Overzichtstentoonstelling van Karl Iljitsj Pelgrom in Arnhem; Iedereen maakt al mensen

Beeldhouwer en wereldverbeteraar Karl Iljitsj Pelgrom schiep aanvankelijk beesten, die eruit zagen alsof ze niet gemaakt waren. “Hij was geen beeldhouwer die de materie radikaal aan zijn vormwil onderwierp.” Later, op de Groningse klei, maakte hij totems, verbluffend mooi en soms voorzien van een huiselijke titel als 'Marie'.

De expositie van Karl Pelgrom in het Museum voor Moderne Kunst, Utrechtseweg 87, in Arnhem duurt t/m 31 augustus. Openingstijden di t/m vr 10 tot 17 uur; za en zo 11 tot 17 uur; ma gesloten. Ter gelegenheid van de expositie is een boekje verschenen met de titel Karl Iljits. Prijs ƒ 8,50

Een punt van zorg voor de nabestaanden van de revolutionaire kunstenaar gold niet de kwaliteit van zijn werk maar de inrichting van zijn tentoonstelling. Aan een conventionele presentatie van zijn kunst in ondermeer glazen vitrines viel niet te denken. De expositie over de 'Beeldhouwer & Wereldverbeteraar', Karl Iljitsj Pelgrom (Rotterdam 1927-1994 Amsterdam), in het Arnhems Museum voor Moderne Kunst, oogt dan ook als een soort opslagruimte. Afgezien van een klein aantal achter glas geplaatste plastiekjes in zakformaat, tref je in de museumzalen verschillende stapels houten kratten aan waarop de boel is uitgestald. Wel zijn de kunstwerken met een ijzerdraadje vastgebonden aan de kratten. Maar een dergelijke ingreep is onvermijdelijk in een maatschappij waarin het anti-kapitalistische beginsel 'eigendom is diefstal' nimmer een voet aan de grond heeft gekregen.

Op de eerste overzichtstentoonstelling die een Nederlands museum aan Karl Pelgrom heeft gewijd, zie je behalve sculpturen, assemblages, tekeningen, plattegronden van zijn omgevingskunst-projecten, foto's en andere documenten. De belichting van zijn oeuvre is noodgedwongen fragmentarisch gebleven. Voor zover de kunstenaar zijn werk niet zelf vernietigde, deden anderen het wel voor hem. De overgebleven kunstwerken zijn niet gedateerd noch gesigneerd.

De vroegste plastieken op de tentoonstelling moet Pelgrom in de jaren vijftig hebben gemaakt. Hij was geen beeldhouwer die de materie radikaal aan zijn vormwil onderwierp. Kleine, in steen uitgevoerde objecten die op een plankje zijn geplaatst, lijken door de natuur te zijn aangedragen. In de steen zijn soms enkele subtiele lijntjes gekerfd die aan potloodkrassen herinneren. De schroomvalligheid van Pelgroms artistieke ingrepen uit zich ook in zijn diersculpturen die in steen en hout zijn uitgevoerd. Zo exposeerde hij op de 'Internationale Beeldententoonstelling Sonsbeek '55' een hardstenen vis met de magische lading van een ethnografisch object. Ook aan deze plastiek lijkt geen kunstenaarshand te pas te zijn gekomen. Het is veeleer of Pelgrom door middel van miniem hakwerk in de steen de reeds gegeven vorm van een vis uit de materie bevrijdde. In zijn plastieken van (huis-)dieren als katten, hanen, uilen, neushoorns of een wisent, vermeed hij iedere suggestie van bewegelijkheid. Pelgroms kracht leek juist te schuilen in zijn primitieve, bijna onhandige benadering van de vorm.

De diersculpturen ontstonden nadat Pelgrom, in 1952, van Amsterdam naar Velp was verhuisd. In deze periode deed hij de nodige technische ervaring op. Na eerst een tijdje bij de Hevea-bandenfabriek en vervolgens in een bronsgieterij te hebben gewerkt, werd Pelgrom assistent van de beeldhouwer Carel Kneulman die hij, in 1944, gedurende een kortstondige studie aan de Amsterdamse Rijksacademie voor het eerst had ontmoet. Pelgrom hielp Kneulman in het midden van de jaren vijftig bij de restauratie van de Arnhemse Eusebiuskerk en bij het maken van reliëfs voor het, in dezelfde stad gelegen, nieuwe Provinciehuis. Hij trad eveneens op als assistent van Wessel Couzijn die bezig was met de uitvoering van zijn reeks reliëfs over de Slag om Arnhem. In De Steeg werkte Pelgrom in een kunststeenfabriek waar hij zich bezighield met het gieten en afwerken van plastieken en kleurexperimenten.

