'Ik koos voorlopig voor verder vervuilen'

“Ik heb ontzettend droge schaamlippen”, roept mijn buurman Martin midden in de nacht; hij bedoelt dat hij graag iets wil drinken. “Het maakt niet uit wat, want ik ben een wandelende champignonkwekerij”, zegt hij. De nachtzuster geeft hem een plastic bekertje thee en biedt aan hem 'even te vernevelen'.

Martin B. en ik deelden een kamer op de vierde etage van een Gelders streekziekenhuis; beiden onverwachts uit het leven geplukt, in een ambulance gelegd en opgenomen. Hij hing tijdens het uitlaten van de hond opeens voor pampus in de wilgen; ik had wekenlang niet geslapen, was ongewassen en ongeschoren, droeg geen onderbroek en niet bij elkaar passende sokken.

De eerste dag was het stil, met een zuurstofslang in de neus is het moeilijk praten. We lagen te ademen, dat was al werk genoeg, medicijnen vloeiden via een infuus in onze aderen; 's nachts kreeg hij morfine plus een handvol pillen, ik hormooninjecties.

De tweede dag begon, ik had geen oog dichtgedaan maar bedeesd gepiept en uitgeput genoten van de zacht ruisende zuurstof uit de muur. Een zuster trok de gordijnen open en buurman riep: “Zo scheet, al terug van de disco?” Kordaat duwde zij een temperatuurmeetpistool in zijn oor, even later in het mijne. “Wast u zich zelf of moet u een handje worden geholpen?” vroeg ze. Ik koos voorlopig voor verder vervuilen, buurman beweerde dat hij heel goed in staat was.

Bij ontbijt op bed hoort verbroedering, in een mum van tijd waren we op de hoogte van elkaars kwaaltjes. Hij had dusdanig uitgezaaide kanker dat verdere behandeling zinloos was; ik verkeerde in ademnood. Hij bezat een document waarin hij behandeling weigerde en een brief van koningin Beatrix, gesigneerd te Lech - 'Hé buurman, ooit de handtekening van Bea gezien?' - waarin hem gratie werd verleend voor gevangenisstraf ('pedofiel in elkaar geslagen').

“Mijn longen zijn naar God” meende ik te verstaan maar hij bedoelde dat ze aan gort waren; zijn gebit zwom in een glas op het tafeltje. De verpleegster foeterde hem uit omdat hij saffies rookte in de douchecel.

Tijdens het middagbezoekuur bracht mijn huisbuurman verschoning: onderbroek en sokken, The collected stories van William Trevor (schitterend), post en kranten. Tranen biggelden over mijn wangen, voor woorden was het nog te vroeg. Na het bezoekuur leerde ik razendsnel bij. “Ik ga de tactiek van de verschroeide aarde toepassen”, riep ziekenhuisbuurman en verscheurde een handvol gemeente- en rijksbelastingaanslagen. “Straks neem ik een enkeltje Tsjechië, daar heb ik een paar jaar geleden een verlaten Stasi-opleidingskamp van meer dan zestien hectare gepacht, dat wordt nu door een colonne Russen omgetoverd tot vakantieoord.”

Die avond daalden we met infuus en al af naar de eerste etage, waar koffie maar een piek kost en waar de asbakken staan. Daar zaten de onverbeterlijke rokers, de verkankerden en de moppentappers: “Weet je wat gekke koeien doen als ze zich vervelen? Varkens pesten natuurlijk”. Ik lachte en realiseerde me dat ik het praten over koetjes en kalfjes ben verleerd; jaloers ben op wie het wel kan. Misschien houdt onbekommerd kletsen de wanhoop buiten de deur.

Die nacht drentel ik urenlang met mijn infuus aan een paal op wieltjes de gang op en neer, heb tabak van buurmans geleuter en gereutel, kan niet slapen wegens benauwdheid en ben bovendien benieuwd wat een streekziekenhuis aan lectuur biedt. Eindelijk lees ik de hilarisch treurige geschiedenis van Boefje van W.J. Brusse, uit 1903, met de prachtige zinsnede: 'Ga liever kuchies neure, da's veel echter!' ( = om boterhammen bedelen).

Een heuse ontdekking is A. den Doolaards Omnibus (1959), gestoken in een door Helmut Salden fraai beletterde band, boordevol wilde Servië-verhalen en doordesemd met verbazingwekkend beeldende zinnetjes als: 'Zij drukte haar sidderende benen tegen elkaar en trok met een haastig gebaar haar rokken over haar knieën'. Bij nader inzien wil ik wel blijven, in elk geval tot ik deze 536 bladzijden tellende pil uit heb.

Na drie dagen kennen Martin en ik elkaar van haver tot gort. Zijn tumoren heb ik aangeraakt (inderdaad: champignons), zijn vingers staalblauw zien worden vanwege zuurstofgebrek in het bloed, heb zijn vriendin en zijn volwassen dochter ontmoet ('Mijn echtscheiding loopt al twaalf jaar'). Ben inmiddels gewend aan de oergeluiden uit het bed naast me, het puffen en sissen, rochelen en borrelen. De mens als dolgedraaide stoommachine in de vorm van een deerniswekkend ingeklonken en verkankerd karkas.

Die nacht breekt de pleuris uit: “Spuit me alsjeblieft plat!” Witte schimmen rijden geluidloos karretjes vol apparatuur de kamer in, er wordt verneveld en geïnjecteerd, fluisterend overlegt de arts met de nachtzuster. Buurman wordt met bed en al weggereden.

Vroeg in de ochtend vertelt een zuster dat hij dood is. Als 's middags het bezoekuur begint staan zijn vriendin en dochter in de halflege kamer verwilderd om zich heen te kijken, ze weten nog van niets, snel loods ik hen naar de kamer waar de zusters gezellig koutend thee drinken.

's Avonds slaat de verwarring toe. Waar is Martin? Ben je net op iemand gesteld geraakt, is-ie opeens voor altijd weg. Het ziekenhuis lijkt plotseling een gedoemde bijenkast met de patiënten als larven, de vriendelijke en o zo behulpzame zusters, artsen, fysiotherapeuten als nijvere werksters. De koningin heeft het pand al geruime tijd verlaten, ongetwijfeld op zoek naar hogere honing. 's Nachts dwaal ik weer door de doodstille gangen, lees wat, schrijf wat, krijg plastic bekertjes thee en word verneveld. Laat in de nacht verhuis ik naar een zaal met zes piepende mannen. Mijn nieuwe buurman is blind. Om zes uur gaan de gordijnen open, het uitdelen der pillen en het geklets begint. Blinde buurman mompelt: “Wat is het toch vreselijk die harde stemmen in de ochtend.” Bijna was ik hem om de hals gevlogen.