l'Art pour l'art (2)

De generatie van degenen die nu tussen begin dertig en naderend veertig zijn (behoedzaam geformuleerd) heeft de beste herinneringen aan de apenorkesten. Onderzoek in mijn omgeving leert dat ze over het hele land verspreid waren. Er stond een apenorkest in de Rotterdamse Diergaarde, bij V&D in Eindhoven, in de ingang van een Nijmeegse disco.

Ik herinner me die op de kinderschoenenafdeling van de Amsterdamse Bijenkorf. Het was een grote glazen bak waarin op een concertpodium ongeveer dertig bruine, wollige apen zaten, ik schat van een centimeter of tien. Gooide je een dubbeltje in de gleuf van de automaat, dan begonnen ze energiek het nummer te spelen dat in het inwendige van de automaat op een grammofoonplaat werd afgedraaid. Het was een tafereel van vrolijke chaos. De kinderen waren er niet weg te slaan.

Waarschijnlijk zijn de orkesten versleten, staan ze afgedankt op zolders of zijn er ernstiger dingen mee gebeurd. Maar de herinnering leeft voort. “Heb jij de apenorkesten nog gekend?” Wie dat wordt gevraagd, begint vriendelijk, onschuldig te lachen. Eén van mijn ondervraagden was er zelfs van overtuigd dat er een konijn tussen de apen was geslopen. Het konijn speelde viool. Zo heb je wel meer dromen die je later voor de waarheid van je verleden aanziet.

Nu de bange vraag: is het apenorkest kunst? Ja. Een anoniem gebleven kunstenaar heeft een schitterend denkbeeld gekregen, is aan het werk gegaan, heeft tekeningen gemaakt. Gedreven door zijn voorstelling van de voltooide machine heeft hij de soms hemeltergende weg van proberen en mislukken afgelegd, en eindelijk was het zo ver: het eerste apenorkest bracht zijn eerste nummer ten gehore. Ik wou dat ik erbij was geweest. Deze kunstenaar heeft toevallig iets gemaakt dat vatbaar was voor massaproductie. Is het een bezwaar? In dit geval niet. De aanblik van en de herinnering aan de apenorkesten brengen degenen die de voorstelling hebben beleefd, nog altijd tot een ogenblik van tevreden, zo niet gelukkig lachen. Dit is een resultaat dat wordt bereikt door de kunst van het bewegen.

In Nederland worden deze bezigheden en hun resulaten dikwijls niet beschreven met de waardering voor de hierboven beschreven lach; ze worden een beetje lacherig bejegend. Zo bijvoorbeeld beschrijft een kunstcritica de serie geluidsmachines die nu achtereenvolgens in de Amsterdamse IJsbreker tentoon worden gesteld als 'muziekrobots uit het brein van Willie Wortel'. Willie Wortel is de Nederlandse naam voor de uitvinder in de avonturen van Donald Duck. Het is de meest ongelukkige vertaling voor een naam die je kunt verzinnen. Hoor je van iemand die zo heet, dan ben je geneigd te denk aan een knoestige zonderling met een oranje neus. In het Amerikaans heet hij Gyro Gearloose. Daaruit blijkt al dat hij niet uit de groenteteelt afkomstig is. Hij is vernoemd naar de draaiende beweging, die overgebracht op een mechanisme van versnelling of vertraging, in zijn geval tot niets leidt, waardoor Gyro ongewild misschien de lachers op zijn hand krijgt. De lacherigers, zou je moeten zeggen; de bespottelijk-makers. De Nederlandse vertaling van de naam is een uitnodiging aan het adres van de lacherigers om flink te gaan proesten. In werkelijkheid is Gyro, om maar eens iets te noemen, de uitvinder van de zwarte lamp. Voor André Breton om jaloers op te worden. (Er bestaat, of bestond, wel een Franse uitgeverij die Le Soleil Noir heet).

Overigens geen liefhebber van Duck zijnde, ken ik het complete oeuvre van Gyro niet. Wel dat van Guust Flater, zoals hem dat is toegedicht door Franquin, de Belgische stiptekenaar die in januari is gestorven. Flater is in zijn naïeve kinderlijkheid een dichter van de beweging die in zijn constructies veel te danken heeft aan zijn talent voor beeldspraak. In een voorwerp, een mechanisme, een onderdeel dat voor een nuttig doel ontworpen is, ziet hij een volstrekt andere mogelijkheid tot bruikbaarheid. Een metafoor onthecht en vernieuwt en brengt daardoor een verheldering tot stand. Dat is een resultaat, tot niets anders dienend dan wat het al is: de verheldering die bij de toeschouwer, als het goed is, een gevoel van bevrijding, opluchting veroorzaakt. Je hoeft het niet op die manier te beredeneren - liever niet - maar op de keper beschouwd is het een: het kan ook anders, hier zijn we even van de grote-mensen-discipline af!

Voor wie het niet geloven wil, beroep ik me op Goethe. De ene mens heeft meer geluk dan de andere. Geluk heeft in ieder geval degene die 'etwas vom Kinde gerettet hat.' Zo staat het er in Goethe's eigen woorden.

(wordt vervolgd)