oproepen en hij besluit een nawoord te schrijven waarin hij uitlegt dat het om 'een hard en onsentimenteel boek gaat.'

Dat een dergelijke nawoord verkeerde reacties zou kunnen voorkomen vind ik een opmerkelijke gedachte.

Toch is Kindler nog steeds bang dat Nacht verkeerde reacties bij het Duitse publiek zal oproepen en de auteur wordt gedwongen een voorwoord te schrijven dat het om een autobiografische roman gaat. Later zal Hilsenrath verklaren dat het helemaal niet om een autobiografische roman gaat en in herdrukken wordt het voorwoord geschrapt.

Nog altijd is de vrees dat dit boek verkeerde reacties bij het Duitse publiek zal oproepen niet gedoofd. Kindler stuurt het boek aan verscheidene recensenten met het verzoek of ze de uitgeverij willen laten weten als ze van mening zijn dat Nacht 'antisemitische tendensen ondersteunt'.

B. Graubard van de joodse gemeente in Beieren laat weten 'dat de joden in dit boek geen medelijden opwekken, eerder het tegenovergestelde'.

Moses Lustig van een joodse krant in München meent dat het boek 'onecht' is. Volgens hem ondersteunt het weliswaar geen antisemitische tendensen, maar hij neemt aanstoot aan de manier waarop seksualiteit in Nacht wordt voorgesteld. Ernest Landau die de publiciteit doet bij Kindler bericht zijn baas 'dat de Joodse pers Nacht eensgezind afwijst'. Iedere schrijver hoopt dat zijn boek reacties zal oproepen. Maar wat zijn verkeerde reacties? En moeten die voorkomen worden? En hoe?

Een schrijver manipuleert. Goed, een huilend kind manipuleert misschien ook. En een reclamespotje voor Omo wil ook manipuleren. Er zijn dus subtiele en minder subtiele methoden van manipulatie. En vooral, niet alle manipulatie beoogt hetzelfde. Een huilend kind wil waarschijnlijk aandacht, het reclamespotje wil zoveel mogelijk wasmiddel verkopen. Een romanschrijver wil de lezer iets doen geloven en iets laten meemaken. Het is goed er nog even aan te herinneren dat een zin in een roman er niet staat, omdat de schrijver toevallig zin had die zin te schrijven, of omdat het echt zo gebeurd is. Maar omdat de schrijver meent dat die zin de meest effectieve is om de lezer dat te doen voelen, en dat te laten meemaken wat hij wil dat de lezer voelt en meemaakt. Dat een schrijver zich kan vergissen, en zich ook vaak vergist, en dat het effect niet bij iedereen hetzelfde zal zijn behoeft geen betoog.

Een roman kan naïef lijken, dus alsof de schrijver nooit heeft nagedacht over enig effect, maar het is zeer waarschijnlijk dat dat schijn is.

Ook blijft het altijd mogelijk dat een effect per ongeluk wordt bereikt. Overigens twijfel ik aan de naïviteit van de meeste geschreven woorden, niet alleen van woorden in romans. Met naïviteit bedoel ik dat de schrijver zich totaal niet bewust is van het effect dat zijn woorden zouden kunnen hebben.

Spontaan

De kans dat het gesproken woord naïef is, is al iets groter. Al was het maar omdat spreken voor de meeste mensen een spontanere bezigheid is dan schrijven. Maar zelfs dan. Iemand die zegt, 'wat zie jij er goed uit vandaag,' zal zich in 99% van de gevallen bewust zijn van het effect dat zijn woorden zouden kunnen hebben. En iemand die een vrouw wil verleiden zal zelden of nooit het gesprek beginnen met, 'wat zie jij er uit als een sloerie, viswijf'. Zij die het aangenaam vinden aangesproken te worden met 'viswijf' behoren tot een kleine minderheid. Dus niet alleen schrijvers, maar de meeste mensen zijn zich tamelijk goed bewust van het effect dat hun woorden kunnen hebben.

