De schande van de zwarte dans

René V. Rosalia: Tambú. De legale en kerkelijke repressie van Afro-Curaçaose volksuitingen. Walburg Pers 1997, 337 + 50 blz. ƒ 49,50

'Reeds eene maand te voren hoorde men in en bij de stad het oorverdoovende geluid der tamboers en het zoogenaamde zingen of liever schreeuwen der schaamtelooze negerinnen (... ) die om beurten de allerschandelijkste dansen uitvoerden, zoodat verscheidene protestanten (...) zeiden dat het hier wel Afrika scheen geworden te zijn, waar nooit eenige beschaving bestaan heeft'.

Zo beschreef bisschop Nieuwindt op de Nederlandse Antillen in 1850 het Curaçaose tambú. In tegenstelling tot het Curaçaose carnaval is het tambú in Nederland vrijwel onbekend. De oorzaak ligt voor de hand. Carnaval is enkele decennia geleden door Zuid-Nederlanders uitgevoerd naar Curaçao waar het volksfeest een kleurrijke Zuid-Amerikaanse vorm aannam, om vervolgens weer door Curaçaose immigranten te worden geïmporteerd als jaarlijks multicultureel festijn te Rotterdam. Tambú is een (poly)ritmische vorm van muziek, zang en dans die in de zeventiende en achttiende eeuw door West-Afrikaanse slaven is meegenomen naar de Antillen, waar het door de Nederlandse koloniale overheid zo fel werd bestreden dat het nu nog maar een marginale plaats inneemt.

Het proefschrift van de Curaçaose rechtsantropoloog en musicus René Rosalia geeft de fascinerende geschiedenis van deze uiting van de zwarte volkscultuur en zijn onderdrukking door de blanke kolonialen.

De blanken beschouwden het tambú als toonbeeld van Afrikaanse onzedelijkheid. En inderdaad, als je paren tambúdansers met hun korte stampende passen bekkenschuddend om elkaar ziet draaien denk je het eerst aan baltsende loopvogels. Vanouds diende het tambú dan ook als vruchtbaarheidsritueel in de zaaiperiode. Maar Rosalia wijst erop dat de dans zich niet direct op seks richt en aan strikte regels is gebonden; zo mogen de dansers elkaar niet aanraken. Bovendien vervulde het tambú vele andere functies: tijdens de jaarwisseling verdrijft tambú bijvoorbeeld de boze geesten, zodat men gereinigd een gelukkig nieuw jaar kan ingaan. Tevens dient het om gevoelens te uiten, nieuwtjes over te brengen, misdragingen aan de kaak te stellen en conflicten te beslechten. De teksten kunnen ook getuigen van politiek protest, zoals in een lied op de afschaffing van de slavernij in 1863. 'Nu moeten de katten muizen voor de heer vangen/ De slavernij is voorbij.'

Rosalia beschrijft hoe de blanke kolonialen het Afrikaanse erfgoed probeerden uit te roeien onder het mom van een beschavingsmissie, maar in feite om slaven en ex-slaven eronder te houden en te disciplineren voor de zware plantage-arbeid. Vanaf de zeventiende eeuw verbood de overheid bijeenkomsten van 'moulatten ofte negros, hetzij vrije ofte slaaven', vooral als er werd gemusiceerd en gedanst.

Met de vestiging van de Curaçaose Petroleum Maatschappij in 1917 zette een ontwikkeling in naar een industriële samenleving. De economie leefde op, maar de zwarte meerderheid verwierf geen enkele politieke macht. Onderdrukkende regelgeving in naam van openbare orde en zedelijkheid nam juist toe. In 1936 werd de 'tamboerdans' met zoveel woorden verboden. Tambúmanifestaties werden uiteengejaagd, de trommels met de politiesabel doorgeprikt. Ook de geestelijkheid liet zich niet onbetuigd. De protestantse Nederlandse overheid had de kerstening van de zwarten liever aan de katholieke kerk overgelaten, want slaven als geloofsgenoten in je eigen kerk leek haar al te intiem. Vanaf 1824 richtte de negentiende-eeuwse geestelijkheid zich met kracht op het uitroeien van de duivelse Afrikaanse tradities.

Hoewel de mogelijkheid tot openlijk verzet gering was, heeft deze volkstraditie in ondergrondse vorm toch tot en met de eerste helft van deze eeuw volop stand gehouden. Daarna is het onder druk van een verhevigd beschavingsoffensief, en ook door de modernisering van de samenleving, tot een marginaler bestaan vervallen. Nu resteren voornamelijk commerciële tambúfeesten rond de jaarwisseling, waarbij de meeste bezoekers passief toekijken.

Rosalia's studie heeft ook een politiek doel. Bij hem is niets te vinden van de relativerende opvatting van de slavernij die sociologen als Hoetink en Römer hebben ontwikkeld: door de kleinschaligheid zou zich op Curaçao tussen meester en slaaf een veel mildere verhouding hebben ontwikkeld dan in Suriname. Rosalia benadrukt dat die verhouding in haar fundament al grondig mis was. Economische, religieuze en culturele ongelijkheden vielen samen met raciale. Alles wat zwart was gold als minderwaardig tegenover de blanke cultuur, en werd in een aantal gevallen gecriminaliseerd. Middels lichamelijk en geestelijk geweld is dit minderwaardigheidsbesef er bij de zwarte bevolking ingeprent, met zelfdiscriminatie jegens het Afrikaanse deel van de persoonlijkheid als gevolg: je moest 'je kleur verbeteren'.

Na de Tweede Wereldoorlog hebben de Nederlandse Antillen een betrekkelijke zelfstandigheid verworven, waarna de zwarte bevolking een steeds zwaardere politieke stem kreeg. In 1952 werd het tambúverbod opgeheven. Maar inmiddels was ook het tambú als wijdverbreide levenswijze verdwenen. Een groot deel van de Afro-Curaçaose bevolking ziet het nu zelf als onbeschaafd en zedeloos. Als tegenwicht tegen deze zelfontkenning beoogt Rosalia door zijn studie van de eigen tradities het zelfrespect van zijn landgenoten te verhogen. Dat zijn politieke analyses hier en daar nog sterk de geest van de revolutionaire jaren zestig ademen, doet niet af aan het belang van deze Curaçaose geschiedschrijving.