Door de creatie van de diersculpturen deed de 28-jarige kunstenaar omstreeks deze tijd voor het eerst in zijn loopbaan van zich spreken. Maar het idee om beroemd te zijn in Arnhem en Velp sprak hem niet aan. Op het etiket 'beestenbeeldhouwer' had hij het evenmin begrepen: “Ik ben geen beestenbeeldhouwer; ik nam alleen maar beesten omdat ik geen zin in mensen had. (-) Ik dacht; iedereen maakt al mensen, ik ga beesten maken. Mooie vormen, plastisch, kan je het lekker op leren”, liet hij zich ooit ontvallen.

Beesten

Eenmaal teruggekeerd in Amsterdam, ging hij overigens door met het maken van beesten. Op een beeldententoonstelling in de Keukenhof, in 1956, sleepte Pelgroms gipsen everzwijn zelfs de eerste prijs in de wacht. Zijn Arnhemse expositie wijst uit dat de beeldhouwer aan het eind van de jaren vijftig toch nog aan een mens toekwam. Zijn uit eikenhout gemodelleerde 'Visser', uit circa 1958, herinnert zowel aan een archaïsch tempelbeeld als aan zo'n dynamische Zeeuw op een vroeg schilderij van Charley Toorop. De samengebalde vorm van de visser drukt stoerheid uit, onbewegelijkheid en iets onzegbaar duisters.

Pelgrom begon zich vervolgens meer en meer toe te leggen op de creatie van een soort eigen totemcultuur. Sommige van die langgerekte, in eiken, teak of afvalhout uitgevoerde sculpturen zijn verbluffend mooi zoals de totem met de huiselijke titel 'Marie'. Opnieuw krijg je het idee dat Pelgrom over het geheim beschikte om een gestalte aan de materie te ontfutselen. Het is alsof hij het hout slechts van een paar inkepingen en ornamenten hoefde te voorzien om tot een afgerond beeld te komen. De totems herinneren sterk aan primitieve kunst maar zijn er geen kopie van. Door de abstrahering van de vorm en de bewerking van het oppervlak plaats je ze in de traditie van de moderne kunst. Lang niet alle totems die Pelgrom in Arnhem toont, zijn overigens succesnummers. Soms stellen ze niet meer voor dan een houten balk met ambachtelijk houtsnijwerk, met een spijker erin getimmerd waaraan bijvoorbeeld een decoratieve ijzeren ketting is opgehangen.

Tijdens het totem-tijdperk verhuisden de beeldhouwer en zijn vrouw, die zich later zou ontpoppen als de met verschillende gouden griffels bekroonde kinderboekenschrijfster Els Pelgrom, opnieuw. Dit keer van Amsterdam naar het communistische bolwerk Finsterwolde waar de hereboer Albert Waalkens zijn koeienstal tot een legendarisch geworden expositieruimte had laten ombouwen. De revolutionair in Karl Pelgrom lijkt in Finsterwolde tot wasdom te zijn gekomen om de kunstenaar in hem langzaam maar zeker te laten afsterven.

Het leek aanvankelijk een ideale omgeving voor Pelgrom om zijn artistieke talenten verder te ontwikkelen. Waalkens had als een rechtgeaarde mecenas voor gratis woonruimte gezorgd. Het gezin Pelgrom woonde aanvankelijk in Beerta en later in een boerderij in Finsterwolde die eigendom was van de moeder van Waalkens. Openingen van exposities in Waalkens poldergalerie waren aanleiding voor menige Amsterdamse artiest om naar Finsterwolde af te reizen. Je trof Waalkens toenmalige vrouw Frederika dan niet zelden achter haar spinnewiel aan, dat in de achterbak van een in de schuur geparkeerde vrachtwagen was geplaatst. Waalkens serveerde bij de openingen steevast in eigen beheer vervaardige bloedworst. De Pelgroms betoonden zich niet minder gastvrij. Amsterdamse bezoekers konden er blijven overnachten waarbij de Pelgroms hun eigen bed beschikbaar stelden om zelf op de grond te gaan slapen.

Sloot

Waalkens voorzag Pelgrom ook van kunstzinnig materiaal in de vorm van uit de voormalige koeiestal afkomstige, oude eiken balken. Pelgroms totems groeiden uit tot Totem-installaties, gevormd door in de grond gestampte balken van verschillende afmetingen die verticaal of diagonaal uit de Groningse klei omhoog staken. De plaatselijke bevolking was er niet van onder de indruk. Een door Pelgrom aan de gemeente geschonken sculptuur, schijnt binnen een week in de dichtstbijzijnde sloot te zijn gedumpt. De beeldhouwer werd er niet door ontmoedigd.