Ik bewonder Hitchcock die zijn publiek wilde bespelen als een kerkorgel en die daar bijna tot op de sekonde nauwkeurig ook in slaagde.

Natuurlijk kan manipulatie gebruikt worden voor een kwalijke zaak. Een massa kan worden opgehitst en gemanipuleerd om een dorp te plunderen en in brand te steken. Maar dat maakt manipulatie nog niet tot iets negatiefs. Een soeplepel kan worden gebruik om iemand een oog mee uit te steken. Dat maakt de lepel nog niet tot een schuldig voorwerp.

Zelfs voor iemand als Hitchcock bestaat er geen manipulatiegarantie. Neem het volgende voorbeeld: iemand rookt een jointje, ziet de film The Man who knew too Much en barst in schaterlachen uit op het moment dat de spanning zijn keel had moeten dichtknijpen. Bewijst dit dat Hitchcock een komediant is? Nee. Heeft Hitchcock gefaald door dit schaterlachen? Nee. Is Hitchcock verantwoordelijk voor dit schaterlachen? Ik zou zeggen, nee.

Er zijn dus allerlei factoren waarover zelfs de beste schrijver of filmmaker geen controle heeft. En hoe graag ik ook de totale controle over mijn lezers zou willen hebben, hoe graag ik ook zou willen dat mijn woorden een web zijn waaruit geen ontsnappen mogelijk is, hoezeer ik er ook van droom mijn lezers te bespelen als een marionettenspeler zijn marionetten, ik besef dat het onmogelijk is. En ik acht het niet denkbeeldig dat als ik ooit totale controle over mijn lezers zou krijgen, ik mijn interesse in het schrijven zou verliezen en mijzelf zou omtoveren tot tafeltennisspeler.

Nu is het hopelijk duidelijk dat een schrijver niet per definitie verantwoordelijk is voor verkeerde reacties die zijn boek zou kunnen oproepen.

Nacht speelt in een getto. De bewoners van dit getto (het wordt niet met zoveel woorden gezegd, maar waarschijnlijk joden) doen van alles om te overleven. Ze stelen, ze ruilen seks voor brood en slaapplaatsen, ze slaan gouden tanden uit de monden van doden en halfdoden, ze laten zieken creperen, creperen zelf. Dat de roman antisemitische tendensen ondersteunt moet krachtig ontkend worden, en niet alleen omdat Hilsenrath toevallig zelf jood is en een tijd in een getto heeft gewoond. Van een romanschrijver kan niet worden verwacht dat hij in het kader van wat Aufklärung zijn boek volstopt met goeie, lieve, sympathieke joden die als het enigszins kan ook nog eens op het dak van hun huis viool spelen.

Kindler liet ten slotte maar 1.250 exemplaren van Nacht drukken. Twee jaar later kwam het boek in vertaling uit bij Doubleday in Amerika en daar werden er 500.000 exemplaren van verkocht. Men achtte het Amerikaanse volk beter bestand tegen dit boek dan het Duitse.

De mensen die meenden dat het Duitse volk niet tegen Nacht bestand was, waren keurige mensen met goede bedoelingen die een goed doel dienden: de bestrijding van antisemitisme in Duitsland.

Neveneffecten

Hoe gevaarlijk het kan zijn te beweren dat een volk niet bestand is tegen een boek, of dat een boek ongewenste neveneffecten zou hebben, wil ik aantonen met het volgende voorbeeld:

In Amerikaanse staat Oklahoma heeft een rechter onlangs besloten dat de film Die Blechtrommel naar het gelijknamige boek van Günter Grass, kinderpornografie is. Iedereen die in Oklahoma een video van die film in zijn bezit heeft kan worden opgepakt en vervolgd. Ik zeg het er maar even bij, dit is geen hypothetisch voorbeeld. Dit is werkelijkheid. De wet die deze uitspraak mogelijk maakte was ingesteld om kinderporno Oklahoma en de Verenigde Staten uit te helpen. Wat voor zover ik het kan overzien een redelijk nobel doel is.

