De schoonheid van technische ontwerpen; Zingende, vliegende bouwwerken

Bruggen, hangars, stoomschepen, kassen - ze kunnen knap bedacht zijn, ze kunnen mooi zijn, vernuftig, nieuw, maar kunst? Wie in het Centre Pompidou in Parijs de tentoonstelling 'L'Art de l'Ingenieur' bezoekt, houdt al snel op zich die vraag te stellen: “Het gaat om de zuiverheid van een lijn, de kracht van een beeld.”

L'Art de l'ingenieur, t/m 28 sept. Centre Pompidou, di. gesl. Publikatie FF 490.

Nergens op de tentoonstelling 'L'Art de l'Ingenieur', die de eerste verdieping en de hal van het Parijse Centre Pompidou vult, valt een beginselverklaring te bespeuren. Wat maakt het werk van l'ingenieur tot art? Kennelijk waren de samenstellers ervan overtuigd dat de talloze bouwsels en civiele kunstwerken voor zichzelf spreken - en dat doen ze ook. De schetsen en ontwerpen, modellen en maquettes, foto's en film die hier bij elkaar zijn gebracht, laten het hart van de toeschouwer opspringen - door hun vernuft, dat ook, maar vooral door hun schoonheid.

De expositie begint met de eerste metalen brug, die in 1785 in het Engelse Coalsbrookdale werd gebouwd. Deze baanbrekende Ironbridge werd weliswaar van het revolutionaire nieuwe materiaal gietijzer gemaakt, maar de constructie was precies dezelfde als bij zijn houten voorgangers. Al voordat de brug klaar was stroomden de toeristen toe om dit wonder, waarvoor tot 1950 tol betaald moest worden, te zien: een metalen overspanning van wel dertig meter. Een eeuw later was de eerste grote stalen hangbrug een feit, over het Schotse Firth, met een overspanning van 2,5 kilometer. Maquettes, modellen en foto's tonen hoe het werkt, in de vitrine ligt een groot oud boek met tekeningen liefdevol op een kussen opengelegd.

Midden vorige eeuw begonnen de ingenieurs hun vindingrijkheid op andere doelen te richten, zoals winkelpassages en viaducten voor het nieuwe vervoersmiddel, de trein. De koloniale tijd bracht de kas voort, de opvolger van de wintertuinen en orangerieën die Europa al sinds de zeventiende eeuw kende, waar nu op grote schaal tropische planten konden worden geteeld en bewonderd. De noviteit die het meeste opzien baarde, was het Crystal Palace, dat Joseph Paxton ontwierp voor de Wereldtentoonstelling van 1851 in Londen. Deze kolossale hal bestond uit prefab-elementen en stond er in zeven weken - en werd daarmee meteen een symbool van het nieuwe tijdperk, dat van de industrialisatie.

De ware uitvinders onder de ingenieurs lieten hun fantasie nog verder uitwaaieren. Een van de figuren die in deze duisternis - het licht moet laag vanwege de vele kwetsbare tekeningen - tot kleurrijk leven komt, is Isambard Kingdom Brunel. Op stereoscopische foto's is te zien dat zijn verschijning - met flambard, lorgnet en een hoge hoed die hem laat lijken op de Mad Hatter uit Alice in Wonderland - even flamboyant was als zijn naam. Naast viaducten en bruggen ontwierp hij ook paquebots, stoomschepen. Zijn eerste, het houten Great Western, voer op stoom, maar was ook voorzien van zeilen en een schoepenrad. Of dit een experiment was, of een teken van onzekerheid, wordt jammer genoeg niet vermeld. Daarna kwam het stalen Great Britain, een van de eerste schepen met een schroef, en vlak voor zijn dood in 1859 werd zijn ijzeren Great Eastern te water gelaten, verreweg het grootste schip ooit gemaakt.

