De beelden van Donald Judd verkoelen de ogen

Tentoonstelling: Donald Judd bij Galerie Xavier Hufkens, Sint-Jorisstraat 8, Elsene (Brussel). T/m 30 augustus. Di-za 12-18u.

Sinds de jaren zestig maakte de Amerikaanse kunstenaar Donald Judd (1928-1994), bekend als protagonist van de minimal art, zijn zogeheten stack pieces: zes of meer identieke doosvolumes boven elkaar aan de muur gemonteerd, van vloer tot zoldering op afstanden van een doosdikte. De materialen zijn industrieel, metalen, eventueel gecombineerd met plexiglas.

Niet zo'n werk toont Xavier Hufkens op de kleine Judd-presentatie waarmee zijn Brusselse galerie de zomer overbrugt, maar wel een verrassende, minder gekende variant. Het gaat om twee werken uit 1969 die elk maar uit één zo'n doosje bestaan. Bij één ervan zijn de zijkanten van geelkoper, de boven- én onderkant van oranje plexiglas. Het werkt als een filter voor het galerie-kunstlicht, dat zich eronder in een rozige lichtkegel op de muur werpt. De bovenkant bevindt zich op kinhoogte, zodat we van boven door de doos heen kunnen kijken.

Het andere doosje is van roestvrij staal met een onderkant van blauw plexi, en hangt hoger dan manshoog. Als je eronder gaat staan en naar boven kijkt, koelt het diepe blauw je ogen.

Judd bepaalde dat het werk hoger moest hangen dan de deuropening waardoor je de ruimte binnenkwam. De ongewone presentatiehoogte vestigt meteen de aandacht op de ruimte waarin het werk hangt. We zien niet zomaar een doos, maar een doos die op een welbepaalde plek in een andere doos hangt - namelijk de galerieruimte. En onze situering in de ruimte wordt ons evenzeer bewust: wij gaan naar het werk toe, staan eronder en kijken naar boven. Het andere, lager gehangen doosje inspecteren we van dichtbij, een blik werpend in het 'bakje'. Van een geijkte contemplatieve afstand is geen sprake.

De andere zes werken bij Hufkens dateren uit de jaren tachtig. Judd streefde steeds naar begrensde en bevattelijke objecten. Hij gebruikte daartoe industriële, vaak opvallend gladde materialen. Untitled uit 1989 is slank en hangt horizontaal aan de muur. Het is een bijna twee meter lange balk waarvan de naar ons gerichte zijde verdeeld is in platte en cilindrisch gebogen vlakken, die naar rechts toe respectievelijk langer en korter worden. Het materiaal, geanodiseerd aluminium, geeft het object een matte goudgele schijn, waardoor het alleen nog maar uit visuele substantie lijkt te bestaan. Zo 'restloos visueel' dat het oog er - paradoxaal genoeg - minder zeker van wordt.

'Optisch licht' zijn ze in ieder geval, deze objecten, hoe zwaar ook de industriële materialen. Dat bewijst het meest omvangrijke exemplaar. Vier kubusvormige volumes van gegalvaniseerd staal, net industriële laadbakken, zijn keurig naast elkaar aan de muur bevestigd. Bovenaan worden ze verbonden met een lange rode balk, en die rode streep bevrijdt de 'bakken' in een klap van hun gewicht.

Wie deze frontaal gepresenteerde constructie even van opzij inspecteert, merk dat de balk hol is. Het lijkt een detail, en toch: was hij een gesloten vorm, dan zou hij misschien te weinig ding en te veel 'zuivere beelding' geworden zijn. Teveel Mondriaan. En Judd was niet geïnteresseerd in onwereldse harmonie. Hij wilde begrensde, overzichtelijke dingen maken, al krijgen die dingen in hun helderheid vaak iets van 'optische schimmen'. Die tegenspraak pleit ook weer voor de frisheid van deze kunstenaar, die nooit een risicoloze fabrikant van esthetische goederen is geworden.