Hij stelde meer belang in het creatieve proces dat in het eindprodukt dat volgens hem een tijdelijk bestaan diende te leiden om vervolgens in verval te raken en van de aarbodem te verdwijnen.

Niettemin raadde hij Waalkens, in 1963, aan aan om langs de Hoofdweg van het dorp beelden te laten plaatsen van hem zelf en van kunstenaars als Cornelius Rogge, John Grosman en Ben Guntenaar. Met dit idee liep Pelgrom vooruit op de grote beeldenroute door Oostgroningen die twee jaar later zou plaatsvinden. Als telg uit een Trotskistisch gezin, leek de beeldhouwer niet goed raad te weten met zijn houding tegenover de hereboer. Zijn beschermheer was een kapitalist en dus in wezen verwerpelijk, terwijl de rode landarbeiders bij wie zijn hart lag, geen zier op hadden met het groeiende aantal artistiekelingen dat zich had aangematigd om in hun dorp een kunstenaarskolonie te vestigen.

Voor Pelgrom leek het uitgestrekte Groningse landschap een inspiratiebron te zijn. “De natuur heeft ons zoveel te vertellen”, schreef hij, in 1964, op een tekening. Aan zijn kunst is dat niet af te zien. Op zijn tentoonstelling tref je vermoedelijk in de jaren zestig onstane, ruwhouten objecten aan diegekunsteld aandoen. Omwille van het primitieve effect zijn ze zijn vaak gedeeltelijk met koper beslagen en soms steken er spijkers uit. Sommige objecten dienen zich aan in de vorm van kruizen, anderen herinneren sterk aan altaartjes. Deze zwakke, decoratieve kunstwerkjes luiden tevens het einde van Pelgroms oeuvre in.

Kontlikkers

Je zou het een vorm van predestinatie kunnen noemen dat Pelgrom de spil zou worden van een in Finsterwolde onstaan kunstenaarscollectief dat opereerde onder de naam Instituut voor Creatief Werk (ICW). De leden verzetten zich tegen de aan het marktmechanisme onderhevige kunstwereld en de daartoe behorende 'kunstpooiers' en 'kontlikkers'. Het leven van Karl Pelgrom had sinds zijn jeugd in het teken van de wereldrevolutie gestaan. Zijn ouders waren raden-communisten. Zijn vader Rinus Pelgrom was de eerste Hollander die na de Revolutie naar Rusland was gegaan. Hij propageerde de uitbreiding van het gezin dat tenslotte tien kinderen telde, onder het motto: “De bourgeoisie heeft ook net zoveel kinderen als ze wil”. Aan het betalen van huur, gas- en electra-rekeningen deed hij niet. De familie wachtte af tot ze door de huisbaas wegens huurschuld uit hun woning werden gezet om vervolgens een andere woning te huren. In de oorlog dook senior onder om in het verzet te gaan. Karls moeder, Greetje, bleef met haar kinderen en tien joodse onderduikers in Amsterdam achter.

In het ICW vond Karl Pelgrom als het ware een na-oorlogs verzetsclubje dat het culturele establishment onder vuur poogde te krijgen. Het restgebied van hun aktiviteiten wordt op de Arnhemse tentoonstelling gemarkeerd door foto's, pamfletjes en vergeelde kranteknipsels uit provinciale dagbladen. Er valt niet uit op te maken welke denkbeelden Karl Pelgrom er nu precies op nahield. Het collectief richtte zich op 'omgevingskunst-projecten' ondermeer in de vorm van 'anonieme interieurs' die er op de foto's uitzien als moedeloos makende uitdragerijen. Bij de ontbinding van het ICW werden werken van Pelgrom ongevraagd door een bentgenoot vernietigd.

Na 1983 werd het stil rond Karl Pelgrom. Hij betrok in zijn eentje een woning in de Amsterdamse Herenstraat en frekwenteerde de nabij gelegen Jordaankroegen. De laatste jaren zou hij zich in het geheim hebben bezig gehouden met de creatie van een soort Merz-kunstwerk in zijn bovenwoning. De nu in Arnhem getoonde onderdelen van dit interieur maken een schamele indruk. Je ziet een met verf bespoten en in kunstleer verpakte ouderwetse crapaud met een kanten kleedje, behang en een uitvergrote houten sleutel die nergens op past.