Rondrennend doodgravertje

In Erik of het klein insectenboek van Godfried Bomans komt Erik op een gegeven moment een doodgraver tegen, een kevertje dat tot taak heeft dode insecten te begraven. Dit kevertje vraagt gretig aan hem: “En u gevoelt ook helemaal niet de neiging om op uw rug te gaan liggen en uw twee pootjes in de hoogte te steken?” De doodgraver wil maar één ding, dode gediertes in de aarde stoppen.

Wie even gaat liggen moet oppassen, want voor hij het weet, is hij begraven. “Wij waren juist aan het beraadslagen of u dood was of niet. Jammer, jammer.”

Het is oneerbiedig tegenover al diegenen die moeilijke keuzes moeten maken, maar soms lijkt het toch net of er in Nederlandse zieken- en verpleeghuizen zo'n doodgravertje rondrent. Natuurlijk zijn artsen en verpleegkundigen geen doodsbrigades. De associatie is vast over het algemeen onterecht, maar opgedrongen door het eigenaardige geval in verpleegtehuis 't Blauwbörgje: de demente bejaarde die geen eetlust heeft, komt als vanzelf in aanmerking voor het verstervingsbeleid. “Zoudt u niet gaan liggen met uw pootjes in de hoogte? [...] Dan graaf ik vast een kuiltje.” En vervolgens wordt dat verdedigd met de redenering dat een Alzheimer-patiënt die voedsel weigert dood wil en dat we dat moeten respecteren. Dat dat allang praktijk is in Nederland. Het is zo gruwelijk dat je liever wilt lachen met Bomans.

Iemand die voedsel weigert wil helemaal niet per se dood. Soms vast wel - maar het is niet makkelijk dat vast te stellen. Sommige kleine kinderen vertikken het stelselmatig om te eten. Willen die dood? Reageert hun lichaam heel biologisch en natuurlijk? Meisjes met anorexia - doodswens? Welnee. Dat iemand niet wil eten, ook dat iemand weinig levenslustig of zelfs apathisch is, zegt niet dat hij of zij dood wil.

Zelfs dat iemand zègt dat hij dood wil, betekent nog niet dat dat ook werkelijk zo is. In een gemoedstoestand kan verandering komen. Dat weet elke arts en verpleegkundige en het maakt het praten over euthanasie er niet makkelijker op, al is het niet onmogelijk. Maar het maakt de discussie over het laten sterven van patiënten die niet eens in staat zijn om iets te zeggen tamelijk spookachtig.

Versterven is geen euthanasie. Iemand bij wie de levensverwachting beperkt is geraakt tot nog maar enkele weken en die in staat is te beslissen dat hij niet meer wil eten of drinken, moet niet gedwongen gevoed worden. Maar als het gaat om iemand die níet in staat is een dergelijke beslissing te nemen? De 'Commissie Aanvaardbaarheid levensbeëindigend handelen' van de KNMG meent, zo schrijft hoofdredacteur Cor Spreeuwenberg van Medisch Contact in Trouw, “dat herhaalde voedselweigering door een ernstig demente patiënt gerespecteerd dient te worden”.

Tja. 'Gerespecteerd', dat woord valt steeds weer. Maar wàt wordt er dan eigenlijk gerespecteerd? De bejaarde in 't Blauwbörgje was weliswaar dement maar, volgens zijn vrouw en dochter, buitengemeen levenslustig en vrolijk. Toch weigerde hij voedsel in het verpleegtehuis. En dat werd 'gerespecteerd'.

Achter dat respect zit toch de verborgen gedachte dat het leven voor een demente bejaarde eigenlijk geen zin meer heeft. Dus als hij niet meer wil: alle respect.

Er zijn mensen die in een stadium komen waarin ze echt niet verder willen leven. Soms is levensverlenging uitsluitend lijdensverlenging. Maar soms ook zijn er mensen die tot op het laatst alles wat het leven uitmaakt de moeite waard vinden. En hoe stellen we vast wat het geval is als iemand niet meer in staat is daar coherent verslag van te doen? Bij iemand die dement is, moet een ander beslissen of het leven voor hem of haar nog zinvol is. Daar zijn richtlijnen en overwegingen voor geformuleerd en die geven wel enig houvast, maar toch. In een dergelijke beslissing zit hoe dan ook een element van hybris, van het overschrijden van de menselijke maat.

Iedereen weet dat als iets één keer straffeloos gedaan is, dat het dan de volgende keer makkelijker gaat. Wat het ook is. Dat nieuw verworven gemak heeft niets te maken met een morele rechtvaardiging, integendeel bijna. Het betekent dat het minder nodig wordt gevonden om nog na te denken over wat een bepaalde beslissing eigenlijk betekent.

Achteloosheid en routine zijn het grote gevaar van 'de praktijk' waarin geregeld bejaarde patiënten versterven, of verstorven worden, op grond van de beslissing dat hun leven niet meer zinvol is. Een dergelijk oordeel zou uitsluitend met grote huiver uitgesproken mogen worden. Àls het al uitgesproken zou moeten worden. En nooit, nooit zou het mogelijk moeten zijn dat we onze vader, onze man, onze moeder zonder dat we daar iets van wisten uitdrogend aantreffen. En al helemaal niet dat iemand dan spreekt van 'gebrek aan communicatie'. Waar gebrek aan heerst, dat is aan een vanzelfsprekend respect voor het leven. Was dat er wel, dan zou het aan communicatie niet ontbreken, omdat dan gevoeld zou worden dat er een grens werd overschreden. Maar misschien zijn we die al onherroepelijk over.

We zullen nog geheel gewend raken aan het volijverige doodgravertje dat tevreden verzucht: “De dood is een rechtvaardige zaak, en vroeg of laat steken wij allen onze pootjes omhoog.”