Een uitspraak van Kenneth Anderson in Times Literary Supplement over de uitspraak van de rechter in Oklahoma wil ik u niet onthouden: “In order to play with power in the public sphere, the religious Right has raised childhood higher than its God, precisely because it knows that children are a god for the secular and so can be invoked in public in a way that God Himself, cannot.”

Vervang in bovenstaande zin kinderen door joden, negers, vrouwen of hun mannen, en het moge duidelijk zijn hoe belangrijk het is dat Gods troon op deze wereld leeg blijft.

Hilsenrath moest tot 1977 wachten tot zijn werk weer in zijn geboorteland (Duitsland) kon verschijnen. Hoewel Hilsenrath enige tijd in Israël woonde en nog langere tijd in New York, was hij altijd in het Duits blijven schrijven.

Misschien was het Duitse volk rijp geworden voor Hilsenrath of waren zijn critici van mening veranderd.

In 1977 verscheen Der Nazi & der Friseur. Een roman over een Nazi, en massamoordenaar, die na de oorlog de identiteit van een van zijn slachtoffers aanneemt en in Israël gaat wonen om aan vervolging te ontsnappen. Hij heeft onder andere duizenden joden in een bosje neergeschoten en is bij die gelegenheid gaan roken. Het is bewonderenswaardig met hoeveel inlevingsgevoel Hilsenrath duidelijk maakt dat het neerschieten van allemaal mensen achter elkaar, geen pretje moet zijn, en dat je er zelfs behoorlijk overspannen van kan raken.

Aan het eind van de oorlog komt de Nazi tot de conclusie dat de joden de oorlog gewonnen hebben en hij besluit jood te worden.

Aangezien de Nazi er erg joods uitziet (hij heeft bruine ogen en een kromme neus) en altijd een joods vriendje heeft gehad, kost het hem geen enkele moeite zich als jood voor te doen. Hij gaat naar Palestina, trouwt daar en opent een kapsalon in Tel Aviv. Hij raakt bevriend met veel van zijn voormalige slachtoffers die er nooit achter komen wie hij in werkelijkheid is. Ten slotte spreekt hij Duits net als zij, maar ook heeft hij jiddisch geleerd, houdt hij joodse feestdagen, maakt hij joodse moppen, en denkt met enige weemoed terug aan het oude Duitsland. Hij is kortom net een Duitse jood.

Op een gegeven moment lijkt hij zelf te vergeten dat hij ooit een Nazi was.

Der Nazi und der Friseur is verrassender dan Nacht. Hilsenraths roman Bronskys Geständnis is grappiger dan Nacht. Jossel Wassermanns Heimkehr is liever en weemoediger dan Nacht. Das Märchen der-letzte Gedanke zit beter in elkaar dan Nacht. En Ruben Jablonski leest makkelijker weg dan Nacht.

Maar Hilsenraths beste roman blijft Nacht.

Hoofdpersoon van Nacht is Ranek. Een man met een hoed. Een jonge man waarschijnlijk, maar zelfs dat weten we niet zeker. Wat weten we verder over Ranek en het getto waar hij leeft? Dat hij op zoek is naar een slaapplaats en naar eten. Dat hij graag met een vrouw wil slapen, maar dat hij impotent is. Dat een dode een slaapplaats betekent die vrij is geworden. Dat hij steelt en bedriegt. Dat hij af en toe een slaapplaats verkoopt in ruil voor seks, maar aangezien hij impotent is eigenlijk in ruil voor warmte. Dat hij direct na de dood van zijn broer een gouden tand uit diens mond slaat, omdat die tand anders gestolen zou worden. Maar aangezien hij alleen maar een hamer heeft, moet hij het met een hamer doen en zo verbrijzelt hij het halve gezicht van zijn broer. Dat hij de vrouw van zijn broer begeert. Dat hij van een bedelaar steelt. Dat een mooie damesonderbroek een paar weken eten betekent. Dat er een tyfusepidemie heerst.