Eind van de eeuw verdringt staal ijzer in de bruggenbouw. Toch leidt de uitvinding van een nieuw materiaal niet tot de verdwijning van het oude. Gustave Eiffel heeft in 1889 zijn omstreden toren van gietijzer gemaakt, ook al was staal aan zijn zegetocht bezig - niet in de laatste plaats omdat Eiffel van het decoratieve effect van die tweeëneenhalve miljoen klinknagels hield. De Victoria-brug in Canada, die in 1853-'59 de Atlantische oceaan met de grote meren over een afstand van drie kilometer verbond, werd ondanks alle nieuwe technologische mogelijkheden gewoon van hout gemaakt: dat was goedkoper.

Een van de dingen die deze tentoonstelling zo interessant maakt, is dan ook de regelmatig terugkerende tegenstelling tussen het bouwproces en het uiteindelijke resultaat. Het Crystal Palace was dan wel het summum van moderniteit, op een gravure is te zien hoe een prefab-onderdeel van het dak omhoog wordt gehesen: met zes gespierde paarden. In de tweede tentoonstellingszaal wordt op een wand, reusachtig uitvergroot, een korrelige film gedraaid van de bouw in de jaren twintig van de betonnen paraboolvormige zeppelin-hangars op het vliegveld Orly. Dit waren de kinderjaren van het beton: de roedes van de bewapening worden met een draadje en een tangetje aan elkaar geknoopt, elk element van de bekisting wordt apart door diverse arbeiders op zijn plaats gehesen en bevestigd. En na al dat ouderwetse zwoegen komt er iets van een ongekende plasticiteit en moderniteit te voorschijn. Zo lopen telkens de oude en de nieuwe tijd in elkaar over; het begrip vooruitgang wordt vloeibaar.

Met de uitvinding van het gewapend beton ging er een wereld aan nieuwe mogelijkheden open. De eerste Franse fabrikant van beton, François Coignet, maakte er niet alleen bruggen, steunmuren en vuurtorens van, maar ook beelden van de Venus van Milo. Thomas Edison, uitvinder van onder andere de fonograaf en de gloeilamp, blijkt al in 1912 een vrijstaand huis van betonnen modulen te hebben ontworpen. Aan de maquette is te zien dat een nieuw procédé ook een volstrekt onrevolutionair resultaat kan opleveren.

Web

Wel revolutionair was daarentegen het planetarium dat de Duitse ingenieur Franz Dieschinger in 1925 ontwierp voor de fabriek van Zeiss, bestaande uit een frame van stalen driehoekjes dat later werd bedekt met beton. Er is een foto van de bouw te zien waarbij de constructeurs als vliegen in hun eigen web in het gaas van het de koepel gevangen lijken. Later, in 1942, bedacht hij ook een dubbelwandige koepel - 250 meter in doorsnee, met een 3,5 meter dikke schil tegen de bommen - voor een congrescentrum dat deel uitmaakte van Albert Speers grootse plannen voor Berlijn.

De echte kunstenaar van het beton is de Italiaan Pier Luigi Nervi. Al vanaf de jaren twintig specialiseerde hij zich in het zoeken naar nieuwe manier om vooral pre-fab structuren te bouwen, en bedacht een nieuw soort met staal gewapend beton dat verrassend soepel en sterk is. Hij maakte veel gebouwen met enorme overspanningen, zoals sportpaleizen en beurshallen met plafonds met de elegante symmetrie van een zich openvouwende zonnebloem. Al vanaf de jaren dertig ontwierp hij hangars, waarbij hij dezelfde vorm telkens ranker en eenvoudiger wist te maken; zo bracht hij het aantal pijlers in de loop der jaren terug van 36 naar acht.

