Het leven van Willem van den Hull; Verslag uit de betere kringen

Willem van den Hull: Autobiografie (1778-1854). Bezorgd door Raymonde Padmos. Verloren, Egodocumenten deel 10, 736 blz. ƒ 95,-

In de zomer van 1787 reisde de negenjarige Willem van den Hull (1778-1854) met zijn vader en een oom per nachtschuit van Amsterdam naar Utrecht. De jongen kon de slaap niet vatten en bleef de hele nacht wakker, nieuwsgierig naar buiten kijkend om te zien waarlangs de boot in het halfduister voer. Tegen het krieken van de dag heerste er complete stilte in het vaartuig. Voorzichtig klom Willem op een bank, zodat hij kon genieten van de dageraad. Om zich heen, zo constateerde hij, was alles nog in diepe rust. Het vee lag op de velden te slapen, soms vloog er een vogel voorbij. Bij het aanbreken van de ochtend hoorde hij vogels tjilpen en zag hij 'den Dom zijn grijze hoofd in de lucht verheffen als om de eerste zonnestralen op te vangen'. Utrecht was in zicht.

Op de jonge Willem van den Hull maakte deze gebeurtenis een diepe indruk, zo diep dat hij een halve eeuw later zijn kinderherinnering wilde herbeleven. Met de diligence had hij sneller van Amsterdam naar Utrecht kunnen reizen, maar hij nam in hetzelfde jaargetijde de nachtschuit om te weten te komen of de indrukken die hij als jongetje ervaren had, opnieuwopgewekt zouden worden. Hij kwam bedrogen uit. In plaats van te genieten van de nachtelijke natuur en de vroege morgenstond, werd hij zich tijdens deze sentimental journey bewust van de sterfelijkheid van het bestaan. Hij vroeg zich af waar zijn vader, oom en grootouders, die hij indertijd met zoveel blijdschap in Utrecht ging bezoeken, waren gebleven. In zijn autobiografie noteerde hij: 'Ach, ze zijn niet meer: in hun graven liggen ze verstijfd, misschien verteerd! [...] Ik, thans nog zoo vol kracht en leeven, kom eenmaal in denzelfden staat van vernietiging, waarin mijn dierbare voorgeslacht zoo lang verkeert!'

Van den Hulls autobiografie staat vol herinneringen aan zijn kinder- en jeugdtijd en aan zijn werkzame bestaan als voorzanger in de Waalse kerk, onderwijzer en kostschoolhouder van een gerenommeerde Franse school te Haarlem. Hij presteerde het om zijn leven in ruim 800 pagina's te beschrijven. Het is even wennen, de soms plechtige, maar zeker niet vervelende schrijfstijl van Van den Hull. Maar wie eenmaal is ondergedompeld in het Haarlem van de late achttiende en de eerste helft van de negentiende eeuw, wordt beloond met mooie, ontroerende, humoristische verhalen van een man die rekenschap geeft van zijn voorbije leven.

Mijlpaal

Raymonde Padmos, de bezorger van de tekst, merkt terecht op dat Van den Hulls autobiografie een mijpaal is in de ontwikkeling van het genre in Nederland. Veel autobiografen hadden een sterk ontwikkeld familiebewustzijn en schreven hun verhaal als een opsomming van feiten en genealogische gegevens, bestemd voor het nageslacht. In Van den Hulls verhaal zijn deze traditionele elementen terug te vinden, omdat hij schreef voor zijn aangenomen zoon en tevens neef Hubert Plaatzer. Maar tegelijkertijd had hij een hoog ontwikkeld zelfbewustzijn. Van den Hull bracht zijn leven minutieus in kaart, zocht en verlangde naar een antwoord omtrent zijn herkomst en bestemming. Wat dit betreft past hij zonder problemen in de definitie van het begrip 'zelfbeschrijving' van P. Spigt in zijn studie Het ontstaan van de autobiografie in Nederland (1985): 'De echte autobiografie is een speurtocht naar de wordingsgeschiedenis van het eigen leven om tot samenvatting, overzicht, begrip, beeldvorming van de eigen persoonlijkheid te komen.'

Een belangrijk deel van Van den Hulls persoonlijkheid hing samen met zijn zo moeilijk verworven sociale status. Als gerespecteerd kostschoolhouder - veel van zijn leerlingen waren afkomstig uit deftige en aanzienlijke families -, maakte hij deel uit van de betere Haarlemse kringen. Dat deze positie niet vanzelfsprekend was en ook niet altijd even gemakkelijk, komt in de Autobiografie uitgebreid aan de orde.

