Een lunchgesprek

Met de komkommertijd komen dunne kranten, en zelfs die hebben de redacties vaak moeite te vullen. Dezelfde plaag (of zegen - 't is maar hoe je ertegenaan kijkt) treft de columnist, althans mij. Waar zal ik nu eens over schrijven?

De wereld schijnt tot stilstand te zijn gekomen. Natuurlijk: in Afrika, Palestina, Cambodja blijft er gevochten en gemoord worden, terwijl er in Noord-Korea hongersnood heerst, maar dat levert geen nieuwe aspecten op.

Ook in Europa lijkt na 'Amsterdam' alles stilgevallen te zijn. Duitsland, zonder hetwelk in Europa niets gebeurt, heeft zichzelf zelfs tot september 1998, dus voor meer dan een jaar, geblokkeerd. Dan pas zijn er de algemene verkiezingen.

Het is mogelijk dat we ons allemaal vergissen. Per slot van rekening zijn beide wereldoorlogen van deze eeuw in augustus begonnen (de tweede formeel op 3 september, maar Hitler had op 31 augustus het bevel gegeven tot de inval in Polen, die aanleiding tot die oorlog werd). Naar zoiets ziet het echter nu niet uit. Crises? Ja. Wereldoorlog? In lengte van dagen niet.

Maar terug naar vandaag, de komkommertijd. Alle kranten zijn dun, ook de buitenlandse. Maar als je veel kranten leest - of, in mijn geval, doorkijkt - kom je zelfs in de komkommertijd nog wel eens iets tegen wat je aan het denken zet. Zo las ik in de Financial Times van verleden zaterdag een aardig interview. Zaterdags zijn dat altijd lunchinterviews. Dat wil zeggen dat de interviewer iemand uitnodigt voor een dejeuner in een restaurant van haar of zijn keuze. Het menu wordt besproken, maar is niet het belangrijkste onderwerp. Het dient slechts om de tongen los te maken.

Verleden week was Susan Greenberg de gast. Ik had nooit van haar gehoord, maar toen ik las dat zij professor in de farmacologie in Oxford was en net een boek had geschreven, getiteld The Human Brain: A Guided Tour, was ik, eenvoudige alfa die ik ben, al onder de indruk.

En toen ik verder las dat zij zich vooral bezighoudt met de degeneratie van hersencellen in ziekten als die van Alzheimer en Parkinson, was het niet de alfa die onder de indruk was, maar de ouder wordende mens. Wie onzer heeft niet met ziekten als deze in zijn naaste omgeving te maken of te maken gehad en wie betrekt zulke gevallen dan niet ook op zichzelf?

Toch ging daar het lunchgesprek niet over. Het ging voornamelijk over taal. Niet zo vreemd, want tussen denken (hersens) en taal bestaat een nauw verband. Greenberg bleek klassieke talen gestudeerd te hebben. Ook niet zo vreemd - althans in Engeland, waar klassieke talen nog steeds vaak een introductie zijn voor een carrière op een heel ander gebied.

“Wat ik erg verontrustend vind”, zei Greenberg, “is dat zelfs mijn afstudeerstudenten geen notie hebben van wat een hoofdwerkwoord is. Dat ze niet weten wat ablativi en gerundia zijn - OK. Maar dat iemand die van zichzelf vindt dat hij een goede opleiding heeft gehad, niet weet wat een hoofdwerkwoord is - dat vind ik erg zorgwekkend.”

“Schiet zo iemand dan tekort als een denkmachine?”, vraagt de interviewer. “Er zijn twee problemen”, is het antwoord. “In de eerste plaats betekent het gebrek aan kennis van formele grammatica dat hun denken niet zo gedisciplineerd is als dat van mensen die klassieke talen hebben gehad. Hun denken is nogal wauwelig, intuïtief en wazig.”

Hier ben ik geneigd de niet-classici in bescherming te nemen. Is de kennis van alleen klassieke talen een voorwaarde voor gedisciplineerd en helder denken? Is het inzicht in de structuur van elke taal daartoe niet al voldoende? Zeker, ikzelf ben blij dat ik het gymnasium heb afgelopen, maar laten we die opleiding niet als zaligmakend beschouwen. Beheersing van taal - welke dan ook - is belangrijk voor denken.

En het tweede probleem dat Greenberg zelfs nog groter vindt? Op het eerste gezicht lijkt het niet zo veel met denken te maken hebben, maar met verbeelding, zij het gewekt door lezen, dus toch ook via taal. Hoe dan ook: “Vroeger bracht ik - zoals u zeker ook - het grootste deel van mijn tijd door in een hoekje met een boek. Je verbeelding vervoerde je naar een andere wereld. Nu hoeven kinderen maar op een knop te drukken - CD-rom of televisie - om onmiddellijk bediend te worden. Ze krijgen een visueel beeld, terwijl wij onze verbeeldingskracht moesten gebruiken.”

Waarom is dat laatste beter? “Omdat het je dwingt je meer dan enkele microseconden te concentreren. Het geeft je het vermogen om aan het heden te ontsnappen en naar het verleden, de toekomst of de een of andere tijdloze plaats te gaan. Als je geen verbeelding hebt, geen interne mentale middelen, dan kun je niet interpreteren wat je ziet.

“Zeker produceren we tegenwoordig wetenschapsmensen, maar ik noem ze liever technici, mensen die op knoppen kunnen drukken, met machines communiceren. Het spijt me dat ik zo verschrikkelijk reactionair klink.” Haar volgende boek zal de stelling verdedigen dat extreem genot - zoals surfen, bungee jump, of orgasme - een opheffing van de persoonlijkheid is.

Ook een reactionaire theorie? In elk geval een oude: extase, religieus of anderszins, betekent: buiten jezelf zijn.