Slaapplaats

Wat is de kracht van Nacht?

Ten eerste wat Hilsenrath allemaal heeft weggelaten.

Een aanzienlijk gedeelte van het boek van 446 pagina's gaat over mensen die op zoek zijn naar een slaapplaats, op zoek zijn waren voor eten te ruilen, op zoek zijn naar een tafel om een abortus uit te voeren.

Dat dit niet gaat vervelen komt omdat Hilsenrath duidelijk maakt dat er geen andere activiteiten te doen zijn, dat elke andere activiteit de dood betekent. En ook omdat Raneks fantasie en vernuft onuitputtelijk lijken. Als het hopeloos lijkt weet Ranek nog wel een manier te verzinnen om aan eten of een slaapplaats te komen. Tot hij ook aan de tyfus crepeert.

De mensen in Nacht hebben geen noemenswaardige geschiedenis. Ze hebben eigenlijk helemaal geen geschiedenis. Ook is er geen tijd voor reflectie. Ze zijn er en ze moeten overleven, of niet. Er komen in het hele boek geen Nazi's voor, alleen de gevangenen.

Primo Levi zei: “Die leuzen die je soms op muren ziet: 'fabriek = concentratiekamp', 'school = concentratiekamp', die vind ik stuitend: het is niet waar. Niettemin, en dat is het tweede antwoord, kunnen ze dienen als metafoor. Ik heb zelf in Is dit een mens geschreven dat het een spiegel was van de situatie daarbuiten, maar een vervormende spiegel. Het feit bijvoorbeeld dat er automatisch en onvermijdelijk een hiërarchie ontstaat onder de slachtoffers, dat is iets waarover nog niet genoeg is nagedacht; het feit dat er overal gevangenen zijn die opklimmen over de ruggen van hun medegevangenen.”

Hilsenrath laat in Nacht niet zien waar de mens allemaal toe in staat is, want dat weten we wel. Hij laat zien hoe subliem de Nazi's hun gevangenen manipuleerden, en hoe subliem de gevangenen elkaar manipuleerden, en dat zelfs een halfdode nog te manipuleren is. Zolang iemand hoop heeft valt diegene te manipuleren, ontneem iemand zijn hoop en er valt niets meer aan te manipuleren. Hilsenrath laat zien dat hoe beter je weet te manipuleren, hoe groter de kans is dat je overleeft. Al moet je natuurlijk ook geluk hebben. Zelfs de meester-manipulator Ranek legt het af tegen de tyfus.

Edgar Hilsenrath is niet alleen altijd in het Duits blijven schrijven, hij is ten slotte ook weer in Duitsland gaan wonen. “Ranek hat nicht gewagt aufzustehen,” schijft Hilsenrath. “Ich entsinne mich. Er ist still dagesessen, und nur seine Hände haben zich leise bewegt. Seine Hände haben Ihr Haar gestreichelt, Debora. Immer wieder haben sie es gestreichelt. Immer wieder und immer wieder. Und da hab' ich zu mir gesagt: soviel Zärtlichkeit hätt'st du dem dreckigen Kerl gar nicht zugetraut. Und ich hab' zu mir gesagt: Debora ist glücklich. Und ich hab' mir ein Bisschen gewundert, wissen Sie. Aber dan hab' ich zu mir gesagt: Glück gibt es auch hier bei uns. Es gibt noch das Glück der Frierenden, die eine warme Decke finden. Und das Glück der Hungrigen, die Brot finden. Und das Glück der Einsamen, die Liebe finden.

“Die alte Frau sagte nun nichts mehr, abwohl es noch vieles gab, was sie gern gesagt hätte, um die Zeit totzuschlagen.”