Willem van den Hull werd geboren in een eenvoudig milieu. Zijn vader, die reeds op jonge leeftijd van school werd gehaald om geld te verdienen, was achtereenvolgens schaapherder, landarbeider, tuinmansknecht en vond tenslotte zijn draai als onderbrievenbesteller te Haarlem. Het bezorgen van brieven en pakjes leverde een aardige inkomen op, waarmee vader Van den Hull zijn gezin redelijk kon onderhouden. Maar naarmate er meer kinderen kwamen, werd het steeds moeilijker de eindjes aan elkaar te knopen. Het zag er naar uit dat Willems schoolcarrière van korte duur zou zijn. Maar zijn reeds op jonge leeftijd ontstane verlangen, het eenvoudige milieu waarin hij was geboren te ontworstelen, zorgde ervoor dat zijn leven anders verliep dan dat van de meeste mensen uit zijn sociale klasse.

Willems standsbewustzijn ontstond bij wijze van spreken aan de borst van zijn moeder. Naast Willem gaf zij ook moedermelk aan het zwakke zoontje van een deftig echtpaar dat al twee kinderen had verloren. De gezonde melk, zo merkt Van den Hull op, had een weldadige invloed op het ziekelijke kereltje. Tussen de wederzijdse ouders en zoontjes ontstond een levenslange vriendschap, die Willem in aanraking bracht met de 'zeer deftigen stand' van Haarlem. Op een dag vroeg Willem aan zijn vader waarom God hem toch geen rijkdommen had geschonken, zoals de ouders van zijn vriendjes. Het antwoord van Van de Hull sr. was eenvoudig en vol berusting: indien God het nuttig had geacht, dan had Hij die rijkdom zeer zeker geschonken. Met andere woorden, het was Gods wil dat hij in deze stand was geboren.

Willem legde zich niet neer bij deze Godsbeschikking en probeerde er alles aan te doen een man van aanzien te worden. Hij had gehoord dat een arme jongen met behulp van financiële steun van enkele notabelen het eerbiedwaardige ambt van predikant had weten te bereiken. De dominee aan wie hij hulp vroeg voor zijn zwaarwichtige plan een studiefonds tot stand te brengen, vroeg of de Voorzienigheid hem wenken had gegeven. Willem, opgevoed in een vroom en waarheidslievend gezin, moest ontkennend antwoorden. De dominee beschouwde Willems begeerte om predikant te worden daarom als een opwellende gedachte.

Pesterijen

Door zijn sterke wil en een ijzeren doorzettingsvermogen wist hij het uiteindelijk tot kostschoolhouder te brengen. De tol die hiervoor betaald moest worden, was een jarenlange beschimping door de gewone Haarlemmers. Deze pesterijen lieten hem niet onverschillig, maar hebben hem ook niet gebroken. Dit was mede te danken aan zijn rotsvaste geloof in de 'goddelijke wedervergelding': zelfs het geringste kwaad dat de mens bedrijft, wordt gestraft. De laaghartige lieden die hem het leven zuur maakten, kregen uiteindelijk de rekening wel gepresenteerd.

De lange en zware weg van deze sociale klimmer is slechts een van de vele onderwerpen uit deze rijke autobiografie. Rudolf Dekker wees er in zijn studie over de veranderende beeldvorming ten aanzien van kinderen tussen de zeventiende en de negentiende eeuw, Uit de schaduw in 't grote licht (1995), al op dat Van den Hulls geschrift een schat aan gegevens bevat over de kindertijd. Zo weet Willem zich te herinneren hoe hij leerde spellen en veel genoegen beleefde aan het lezen van kleine woordjes op de uithangborden van de winkels. Schokkend zijn de verhalen over de straffen die een Haarlemse meester met zijn bullepees uitdeelde aan de kinderen van de armenschool. Deze pedagoog ontliep de wedervergelding overigens niet, want toen zijn vroegere slachtoffers potige knapen waren geworden, werd hij zelf mishandeld.

Als basis voor zijn verhaal beschikte van den Hull over een fenomenaal geheugen, waar hij vol trots over schrijft, en waarschijnlijk over een dagboek. Een vraag die na lezing van de Autobiografie opkomt is of hij bepaalde dingen heeft verzwegen en verdraaid. Hoe openhartig hij ook schrijft over de drie mislukte liefdes in zijn leven, de vraag blijft of deze ongetrouwde man ooit een prostituée heeft bezocht. Dat Van den Hull ook eerlijk kon zijn, toont hij aan door te vertellen dat hij zich per ongeluk aan de pillen van zijn vader, waarin opium was verwerkt, had vergrepen. Door het slikken van deze pillen verbeeldde hij zich 'boven de starren te zweven en een hemelsch gezang te hooren'. Men kan zich dan ook afvragen of Willem van den Hull misschien verslaafd was aan de opium.