Een puist vol bacteriën

Soms krijg je een pukkel die wel heel erg groot wordt. Hij zit op je gezicht, of in je nek, of op je borst, of op een bil. Eerst was het een rood bultje. Na een paar dagen voelde je er een stevig rondje onder. Daarna komt er een lelijke halve knikker op je huid te liggen. De toestand wordt zorgwekkend.

Na een week is de knikker groot en rood. Hij glimt en ziet er vrij goor uit. Je huid zit er strak omheen. De plek doet pijn. Als de pukkel op je gezicht of in je nek zit is het net of je zelf één grote puist bent. Je krijgt het idee dat iedereen naar je kijkt en van je walgt. En als hij op je bil zit kun je moeilijk blijven zitten.

Dokter! Help!

Maar de dokter doet meestal niets als je met een steenpuist bij hem komt. Behalve als hij in je neus of je oor zit, of als je komt omdat je nu al maanden achter elkaar elke veertien dagen een steenpuist krijgt. Dan geeft hij meestal antibiotica. Dat zijn geneesmiddelen waar bacteriën van dood gaan. Als de puist midden op je rug of achterin je nek zit, snijdt hij hem meestal open. Van iedere andere steenpuist zegt hij: “Dat is niets. Die gaat vanzelf over. Niet aan krabben, niet in prikken. Hij wordt zelf rijp en loopt dan leeg.” Misschien zegt hij er bij: “Het is een karbunkel.” Karbunkel is de medische naam voor een steenpuist. En misschien zegt hij nog dat je de puist en de huid eromheen met ontsmettende zeep moet wassen.

In de tweede week krijgt de puist een groene, witte of gele kop. En op een dag barst hij open. Dan komt er pus uit. Meestal geel of bruin en meestal komt er ook wat zwarte smurrie uit.

Hoe vies en vervelend een steenpuist ook is, wat er binnenin gebeurt is heel interessant. In een steenpuist groeien bijna altijd bacteriën van een soort die Staphylococcus aureus heet. Staphylococcen zijn niet zeldzaam. Ze horen bij de mens. Ze groeien meestal in je darmen, waar ze je helpen met het verteren van voedsel. En ze groeien op je huid, waar ze van huidvet en zout leven. Maar als de staphylococcen in je bloed terechtkomen kun je bloedvergiftiging krijgen waar je aan dood kan gaan. Je afweersysteem houdt daarom goed in de gaten of bacteriën de huidgrens overschrijden. Zodra dat gebeurt stuurt je lichaam neutrofielen op de staphylococcen af. Neutrofielen zijn bacterie-etende cellen. Ze plakken zich aan de bacteriën vast. Dan bestoken de neutrofielen de bacteriën met chemicaliën waar ze dood van gaan. Daarna slokken de neutrofielen de gedode bacteriën op. Maar de staphylococcen kunnen zich verdedigen tegen de neutrofielen. Ze maken enzymen waar de neutrofielen dood van gaan. Ze maken ook chemicaliën waarmee ze het gif van de neutrofielen uitschakelen.

Het wordt een oorlog die lijkt op de belegering van een Middeleeuwse stad. Je lichaam stuurt nog veel meer neutrofielen. In de buurt van de binnengekomen bacteriën wordt je huid daardoor rood en zwelt op. De staphylococcen verschansen zich. Ze bouwen een laagje weefsel om hun kolonie heen. De afweercellen kunnen daar niet doorheen. Als bouwstof gebruiken de bacteriën stoffen uit je eigen bloed. Het laagje is mooi rond. Je voelt het na een paar dagen onder de rode opgezwollen plek. Binnen hun voorlopig veilige vestiging groeien de bacteriën als kool. Buiten staan steeds meer afweercellen te dringen om de bacteriën te doden. Na een paar dagen zijn er zoveel nieuwe bacteriën dat het binnen krap wordt. Er zitten dan miljoenen bacteriën in de steenpuist. De bacteriën duwen tegen hun zelfgemaakte wand. Daardoor groeit de steenpuist nog wat. Het voedsel raakt echter op, en veel bacteriën gaan dood. Langzaam breken de afweercellen de verschansing af met chemicaliën waar de huid bovenop de puist ook zwak van wordt. Tenslotte breekt de puist open. De pus moet je snel en goed wegwassen, want er zitten nog steeds veel bacteriën in. Toch laat de dokter een karbunkel liever zelf openbarsten, want als hij snijdt ontstaat er een wond. Zo'n nieuwe snee raakt makkelijker door bacteriën besmet dan het opengebarste staphylococcenfort waar nog steeds een leger neutrofielen omheen ligt.