Tegelijk met de beheersing van het materiaal en de techniek neemt in al deze bouwwerken de souplesse zichtbaar toe. Een van de bekendste naoorlogse kunstwerken is het organische TWA-terminal (1962) van Eero Saarinen in New York, waarmee hij de hegemonie van het uit Europa geïmporteerde Modernisme een slag toebracht. Nog expressiever is het werk van zijn generatiegenoot, de Spanjaard Felix Candela, die zijn favoriete vorm, de parabool, in allerlei materialen uitvoerde en voor allerlei functies toepaste. Op de tentoonstelling is een aantal modellen in hout en metaal te zien van kapellen die hij in de jaren vijftig in Mexico bouwde - zingende, vliegende bouwwerken, meer een gevoel dan een constructie.

Beneden in de hal, voorbij de nagebouwde geodesische koepel van Buckminster Fuller, is het een soort jongensland van al dan niet bewegende modellen en apparaten. Op de maat van een electronische timer schuift het scharnierende stadiondak, de Iris Dome, van de Amerikaan Chuck Hoberman open en dicht, en vouwt zijn opblaasbare geodesische koepel zich als een egel dicht tot een bal met spijkers.

Triomfen

L'Art de l'ingenieur is een catalogus van technische huzarenstukjes, maar ook een opeenstapeling van drama's en triomfen. De catalogus bij de tentoonstelling, een duur, zwaar en prachtig boek dat als een encyclopedie is opgezet, bevat een lemma Catastrophes, waarin onder andere wordt gememoreerd hoe een brug in het Amerikaanse Tacoma die in juli 1940 was geopend, het al in november begaf nadat hij door de wind was gaan resoneren. Een tekening laat in verlekkerd detail zien wat er gebeurde toen in 1907 een trein ontspoorde op het viaduct over de Loire bij Angers. Een van de aangrijpendste persoonlijke drama's is die van John Augustus Roebling, de Duitse immigrant die in 1867 de Brooklyn Bridge ontwerpt. Al voordat de eerste steen is gelegd overlijdt hij aan tetanus na een ongeval op de bouwplaats. Zijn zoon Washington Augustus neemt het werk over maar krijgt caissonziekte van te snel stijgen uit de funderingen, en het is tenslotte diens vrouw Emily die bij de voltooiing bemiddelt.

Eiffel daarentegen zegevierde nog bij leven met zijn toren, Paxton met zijn Crystal Palace ook. De achttiende-eeuwse ingenieur François-Joseph Bélanger moest iets langer wachten. Al bij de bouw in 1767 van de Halle au Blé, de Graanbeurs, stelde hij voor om de koepel van 39 meter doorsnee, ongeveer even groot als die van het Panthéon, van ijzer te maken. Men durfde het niet aan en koos voor hout, maar toen het dak afbrandde kon Bélanger alsnog zijn droom realiseren. Vlak voor zijn dood in 1813 was de koepel klaar, die nog steeds op het gebouw staat dat nu de Bourse du Commerce heet.

Nog veel meer van de Franse 'kunstwerken' zijn in levende lijve te zien. Je loopt zo naar de gietijzeren Pont des Invalides, naar Eiffels overwinning over andermans scepsis, of naar het negentiende-eeuwse gietijzeren gebouw van het Musée de l'Histoire Naturelle dat onlangs een zeven jaar durende renovatie onderging. Daar vlak naast, in de Jardin des Plantes, staat de palmenkas van Charles Rohault de Fleury (1833): slechts dankzij een spookgevel van stalen stutten blijft hij nog overeind. Wat toepasselijk dat deze tentoonstelling eindigt op het moment dat het Centre Pompidou, ingenieurskunstwerk bij uitstek, zelf voor een ingrijpende renovatie sluit.

Oppervlakkig gezien gaat L'Art de l'ingenieur over techneutenzaken: de spankracht van bogen, de zuiverheid van materialen, de kracht van machines. Maar uiteindelijk - en dat is de meerwaarde van het bij elkaar zetten van zoveel technisch denkvermogen in een tentoonstelling - gaat het om de spankracht van de fantasie, de zuiverheid van een lijn, de kracht van een beeld.