De topografie van het zwijgen

Péter Nádas: De Levensloper. Boek over een jaar. Vertaald door Rob Visser. Van Gennep, 316 blz. ƒ 49,90

In een welgestelde buurt is een manier van lopen waarneembaar, die daarbuiten niet of zelden voorkomt. Het is de zogenaamde onbezorgde tred. Niet de fysieke bouw van de wandelaar bepaalt zijn gang, maar zijn maatschappelijke positie. De schrijver ontdekt het verschijnsel wanneer hij op zijn dagelijkse wandeling door de buurt iedere dag op dezelfde plek een rijke man ontmoet en zij zwijgend aan elkaar voorbijgaan. Minutieus bestudeert hij vanuit zijn ooghoeken diens gang en hij constateert dat hij zelf, tijdelijk woonachtig in dezelfde buurt, verscheidene maanden nodig heeft om zich ook door middel van deze 'onbezorgde, langgerekte en zelfverzekerde stappen te verplaatsen'. Hij loopt niet meer zoals vóór die tijd: 'Ik had me dus enigszins ingeburgerd, maar deze man was wat dit betreft inheems.'

De schrijver is de Hongaar Péter Nádas en de subtiele observatie is te vinden in zijn onlangs verschenen boek De levensloper, waarin hij in tien hoofdstukken zijn overdenkingen beschrijft tijdens een verblijf in een dorp aan de westgrens van Hongarije, in 1989. Het is een manier van observeren die Nádas eerder in zijn magnum opus Het Boek der Herinneringen, voltooid in 1986, onvergelijkelijk perfectioneerde. Nádas blijkt een bijzonder zintuig te bezitten voor wat nauwelijks benoembaar is en daarom veelal over het hoofd wordt gezien, maar onderhuids en onbewust het menselijk handelen stuurt. Dat is het instinctieve, dat hooguit als een vaag reliëf zichtbaar is, zoals een tred, onder de dikke gepolijste laag van uiterlijkheid en schijn.

Net als in Het Boek der Herinneringen is Nádas hier de ontdekkingsreiziger en onderzoeker bij uitstek van de woordeloze ontmoeting. De rijke man en de schrijver gaan elkaar tijdens hun dagelijkse ontmoeting, zonder een woord te wisselen, meer en meer haten en ten slotte besluit de schrijver voor de ultieme confrontatie langs diens huis te fietsen. De rijke man, voor het raam staande, vertrekt zijn van haat vervulde gezicht tot een duivelse grijns en steekt dan zijn tong naar hem uit: 'Dat had hij niet moeten doen. Met zijn grijns had hij me overwonnen, maar door kinderachtig zijn tong naar me uit te steken had hij zich wederom aan me uitgeleverd.'

In een ander verhaal beschrijft Nádas eenzelfde woordeloze ontmoeting met de acteur Marcello Mastroianni, eerst op het vliegveld van Boedapest en later in het vliegtuig met een lege stoel tussen hen in. Juist doordat er niets gezegd wordt, wordt alles gezegd. De acteur doet of hem iets interesseert, maar zijn blik verraadt zijn uitputting en het diepe verlangen met rust gelaten te worden. Glimlachend weert Mastroianni de opdringende fans op het vliegveld van zich af: 'Gruwelijke glimlachen waren het. Louter verdedigende afwijzing, en zo bleef hij kwetsbaar in zijn pantser.' Zelfs slapend in zijn vliegtuigstoel bleef dit pantser van ongenaakbaarheid op zijn gekwelde gezicht gegrift: 'De aanblik van een tot dergelijke proporties uitgegroeide tragedie kon ik niet ontwijken.'

Het werk van Nádas doet denken aan dat van de Midden-Europese dichter Paul Celan. Ook Celan poogde het nauwelijks benoembare, het onderhuidse, dat wat eigenlijk niet in woorden gezegd kan worden, in zijn gedichten te verwoorden. Hij koos daarvoor veelal de techniek om de woorden in het gedicht op te laden met drie of vier verschillende betekenissen. Op die manier krijgt ieder woord verschillende gedaantes en een enorm hoog soortelijk gewicht. Nádas heeft hetzelfde doel, maar kiest een andere methode. Hij is de intellectuele verteller, met de koele, onbarmhartige blik van een chirurg, maar met een kartelmes als lancet, dat de ziel van de lezer in bloederige stukken snijdt. Want de rijke man en Mastroianni, dat is Nádas en dat zijn wijzelf.

Een sleutelgebeurtenis, die wellicht tot deze uitzonderlijke, tegelijk afstandelijke en betrokken, blik van Nádas heeft geleid, is een verhaal uit zijn jeugd dat hij in De levensloper vertelt. Hij komt van school en zegt tegen zijn moeder hoe ontzettend hij de joden haat. Op haar vraag waar hij die haat heeft opgedaan, is zijn antwoord: de godsdienstles. Zij leidt hem naar een grote spiegel in de hal en zegt kalm: 'Nou, kijk hem daar maar eens goed aan, daar heb je een jood, die kun je rustig haten.' 'Sindsdien kijk ik mezelf aan en vraag me af wie ik ben. Als ik in de spiegel kijk zie ik niet meer mezelf, maar iemand die naar iemand kijkt in de spiegel.'

Door dat voorval met de spiegel is Nádas zich maar al te goed bewust dat het op papier zetten van de topografie van zijn eigen gevoelsleven een te armzalige en ontoereikende manier is om het meest gecompliceerde netwerk dat de wereld kent - dat van de menselijke relaties - in woorden om te zetten. Daarom zwerft hij, net als Celan, rond in het onherbergzame gebied van 'de vage bewustzijnsvlekken aan de grenzen van mijn persoonlijkheid, waar ik met mijn geest niet kom.' In de hoop toch nog, voetje voor voetje, in dat gebied door te dringen en te beschrijven wat hij daar ervaart.

In Het Boek der Herinneringen componeerde hij deze zoektocht tot een grote, 839 pagina's lange vertelling. In De Levensloper zijn het een tiental op zichzelf staande schetsen, en dat is tegelijkertijd de zwakte van het boek. Weliswaar komen dezelfde thema's aan de orde, zoals de volmaaktheid van een driehoeksverhouding en het menselijk onvermogen die in stand te houden, de dood, de liefde, het gemis, de herinnering en een politieke beschouwing over Hongarije in 1989, het jaar van de omwenteling. Dat alles geschreven in de stijl en in de tijd van de Romeinse geschiedschrijver Livius ('In tweeëneenhalf duizend jaar was er veel gebeurd, maar nauwelijks wat veranderd'). Maar doordat Nádas zich hier niet de discipline oplegt van een roman verliest hij zich nogal eens in hermetisch, intellectualistisch taalgebruik. Gerechten uit de keuken van de schrijver, die nog niet klaar zijn om te worden opgediend. Het zou ook onmenselijk zijn van een schrijver, na een alom bejubeld literair hoogtepunt van wereldniveau als Het Boek der Herinneringen, waar hij elf jaar aan werkte, een zelfde tour de force te eisen, van eenzelfde kwaliteit. Het is gebleven bij een boek vol vingeroefeningen, alleen interessant voor doorgewinterde liefhebbers. Maar wel vingeroefeningen van een auteur die in één kootje van zijn vinger meer talent heeft dan menig ander schrijver in zijn hele hand.